id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050908.9 Rolnummer: C.04.0407.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2006-05-19 Raadplegingen: 432 - laatst gezien 2026-07-04 15:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een incidentele eis van verweerder in cassatie die ertoe strekt een grotere draagwijdte te geven aan het cassatieberoep is niet ontvankelijk nu het Hof alleen kennis kan nemen van de punten van de beslissing die in het inleidende verzoekschrift zijn aangegeven. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Draagwijdte van het cassatieberoep Eis van verweerder tot uitbreiding van het cassatieberoep Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1095 Fiche 2 Een verbintenis is onder een opschortende voorwaarde aangegaan als zij afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad maar aan partijen nog onbekend is; de nakoming of de niet-nakoming van een van de verbintenissen waartoe partijen zich hebben verbonden, kan niet worden beschouwd als een opschortende voorwaarde
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: REGISTRATIE (RECHT VAN) Vrije woorden: REGISTRATIE (RECHT VAN) Rechtshandelingen onderworpen aan een schorsende voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet - 30-11-1939 - Art.1181 Fiche 3 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 8 sept. 2005, AR C.04.0407.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: REGISTRATIE (RECHT VAN) Vrije woorden: REGISTRATIE (RECHT VAN) Rechtshandelingen onderworpen aan een schorsende voorwaarde Nota: C.04.0407.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
- Onderhavige betwisting betreft de bepaling van de grondslag voor de heffing van de registratierechten op de verkoop van een grond. Verweerders hadden een vervuilde grond aangekocht voor een prijs van 7.500.000 BEF en daarnaast de verbintenis aangegaan om de saneringsverplichtingen van de verkoper op het vlak van het bodemsaneringsdecreet over te nemen. In de aankoopakte werd die last pro fisco geraamd op 21.500.000 BEF. Later bleek de saneringslast slechts 13.000.000 BEF te bedragen. Verweerders betwistten in hoofdorde de aanslag in de registratierechten in zoverre die op de saneringslast betrekking had, argumenterend dat het een wettelijke last betrof die niet tot de heffingsgrondslag behoort. In hoger beroep vorderden verweerders in ondergeschikte orde de vermindering van de heffingsgrondslag met het verschil tussen de initiële raming van de saneringskosten en de uiteindelijk verschuldigde saneringskosten. Het bestreden arrest wees de vordering in hoofdorde af, maar willigde de vordering in ondergeschikte orde in en verminderde dienvolgens de heffingsgrondslag op grond waarvan het litigieus registratierecht dient te worden geheven.
- In het tweede onderdeel van het enig middel tot cassatie voert eiser aan dat uit de door de bodemrechter vastgestelde feiten niet in rechte het bestaan van een verkoop onder opschortende voorwaarde kan afgeleid worden, zodat het bestreden arrest de artikelen 1168 en 1181 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 16, 44 en 45 van het Registratiewetboek zou schenden.
- De koper heeft zich in casu verbonden tot betaling van een prijs en tot de sanering indien de grond vervuild zou blijken na het bodemonderzoek. Het beding in de notariële akte luidt ter zake als volgt: "De koper heeft bij brief van de minister verzocht toelating te geven om de verplichtingen met betrekking tot het uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek voor de beschreven gronden te laten plaatsvinden na de geplande overdracht. De koper heeft de verplichting op zich genomen de bodem te saneren indien blijkt uit het oriënterend bodemonderzoek dat er verontreinigingen worden aangetroffen". De verkoop was aldus onmiddellijk voltrokken tussen partijen gelet op de overdracht van het goed en de betaling van de prijs van 7.500.000 BEF. Slechts de uitvoering van de bijkomende verbintenis die de koper aangegaan had ten opzichte van een derde om de saneringskosten te dragen ter ontlasting van de verkoper was ondergeschikt gemaakt aan de voorwaarde dat het bodemonderzoek vervuiling zou uitwijzen. Vraag is dan ook of de omstandigheid dat één van de verbintenissen van de koper onder opschortende voorwaarde is aangegaan, toelaat te besluiten dat de rechtshandeling die het voorwerp is van de registratie, namelijk de verkoopovereenkomst, als dusdanig onder opschortende voorwaarde is aangegaan, met uitstel van de vereffening van het evenredig registratierecht.
- Vooreerst moet er op gewezen worden dat wat de opschortende voorwaarde betreft artikel 16 van het Reg. Wb. niet zonder meer mag worden gelezen in het verlengde van de desbetreffende artikelen uit het B.W. (de artt. 1168 en 1181 B.W.). De voorwaarde wordt in ons B.W. immers enkel behandeld als een modaliteit van verbintenissen. Zij betreft niet het ontstaan van de overeenkomst zelf, maar enkel de uitvoering van een of meerdere uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen (W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, Acco Leuven, 2001, p. 310). Lange tijd bestond een controverse over de aard van de opschortende voorwaarde in het burgerlijk recht. Volgens de klassieke opvatting was een opschortende voorwaarde een toekomstige en onzekere gebeurtenis waarvan het bestaan van de overeenkomst (en bijgevolg van de daaruit voortvloeiende verbintenissen) afhankelijk werd gesteld (Cass., 9 februari 1933, Pas., 1933, I, 103 met concl. Proc.-Gen. Leclercq). Deze opvatting werd in de rechtsleer bestreden (cfr. H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, I, Brussel, Bruylant, 1948, nr. 153bis). Uw Hof heeft zich bij die kritiek aangesloten en gesteld dat de overeenkomst waarbij een verbintenis onder opschortende voorwaarde is aangegaan, bestaat hangende de voorwaarde, ook al is de uitvoering van de verbintenis opgeschort. De overeenkomst doet voor het overige rechten en plichten voor partijen ontstaan en de partij die een niet door de voorwaarde opgeschorte verplichting niet nakomt, kan schadevergoeding verschuldigd zijn (Cass., 5 juni 1981, A.C., 1980-81, nr. 576, 1157, met concl. adv.-gen. LENAERTS; Cass., 18 februari 1993, A.C., 1993, nr. 103; Cass., 5 april 1993, A.C., 1993, nr. 174). De opschortende voorwaarde schort dus niet het ontstaan op van de overeenkomst zelf, evenmin als zij de uitwerking opschort van alle uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten. Zij schort slechts een gedeelte van die rechten en plichten op, nl. van diegene die het voorwerp uitmaken van de opgeschorte verbintenis. Waar de appelrechters ten deze aannemen dat de door de koper aangegane verbintenis tot saneren onder opschortende voorwaarde werd aangegaan, verliezen zij het uit het oog dat zulks geen invloed kon hebben op het bestaan van de overeenkomst zelf, en dus op de heffing van het evenredig registratierecht dat de actuele rechtshandelingen treft, ook al worden bepaalde verbintenissen die eruit voortvloeien aangegaan onder opschortende voorwaarde. De modaliteiten van een rechtshandeling zijn immers geen beletsel voor de heffing van de registratierechten.
- In zoverre de appelrechters de saneringsverbintenis als een voorwaardelijke verbintenis konden kwalificeren, rijst de vraag of zij op die grond de mogelijkheid hadden om de verkoopovereenkomst zelf te kwalificeren als een rechtshandeling onder opschortende voorwaarde in de zin van artikel 16 Reg. Wb. De artikelen 1168 en 1181 B.W. situeren zich immers op het niveau van de uit de rechtshandeling voortvloeiende verbintenissen (cfr. supra). Artikel 16 Reg. Wb. blijkt evenwel uitdrukkelijk rechtshandelingen zelf te viseren, en niet de hieruit voortvloeiende afzonderlijke verbintenissen. Artikel 16 luidt met name als volgt: "De rechtshandeling waarop het evenredig recht verschuldigd is, doch welke aan een schorsende voorwaarde onderworpen is, geeft alleen tot heffing van het algemeen vast recht aanleiding zolang de voorwaarde niet is vervuld. Wordt de voorwaarde vervuld, zo is het recht verschuldigd dat bij het tarief voor de handeling is gesteld, behoudens toerekening van het reeds geheven recht. Het wordt berekend naar het tarief dat van kracht was op de datum waarop het recht aan de Staat zou verworven geweest zijn indien de handeling een onvoorwaardelijke was geweest, en op de bij dit Wetboek vastgelegde en op de datum van de vervulling der voorwaarde beschouwde belastbare grondslag."(eigen onderlijning) Deze wetsbepaling vormt een belangrijke uitzondering op het principe dat de modaliteiten van een rechtshandeling in beginsel geen beletsel vormen voor de heffing van het registratierecht. Het beginsel dat eraan ten grondslag ligt is dat het evenredig registratierecht immers uitsluitend de actuele rechtshandelingen treft. Als gevolg daarvan is een rechtshandeling die principieel onderworpen is aan het evenredig recht, doch aan een schorsende voorwaarde is onderworpen, slechts onderworpen aan het algemeen vast recht zo lang de voorwaarde niet is vervuld. Voor de toepassing van bedoelde uitzonderingsbepaling moet "de opschortende voorwaarde" begrepen worden als een modaliteit van een rechtshandeling, bestaande uit een toekomstige en onzekere gebeurtenis, waarvan de contractanten de uitvoering van de rechtshandeling zelf willen doen afhangen. De opschortende voorwaarde schort het effect van de rechtshandeling op. (G. POPPE, "De registratierechten bij aankoop en verkoop van onroerende goederen: een overzicht", Fiscaal praktijkboek 2000-2001 Indirecte belastingen, Ced.Samsom, p. 166). Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een schenking van een onroerend goed gedaan werd onder schorsende voorwaarde zodat de eigendomsoverdracht uitgesteld wordt tot de dag waarop de voorwaarde wordt vervuld (Cass., 9 juli 1931, Pas., 1931, I, 218). Volgens auteur WERDEFROY kan men slechts spreken van een "rechtshandeling onderworpen aan een opschortende voorwaarde" in de zin van art. 16 Reg. W. wanneer al de bij overeenkomst gecontracteerde verbintenissen over en weder onder opschortende voorwaarde werden bedongen (F. WERDEFROY, Registratierechten, 4de herwerkte uitgave, I, nr. 554). Dat er enkel in dat geval geen sprake meer kan zijn van een actuele rechtshandeling, is volkomen in overeenstemming te brengen met de hoger geciteerde rechtspraak van Uw Hof volgens dewelke de overeenkomst waarbij een verbintenis onder opschortende voorwaarde is aangegaan, bestaat hangende de voorwaarde, ook al is de uitvoering van de verbintenis opgeschort. Om van een rechtshandeling onder opschortende voorwaarde te kunnen gewagen moeten alleszins de meerderheid van de verbintenissen uit de overeenkomst of de belangrijkste verbintenissen moeten zijn opgeschort, zowel van de kant van de koper (cfr. de betaling van de prijs), als van de kant van de verkoper (cfr. overdracht van het verkochte goed). Het zou in die optiek volkomen onlogisch voorkomen dat, wanneer een rechtshandeling verschillende verbintenissen doet ontstaan, de omstandigheid dat één onbelangrijke bijkomende verbintenis onder opschortende voorwaarde werd aangegaan, zou voor gevolg hebben dat de hele rechtshandeling geacht moet worden onder opschortende voorwaarde te zijn aangegaan. Uit de feitelijke vaststellingen van de appelrechters blijkt ten deze dat:
- de geregistreerde verkoopovereenkomst verschillende verbintenissen deed ontstaan, zowel aan de zijde van de verkoper als aan de zijde van de koper;
- de betaling van de bedongen prijs en de overdracht van het verkochte goed onmiddellijk plaatsvonden en zodoende niet werden verbonden aan de voorwaarde van vaststelling van de verontreiniging van de bodem;
- de sanering slechts één van de tegenprestaties was van de koper, die, naast de betaling van de prijs vereist waren om het goed te verwerven;
- bij de registratie van de notariële akte de bevoegde ontvanger heffing deed van het overgangsrecht op de overeengekomen prijs vermeerderd met de door partijen in de akte zelf pro fisco begrote kosten van de bodemsanering. Uit de feitelijke vaststellingen verwoord in het bestreden arrest blijkt niet dat de meest essentiële verbintenissen voortspruitende uit de verkoopovereenkomst, zoals de levering van het goed en de betaling van de verkoopprijs, aan enige voorwaarde waren onderworpen. Enkel op grond van het voorwaardelijk karakter van de saneringsverbintenis konden de appelrechters dan ook niet rechtsgeldig besluiten tot het bestaan van een verkoop onder opschortende voorwaarde zoals beoogd in artikel 16 Reg. Wb. Dat de akte geregistreerd werd onder heffing van het evenredig recht toont aan dat ook de partijen bij de overeenkomst de rechtshandeling op dat ogenblik als een actuele en niet als een voorwaardelijke rechtshandeling catalogeerden. Gelet op de onmiddellijke overdracht van het goed en de betaling van de prijs kan worden besloten dat de rechtshandeling in casu actueel was voor de vaststelling van de bodemverontreiniging. Het verslag aan de Koning bij het K.B. houdende het Reg. Wb. (B.S., 1 december 1939, 8005, inzake art. 16) stelt dat artikel 16 een uitdrukkelijke bevestiging inhoudt van het sedert altijd aangenomen beginsel dat, om de heffing van het evenredig recht mogelijk te maken, de rechtshandeling actueel moet zijn, m.a.w. niet aan schorsende voorwaarde mag onderhevig zijn (zie concl. van ondergetekende bij Cass., 5 februari 2004, A.R. nr. C.01.0497.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040205.23, www. cass.be). De rechtshandeling zal in de regel alleszins actueel zijn zodra het goed is overgedragen wat de heffing van het 'overgangsrecht' overigens volkomen wettigt. Het middel komt dan ook gegrond voor. De incidentele eis door verweerders geformuleerd in hun memorie van antwoord die er toe strekt de cassatie ambtshalve uit te breiden tot het gehele arrest en aldus een grotere draagwijdte te geven aan het cassatieberoep, komt onontvankelijk voor nu Uw Hof overeenkomstig art. 1095 Ger. W. enkel de punten van de bestreden beslissing mag onderzoeken die in het verzoekschrift zijn aangegeven. Besluit: VERNIETIGING van het bestreden arrest in zoverre het beslist dat de heffingsgrondslag van het betwiste registratierecht dient verminderd te worden. ARREST Tekst van de beslissing Nr. C.04.0407.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de gewestelijke directeur van de administratie van het kadaster, de registratie en de domeinen, directie registratie Hasselt, wiens kantoor gevestigd is te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- RECONDITIONEREN VAN ASBEST, (afgekort RECONA), naamloze vennootschap, met zetel te 2440 Geel, Acaciastraat 14C, ingeschreven in het handelsregister te Turnhout, nummer 72.470,
- RENOTEC, naamloze vennootschap, met zetel te 2440 Mol, Acaciastraat 14C,
- ASBESTOS REMOVAL, naamloze vennootschap, met zetel te 2110 Wijnegem, Blijkhoevelaan 16, allen samen optredend en als deelgenoot van de tijdelijke vereniging REMATT, met maatschappelijke zetel te 2440 Geel, Acaciastraat 14C, verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Jan Souvereyns, advocaat bij de balie te Brussel, kantoor houdende te 1030 Brussel, Reyerslaan 107 bus 103, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 mei 2004 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 1168 en 1181 van het Burgerlijk Wetboek ; de artikelen 16, 44 en 45 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten. Aangevochten beslissingen Het arrest : "Verklaart het hoger beroep van (verweerders) ontvankelijk, en deels gegrond ; Beveelt de vermindering van de belastbare grondslag van de aanslag in de registratie betreffende de verkoopakte van 22.11.2000, verleden voor notaris T.V., met standplaats te Geel, bedrijfsgebouw op en met industrieterrein, gelegen te Mol, Lichtstraat en Vaartstraat, gekadastreerd sectie C, deel van nummer 1447, opp. 49 a 36 ca, afgebeeld als "lot 1" en nummer 1446/L en deel van nummer 1445/H/2 met een opp. van 17 a 4 ca, afgebeeld als "lot 2", met een bedrag van 210.709,50 euro. Beveelt de herberekening van de aanslag en veroordeelt (eiser) tot terugbetaling van alle sommen die op grond van deze aanslag zouden zijn geïnd, verhoogd met de nalatigheidsintresten sedert 9 november
- Wijst het meer gevorderde af als ongegrond en verwijst de partijen ieder in de helft van de kosten". Tot motivering van deze uitspraak, na een uiteenzetting van de relevante feiten en na aanduiding van de motieven die leiden tot het verwerpen van de hoofdeis van verweerders, wordt in het arrest de subsidiaire stelling van verweerders samengevat : "(Verweerders) stellen echter dat de verplichting tot sanering dient te worden beschouwd als een opschortende voorwaarde in de zin van artikel 16 Wb. Reg. en dat er bij het vervullen van de voorwaarde slechts een evenredig recht verschuldigd is ; (verweerders) stellen dat de voorwaarde slechts vervuld is na de uitvoering van de bodemsaner"ngswerken, waarbij door OVAM een attest wordt afgeleverd". Na aanhaling van de tekst van artikel 16 Wb. Reg., wordt dan verder overwogen : "Overeenkomstig de bepalingen van het ministerieel besluit van 30 augustus 2000 (artikel 2, ,§2) dient de verwerver tot zekerheid van de uitvoering van de in artikel 3, ,§1, bedoelde verbintenis financiële zekerheid voor een bedrag van 21.500.000 BEF voor een termijn van 5 jaar, welke periodiek om de 4,5 jaar op verzoek van OVAM hernieuwbaar is te stellen. De akte houdende de financiële zekerheid wordt voorafgaand aan de overdracht aan OVAM bezorgd. Het was slechts nadat uit het bodemonderzoek werd vastgesteld dat de bodem verontreinigd was, dat de sanering diende te worden uitgevoerd en dat de uiteindelijke definitieve kostprijs voor de sanering door OVAM werd bepaald op 322.261,58 euro (13.000.000 BEF). De heffingsgrondslag dient verminderd te worden met 210.709,50 euro". Grieven
- Eerste onderdeel In de motivering van het arrest wordt met geen enkele reden de toepassing van artikel 16 Wb. Reg. verantwoord. Na een samenvatting van de stelling van de verweerders en na aanhaling van de tekst van artikel 16 Wb. Reg., wordt enkel melding gemaakt van de verplichtingen van de kopers jegens OVAM, die geen partij was in het contract van 22 december
- Het arrest bevat geen enkele reden waaruit zou afgeleid worden dat de vaststelling van saneringskosten op een lager bedrag dan in de akte vastgesteld, de rechtsverhouding tussen de kopers en de verkoopster zou beïnvloeden. In eisers beroepsconclusie werd opgeworpen : "een opschortende voorwaarde is een toekomstige en onzekere gebeurtenis waarvan het ontstaan van de overeenkomst afhankelijk wordt gesteld. Ter zake voldoet de door de koper op zich genomen verplichting niet aan deze vereisten ...". "(Het) betreft hier geen opschortende voorwaarde waarvan de tot standkoming van de overeenkomst afhankelijk wordt gesteld ...". (cfr. beroepsbesluiten van eiser, blz. 6). In het arrest wordt noch met de boven aangehaalde overwegingen, noch met enige andere, op dit verweer geantwoord. Het arrest is derhalve, wat de bestreden beschikking betreft, niet gemotiveerd, en schendt bijgevolg artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.
- Tweede onderdeel De voorwaarde is een modaliteit van de overeenkomst tussen de partijen. Van haar kan afhangen of de tussen partijen bedongen prestatie al dan niet verschuldigd is. Een omstandigheid die niets verandert aan de onderlinge prestaties van de partijen maar die een schuld van een der partijen tegenover een derde beïnvloedt, is geen voorwaarde in de zin van de artikelen 1168 en 1181 van het Burgerlijk Wetboek. Kenmerkend voor de opschortende voorwaarde in een overeenkomst is dat de verbintenis van een der partijen tegenover de andere, of een deel ervan, in het onzekere blijft. In het geval van een verkoop onder opschortende voorwaarde blijven aldus de verplichting tot betaling van de prijs, die de koper aan de verkoper moet betalen, en de verplichting tot levering van het goed, tot de vervulling van de voorwaarde uitgesteld. Volgens de uitspraak van het arrest is de overeenkomst onder opschortende voorwaarde gesloten. Evenwel wordt niet vastgesteld dat, indien de voorwaarde vervuld wordt, daardoor de verplichting van de koper jegens de verkoopster enige wijziging zou ondergaan. Uit de in het arrest vastgestelde feiten blijkt niet dat de uitvoering van de tussen de partijen gesloten verkoop van het beschreven onroerend goed verbonden zou zijn aan een toekomstig en onzeker feit, waardoor de levering van het goed of de betaling van de prijs, volledig of voor een deel, van een latere gebeurtenis afhankelijk blijft. De overdracht van eigendom is onmiddellijk voltrokken en de verkoper ontvangt zonder uitstel hetgeen hem verschuldigd is. Het in de overeenkomst opgenomen beding vertoont dus niet de kenmerken van een opschortende voorwaarde. De overeenkomst, zoals zij door de bodemrechter wordt beschreven, draagt aan de koper de eigendom over van een onroerend goed, zonder enige bepaling die een wijziging zou brengen aan de verbintenissen tussen de koper aan de verkoper. Wel blijft op de koper een last opgelegd tegenover derden, waarvan de prijs nog niet gekend is. Deze modaliteit kan eventueel van de verbintenis een kanscontract maken ; zij vertoont niet de kenmerken van een voorwaarde, zoals omschreven in de artikelen 1168 van het Burgerlijk Wetboek en 16 Wb. Reg. Het arrest miskent ook de toepassing van de wetgeving inzake het registratierecht, zoals de heffing van het recht is voorgeschreven voor een onder opschortende voorwaarde gesloten overeenkomst. Volgens deze voorschriften moet immers, bij het sluiten van de overeenkomst, het algemeen vast recht op het voorwaardelijk beding geheven worden, waarna het volledig recht verschuldigd is bij de vervulling van de voorwaarde. Uit het arrest blijkt dat deze gang van zaken niet werd gevolgd, en het arrest bevat geen woord om dit toe te lichten. Besluit Uit de door de bodemrechter vastgestelde feiten kan niet in rechte het bestaan van een verkoop onder opschortende voorwaarde afgeleid worden. Door te beslissen dat de verkoop onder opschortende voorwaarde werd gesloten, schendt het arrest bijgevolg de artikelen 1168 en 1181 van het Burgerlijk Wetboek, en het artikel 16, Wb. Reg. waardoor ook de door de artikelen 44 en 45 Wb. Reg. voorgeschreven heffing niet nageleefd wordt (schending van deze artikelen). IV. Beslissing van het Hof
- Tweede onderdeel Overwegende dat, krachtens 1168 van het Burgerlijk Wetboek, een verbintenis voorwaardelijk is wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis ; Dat een verbintenis onder een opschortende voorwaarde is aangegaan als zij afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad maar aan partijen nog onbekend is ; Dat de nakoming of de niet-nakoming van een van de verbintenissen waartoe partijen zich hebben verbonden, niet kan worden beschouwd als een opschortende voorwaarde ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat de sanering een van de tegenprestaties is die, naast de prijs, vereist is voor de verwerving van het goed ; dat die tegenprestatie een bij de prijs te voegen last is waarop ook het registratierecht verschuldigd is ; Dat uit dit oordeel volgt dat die verplichting geen opschortende voorwaarde kan zijn ; Overwegende dat het arrest verder oordeelt : "het was slechts nadat uit het bodemonderzoek werd vastgesteld dat de bodem verontreinigd was, dat de sanering diende te worden uitgevoerd en dat de uiteindelijke definitieve kostprijs voor de sanering door OVAM werd bepaald" ; dat derhalve, volgens het arrest, de verplichting tot sanering een opschortende voorwaarde is ; Dat het arrest aldus zijn beslissing niet naar recht verantwoordt ; Dat het onderdeel gegrond is ;
- Incidentele eis van verweersters Overwegende dat verweersters in hun memorie van antwoord vragen om het bestreden arrest te vernietigen in zoverre het van oordeel is dat de saneringslast zoals opgelegd door het bodemsaneringsdecreet dient te worden opgenomen in de belastbare basis voor de heffing van de registratierechten in de zin van de artikelen 44 en 45 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten ; Overwegende dat het Hof, krachtens artikel 1095 van het Gerechtelijk Wetboek, alleen kennis kan nemen van de punten van de beslissing die in het inleidende verzoekschrift zijn aangegeven ; Dat een incidentele eis van verweersters die ertoe strekt een grotere draagwijdte te geven aan het cassatieberoep, niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het beslist dat de heffingsgrondslag van het bestreden registratierecht dient verminderd te worden met 210.709,50 euro en uitspraak doet over de kosten ; Verwerpt de incidentele eis van verweersters ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van acht september tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050908.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040205.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div