id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050908.8 Rolnummer: C.04.0112.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2005-11-28 Raadplegingen: 208 - laatst gezien 2026-07-04 15:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche Personen die wegens een ernstige ziekte noodgedwongen opgenomen worden in een instelling of verzorgingstehuis worden, voor de toepassing van de successietarieven tussen samenwonenden in het Vlaamse Gewet, geacht te blijven samenwonen met de partner met wie ze voor hun opname ten minste drie jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding voerden. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Vrije woorden: SUCCESSIERECHTEN Tarieven Vlaamse Gewest Tarieven tussen samenwonenden Samenwonenden Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1867 - Art.48,vijfde Tekst van de beslissing Nr. C.04.0112.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de Ontvanger der registratie te Wetteren, met kantoren te 9230 Wetteren, Gentsesteenweg 93, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.C., verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 september 2003 door het Hof van Beroep te Gent gewezen. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 48 van het Wetboek der successierechten, zoals gewijzigd bij decreet van het Vlaams Parlement van 15 juli 1997, en zoals van kracht vóór de wijziging van deze tekst bij decreet van 30 juni 2000 ; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen Het arrest "bevestigt het bestreden vonnis" met verwijzing van eiser tot de kosten. Het vonnis : "verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond ; beveelt de herberekening van de in casu verschuldigde registratierechten, en beveelt de eventuele teruggave rekening houdende met wat voorafgaat, meer de moratoriumintresten. Veroordeelt (eiser) tot de kosten". De uitspraak van het arrest is gesteund op de volgende motivering : "Het toepasselijk artikel 48 van het Wetboek der successierechten, ingevoerd door artikel 2 van het decreet van het Vlaams Parlement van 15 juli 1997 (B. S. 1 oktober 1997), bepaalt : 'Voor de toepassing van dit artikel wordt onder samenwonenden verstaan een persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap minstens drie jaar ononderbroken met de erflater samenwonen, te bewijzen met een uittreksel uit het bevolkingsregister, en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren, hetgeen een weerlegbaar vermoeden inhoudt. Het voeren van een gemeenschappelijke huishouding blijkt onder meer uit de voortgezette wil van de partijen daartoe en de bijdrage van de partijen in de kosten van deze huishouding'. Volgens de administratie moet uit deze tekst worden afgeleid dat het samenwonen enkel kan bewezen worden met een uittreksel uit het bevolkingsregister en geenszins op een andere wijze kan worden aangetoond, (Verweerster) daarentegen verdedigt de stelling dat een uittreksel uit het bevolkingsregister een bewijsmiddel is ('te bewijzen met...') en geen voorwaarde voor de toepassing van het verlaagd tarief zoals de administratie wil doen aannemen. De voorbereidende werkzaamheden van het bedoeld decreet tonen aan dat het de bedoeling was van de decreetgever van 1997 om een verlaagd successierechtentarief toe te passen voor personen die reeds een zekere tijd alsdan minstens drie jaar samenwonenden waren en hen niet te onderwerpen aan het tarief van toepassing op voor elkaar vreemde personen. Dit blijkt zeer duidelijk uit de toelichting bij het voorstel van decreet ingediend door twee parlementsleden waarin wordt gesteld (zie Parlementaire stukken van het Vlaams Parlement stuk 694, 1996-1997, - nr. 1) : 'Personen, die jarenlang een gemeenschappelijke huishouding hebben, worden indien ze niet gehuwd zijn door de fiscus der successierechten als vreemd voor elkaar beschouwd. De indieners vinden dit onbillijk. Personen die gedurende ten minste drie jaar ononderbroken samenwonen, op vrije basis, een gemeenschappelijk huishouden vormen en elkaar in hun testament begunstigen, mogen niet als vreemden worden belast. De indieners voeren voor deze samenwonenden in het Wetboek der successierechten een nieuwe categorie in'. Ook de lezing van het verslag in het Vlaams Parlement namens de Commissie van Financiën en Begroting bij het voorstel van decreet (stuk 694, 1996-1997, - nr. 6) dwingt de overtuiging af dat het juist de bedoeling was van de decreetgever om de samenwonenden die gedurende minstens drie jaar een gemeenschappelijke huishouding vormden te laten genieten van een verlaagd successierechtentarief. Dat (verweerster) met de overledene samenwoonde en met hem een gemeenschappelijke huishouding voerde sedert 23 oktober 1981 wordt niet betwist. Het staat ook vast dat de opname van L.F. in een rustoord de laatste maanden van zijn leven zich opdrong ingevolge ernstige gezondheidsproblemen (ziekte van Alzheimer). Dit belet echter niet dat deze partners nog steeds 'samenwonenden' waren in de zin en in de geest van het decreet, te meer daar wordt aangetoond en overigens ook niet wordt betwist dat (verweerster) tijdens de opname dagelijks haar partner kwam bezoeken en voor hem zorgde. De omstandigheid dat op de vraag van het rustoord en zuiver om administratieve redenen, het domicilie van de erflater overgebracht werd op het adres van de instelling enkele maanden vóór zijn overlijden wijzigt daar niets aan en maakt voor deze samenwonenden een geval van overmacht uit. Nergens kan worden afgeleid uit de tekst van het decreet dat enkel een bevolkingsattest het bewijs van samenwonen kan leveren en dat een dergelijk attest een voorwaarde uitmaakt om als samenwonende te worden aangezien. Integendeel, uit het parlementair verslag blijkt dat de decreetgever de bewijsvoering van het samenwonen gemakkelijk heeft willen maken voor de partners door te verwijzen naar een uittreksel uit het bevolkingsregister. Dit sluit echter niet uit dat tevens uit andere feiten of gegevens kan worden geput om de samenwoning aan te tonen en ook dat overmacht kan verhinderen, zoals te dezen, dat een uittreksel uit het bevolkingsregister tot op de dag van het openvallen van de nalatenschap kan worden voorgelegd. ln de gegeven omstandigheden dient dan ook te worden aangenomen dat (verweerster) de voorwaarden vervult voorzien in het toenmalig artikel 48 van het Wetboek der successierechten zoals gewijzigd door artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Parlement van 15 juli 1997 om te genieten van het verlaagd successierechtentarief". Grieven De tekst van artikel 48, Wb. Succ., zoals van kracht op 3 april 1998, zijnde de datum van openvallen van de nalatenschap van wijlen L.F., en die in extenso in het arrest wordt aangehaald, bepaalt dat het verlaagd tarief toegepast mag worden voor personen "die op de dag van het openvallen van de nalatenschap minstens drie jaar ononderbroken met de erflater samenwonen, te bewijzen met een uittreksel uit het bevolkingsregister..." Deze tekst is bindend, en laat niet toe ervan af te wijken om redenen van billijkheid. De rechter mag evenmin, om redenen van billijkheid, toepassing maken van deze tekst zoals geamendeerd bij het later in werking getreden decreet van 30 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.