id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050912.6 Rolnummer: S.05.0006.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Overige Invoerdatum: 2006-09-19 Raadplegingen: 584 - laatst gezien 2026-07-04 15:51 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer aan de voorwaarden van de artikelen 28, ,§ 2 van de wet van 27 juni 1969 en 55, ,§ 1 van het K.B. van 28 november 1969 is voldaan, verbieden deze bepalingen de R.S.Z. niet de bijdrageopslag en verwijlsinterest te vorderen, maar laten hem alleen de mogelijkheid deze niet te vorderen; het behoort niet tot de bevoegdheid van de rechter aan de R.S.Z. een dergelijke afstand op te leggen
(1).
(1)Cass., 19 dec. 1973, A.C. 1974, p. 453. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Werkgever Bijdrageopslag en verwijlensinterest R.S.Z. Verlenen van vrijstelling Draagwijdte Bevoegdheid van de rechtbank Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.580,1° Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociaal procesrecht (bijzondere regels) Vrije woorden: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociaal procesrecht (bijzondere regels) Vordering van R.S.Z. Betaling van bijdrageopslag en verwijlsinterest Arbeidsrechtbank Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.580,1° Tekst van de beslissing Nr. S.05.0006.N.- VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vice-Minister-President van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming, wiens kantoren gevestigd zijn te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 15, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 januari 2004 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 23, inzonderheid ,§2, en 28 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ; paragraaf 2 van voornoemd artikel 23 zoals gewijzigd bij wet van 6 juli 1989 en artikel 28 zoals van kracht vóór zijn wijziging bij wet van 25 januari 1999 ; - de artikelen 34, inzonderheid het eerste en het voorheen derde (thans vijfde) lid, 54, eerste lid, en 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, artikel 34 in zijn versie vóór de invoering van een (nieuw) derde lid bij koninklijk besluit van 24 september 1992, artikel 54, eerste lid, zoals van kracht op 30 april 1991, dat wil zeggen zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 15 juni 1970, bij koninklijk besluit van 12 augustus 1985 en bij koninklijk besluit van 11 september 1986 en artikel 55 zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 5 november 1971 en bij koninklijk besluit van 23 januari 1974 en vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 1 juli 1999 ; - artikel 1, eerste lid, 1°, van het reglement van 22 februari 1974 genomen in toepassing van artikel 55, ,§1, gewijzigd bij koninklijk besluit van 23 januari 1974, en van artikel 61 van het koninklijk besluit van 18 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 9 mei 1974 ; - de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. - de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het voorzichtigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel ; - voor zoveel als nodig, artikel 580, enig lid, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek ; - voor zoveel als nodig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Bestreden beslissing Het arbeidshof verklaart in het thans bestreden arrest eiseres' hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter. De achtste kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel had in het vonnis van 24 januari 2003, na voeging der vorderingen, eiseres veroordeeld tot betaling aan verweerster van 1.750.926,90 euro en 3.633.569,32 euro, te vermeerderen met de wettelijke verwijlintresten vanaf 1 november 1991, en tot de kosten. Het arbeidshof veroordeelt eiseres ook tot de kosten in hoger beroep. Na te hebben vastgesteld dat met dagvaardingen van 14 april 1992 verweerder bijdrageopslagen en intresten vorderde wegens laattijdige betaling van de sociale zekerheidsbijdragen voor het eerste kwartaal van 1991, verhoogd met de wettelijke verwijlintresten, grondt het arbeidshof zijn beslissing onder meer op volgende motieven (arrest pp. 3, in fine en 4) : "(Eiseres) heeft tot op heden geen verzoek tot vrijstelling of vermindering van voormelde bijdrageopslagen en intresten ingediend. Artikel 28, ,§ 1, van de wet van 27 juni 1969 bepaalt dat de werkgever die de bijdragen niet binnen de door de Koning vastgestelde termijnen stort, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een bijdrageopslag en een verwijlintrest verschuldigd is, waarvan het bedrag en de voorwaarden van toepassing bij koninklijk besluit worden vastgesteld. Artikel 28, ,§ 2, van voormelde wet bepaalt verder dat de Koning ook de voorwaarden bepaalt waaronder de RSZ de werkgever vrijstelling mag verlenen van de vaste vergoeding, de bijdrageopslag en de verwijlintresten. De RSZ is wettelijk verplicht de betaling te vorderen van de bijdrageopslag en de verwijlintresten die verschuldigd zijn als de verschuldigde bijdragen niet regelmatig betaald zijn. Hij kan er slechts in de bij artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 bepaalde gevallen van afzien en het komt de rechter niet toe de afstand ervan op te dringen, zelfs niet als hij van mening is dat er overmacht bestaat (...). Artikel 55, ,§ 1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 bepaalt dat de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid, onder de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité, en goedgekeurd door de Minister van Sociale Voorzorg, mag afzien van de toepassing van de bijdrageopslagen en de verwijlintresten. Het beheerscomité van de RSZ heeft de discretionaire bevoegdheid onder bepaalde voorwaarden gehele of gedeeltelijke vrijstelling van deze opslagen en intresten te verlenen en zolang (eiseres) daartoe geen aanvraag heeft ingediend, kan er hieromtrent geen beslissing worden genomen (...). De betwisting i.v.m. vrijstelling of vermindering van bijdrageopslagen en intresten betreft trouwens geen geschil als bedoeld in artikel 580 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek en valt dus buiten de bevoegdheid van de arbeidsgerechten. Het vonnis a quo dient te worden bevestigd". Grieven Overeenkomstig artikel 23, inzonderheid ,§ 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders moeten de sociale zekerheids-bijdragen (bijdragen van de werknemer en werkgeversbijdragen) binnen de door de Koning vastgestelde termijnen, dit is in beginsel om de drie maanden, aan de RSZ worden overgemaakt. Artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt in zijn eerste lid dat de bijdragen verschuldigd zijn op 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december van elk jaar. Luidens het voorheen derde (en thans vijfde) lid van dit artikel 34, zoals van toepassing in zijn versie vóór de invoering van een nieuw derde lid bij koninklijk besluit van 24 september 1992, dienen de bijdragen die voor het verstreken kwartaal verschuldigd zijn (of het saldo ervan, wanneer overeenkomstig artikel 34, tweede lid, voorschotten werden betaald) door de werkgever te worden betaald uiterlijk de laatste dag van de maand na dit kwartaal. Luidens artikel 28, ,§ 1, eerste lid, van de genoemde wet van 27 juni 1969 is de werkgever die de bijdragen niet binnen de door de Koning vastgestelde termijnen stort, aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid een bijdrageopslag en een verwijlintrest verschuldigd, waarvan het bedrag en de voorwaarden van toepassing, bij koninklijk besluit worden vastgesteld. Artikel 54, eerste lid, van het genoemde koninklijk besluit van 28 november 1969, zoals van kracht op 30 april 1991, dat wil zeggen zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 15 juni 1970, bij koninklijk besluit van 12 augustus 1985 en bij koninklijk besluit van 11 september 1986, bepaalt de bijdrageopslag op 10 pct. van het verschuldigde bedrag aan sociale zekerheidsbijdragen en de verwijlintrest op 8 pct. per jaar. Artikel 55 van ditzelfde koninklijk besluit bepaalt in zijn eerste paragraaf, zoals vervangen bij koninklijk besluit van 23 januari 1974, eerste lid, dat de Rijksdienst voor sociale zekerheid "onder de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité, en goedgekeurd door de minister van Sociale Voorzorg, (mag) afzien van de toepassing van de b"jdrageopslagen en de verwijlintresten, bedoeld bij artikel 54, eerste lid, wanneer de bijdragen betaald werden vóór het einde van het kwartaal volgend op de dag waarop zij betrekking hebben". Het reglement van 22 februari 1974 genomen in toepassing van artikel 55, ,§ 1, gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 januari 1974, en van artikel 61 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (Belgisch Staatsblad 9 mei 1974) bepaalt in artikel 1, eerste lid, 1°, dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de bepalingen van artikel 54 van het voornoemd koninklijk besluit van 28 november 1969 niet mag toepassen wanneer de bijdragen betaald werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop zij betrekking hebben, op voorwaarde dat de werkgever zijn bijdragen niet gewoonlijk buiten de termijnen vastgesteld bij de artikelen 34, 35bis, eerste lid en 41, ,§ 1, derde lid, van het genoemde koninklijk besluit van 28 november 1969 betaald heeft en dat het niet-betalen binnen de vastgestelde termijn der bedoelde bijdragen de regelmatige financiering van de sociale zekerheidsregeling niet schaadt. Luidens het derde lid van de eerste paragraaf van genoemd artikel 55 mag de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid afzien van de burgerlijke sancties bedoeld bij de voorgaande leden, wanneer de werkgever aantoont dat hij wegens behoorlijk bewezen overmacht, onmogelijk zijn verplichtingen heeft kunnen nakomen binnen de gestelde termijn. De bijdrageopslagen en de vaste vergoeding kunnen door de Rijksdienst voor sociale zekerheid onder bepaalde voorwaarden gedeeltelijk worden verminderd wanneer de werkgever bewijst dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven (paragraaf 2 van deze bepaling, ter uitvoering van artikel 28, ,§ 2, van de genoemde wet van 27 juni 1969) of geheel worden opgeheven wanneer de werkgever schuldeiser is van de overheid of een openbare instelling, dan wel er dwingende billijkheidsredenen of dringende redenen van nationaal of gewestelijke economisch belang voorliggen (paragraaf 3 van deze bepaling, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 5 november 1971, ter uitvoering van artikel 28, ,§ 2, van de genoemde wet van 27 juni 1969). Hieruit volgt
(1)dat alleszins bijdrageopslagen en intresten zullen verschuldigd zijn wanneer de verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen niet werden betaald vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop zij betrekking hebben,
(2)dat, wanneer de verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen wél werden betaald vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop zij betrekking hebben, de RSZ mag beslissen, wanneer kan gesteld worden dat de werkgever zijn bijdragen niet gewoonlijk buiten de wettelijke termijnen betaalt en wanneer de niet-betaling binnen de vastgestelde termijn de regelmatige financiering van de sociale zekerheidsbijdragen niet schaadt, af te zien van de toepassing van de bijdrageopslagen en de verwijlintresten, en derhalve mag besluiten de bepalingen van genoemd artikel 54 niet toe te passen, en
(3)dat in alle gevallen dat de sociale zekerheidsbijdragen niet tijdig werden betaald en de RSZ deze bijdragen, tezamen met de opslagen en intresten (en eventueel met de vaste vergoeding) opvordert, de schuldenaar kan verzoeken om welbepaalde, in genoemd artikel 55, ,§,§ 2 en 3 nader omschreven redenen, af te zien van de gehele of gedeeltelijke vordering van de bijdrageopslagen en intresten (en van de vaste vergoeding), waarna (het beheerscomité van) de RSZ zal moeten oordelen of op dit verzoek kan worden ingegaan. Aldus is alleen in de hiervorengenoemde eerste hypothese sprake van een "verplichting" de bijdrageopslagen en intresten te vorderen, nu de RSZ in genoemd geval geen andere keuze heeft, onverminderd de mogelijkheid voor de nalatige werkgever om een verzoek in te dienen om geheel of gedeeltelijk te worden vrijgesteld van de opslagen, intresten en eventueel de vaste vergoeding. In de hiervorengenoemde tweede hypothese kan de RSZ beslissen, zonder dat dienaangaande een verzoek van de belanghebbende werkgever is vereist, geen bijdrageopslagen en intresten te vorderen voor zover hij oordeelt dat de schuldenaar niet kan geacht worden een werkgever te zijn die zijn bijdragen gewoonlijk buiten de wettelijke termijn betaalt en voor zover de niet-betaling van deze bijdragen de regelmatige financiering van de sociale zekerheidsregeling niet schaadt. Wanneer derhalve de sociale zekerheidsbijdragen werden betaald vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop zij betrekking hebben en de RSZ gaat niettemin over tot opvordering van bijdrageopslagen en intresten, dan oordeelt de RSZ klaarblijkelijk dat de werkgever zijn bijdragen gewoonlijk buiten de wettelijke termijn betaalt en/of dat de niet-betaling der bijdragen de financiering van de sociale zekerheidsregeling schaadt. Eiseres voerde in haar syntheseconclusie aan dat de sociale zekerheidsbijdragen voor het eerste kwartaal van 1991, die in beginsel dienden te worden betaald ten laatste op 30 april 1991, zijnde de laatste dag van de maand volgend op het kwartaal waarop zij betrekking hadden, in werkelijkheid werden betaald op 14 mei 1991, zijnde, volgens eiseres 9 dagen te laat (syntheseconclusie p. 1) en volgens verweerder 15 dagen te laat (beroeps-besluiten p. 2, voorlaatste alinea), doch alleszins vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop zij betrekking hebben, zoals vereist door artikel 55 van het genoemde koninklijk besluit van 28 november 1969. De RSZ diende bijgevolg, alvorens de bijdragen met opslagen en intresten op te vorderen, te oordelen of eiseres een werkgever was die gewoonlijk zijn bijdragen buiten de wettelijke termijn betaalde en of de niet-betaling van deze bijdragen de regelmatige financiering van de sociale zekerheidsregeling niet schaadde. Eiseres stelde in dat verband terecht (syntheseconclusie p. 4, "Ten gronde", nr. 1) dat "door (verweerder) ambts-halve (kan) worden afgezien van het aanrekenen van geldelijke sancties in geval de verschuldigde bijdragen betaald worden voor het einde van het kwartaal volgend op dat waarvoor zij verschuldigd zijn (dit is effectief ook gebeurd) en de werkgever de bijdragen voor de vroegere kwartalen gewoonlijk binnen de wettelijke termijnen heeft betaald" en preciseerde dat van eiseres "(mocht) worden aangenomen dat (zij) voorzeker gewoonlijk (..) binnen de wettelijke termijnen heeft betaald zodat (verweerder) onterecht (zijn) aanspraken laat gelden". (conclusie p. 5, bovenaan) De afweging van één en ander diende, zoals door eiseres voorgehouden in haar syntheseconclusie (p. 2 e.v.), te geschieden met in achtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het voorzichtigheidsbeginsel of zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het redelijkheids-beginsel, en onder naleving van de verplichting tot motivering van de bestuurs-handeling. Eiseres voerde in dat verband onder meer aan dat "De Rijksdienst als openbare instelling dezelfde algemene rechtsbeginselen en regelen van behoorlijk bestuur (heeft) te respecteren als om het even welke andere overheid (..)" (p. 2, nr. 1, laatste alinea), dat "de beleids- of beoordelingsruimte die de wetgever het bestuur laat, haar niet van de algemene plicht van voorzichtigheid en voorzorg (ontslaat) (...)" (p. 2, nr. 2, eerste alinea), dat "in casu (...) niet zozeer de weigering tot vermindering of vrijstelling van bijdrageopslagen en intresten aan de kaak (wordt) gesteld da(
- n)wel de initiële (basis) beslissing tot opleggen van deze opslagen en intresten én de wijze waarop deze tot stand kwam gemeten aan de keuzemogelijkheden onder meer principe van billijkheid ; principe van 'gewoonlijke' betaling (...) - die de (verweerder) desbetreffend bezat". (p. 3, tweede alinea) Eiseres preciseerde dat "een zorgvuldige voorbereiding van een beslissing vereist dat de bevoegde overheid de nodige kennis verwerft over alle relevante (feitelijke) gegevens, dit zijn alle gegevens die de beslissing kunnen beïnvloeden. Deze feiten moeten zorgvuldig worden vastgesteld en gewaardeerd. De overheid mag niet zonder meer weigeren ernstig kennis te nemen van en rekening te houden met de gegevens, inlichtingen en bewijzen die de belanghebbende haar heeft verstrekt of zou hebben kunnen verstrekken mocht het bestuur daartoe de mogelijkheid en de nodige tijd hebben geboden. Op de overheid, in casu (verweerder), rust een actieve onderzoeksplicht. (...)". (p. 3, nr. 1) En nog : "Een zorgvuldige besluitvorming houdt in dat de Administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle terzake dienende gegevens en belangen beslist. (...)". (vanaf p. 3, nr. 2) En voorts : "Zo de toepasselijke rechtsregels geen welbepaalde overheidsbeslissing of -gedrag voorschrijven dan beschikt, zoals in casu, de bevoegde overheid over een beoordelingsvrijheid. Dan moet het gedrag van de overheid worden getoetst aan dat van een normaal, voorzichtige overheid, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden". (p. 3, nr. 3) En vervolgens : "Als toetsingscriterium en rechtsbeginsel kan het redelijkheidsbeginsel (evenredigheidsbeginsel) slechts worden aangewend wanneer de overheid over beoordelingsbevoegdheid beschikt, als in voorliggend geschil. (...)". (p. 4, n r. 4) Eiseres besloot dat "een eerder 'automatische beslissing' voorligt, waarbij de (verweerder) bewust niet de verschillende mogelijkheden heeft onderzocht. Zulk een beslissing is in strijd met het zorgvuldigheids-, motiverings- en redelijkheidsbeginsel. (...)". (p. 4, nr. 5) Luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten de bestuurshandelingen, dit zijn, luidens artikel 1 van de wet, de eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Aldus moet, luidens artikel 3 van de wet, de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moeten zij afdoende zijn. Bijgevolg moest de beslissing van verweerder om bijdrageopslagen en intresten op te leggen, die slechts kon worden genomen na het beoordelen van feitelijke elementen (zoals de datum waarop de bijdragen in werkelijkheid betaald werden, het eventueel bestaan van betalingsonregelmatigheden in het verleden, ...) en het toepassen van juridische begrippen (het "gewoonlijk" buiten termijn betalen van de bijdragen, het "schaden van de regelmatige financiering van de sociale zekerheid"), voldoen aan de beginselen van behoorlijk bestuur en regelmatig gemotiveerd worden. Het arbeidshof kon zich dienvolgens niet beperken tot een verwijzing naar een "betalingsverplichting" inzake bijdrageopslagen en intresten, zonder hierbij na te gaan of de genoemde algemene rechtsbeginselen en de motiveringsverplichting werden nageleefd. Evenmin zou kunnen gesteld worden dat het arbeidshof zou geoordeeld hebben dat dit geen geschil betreft als bedoeld in artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek, waardoor het buiten de bevoegdheid van de arbeidsgerechten zou vallen. Vooreerst heeft de overweging van het arbeidshof in dat verband (arrest p. 4, voorlaatste alinea van de motivering) betrekking op de vrijstelling of vermindering van bijdrageopslagen en intresten op grond van artikel 55, ,§,§ 2 en 3 van het genoemde koninklijk besluit van 28 november 1969 en niet op het afzien van de toepassing van de bijdrageopslagen en intresten zoals bedoeld in artikel 55, ,§ 1, van dit koninklijk besluit. Bovendien zijn de arbeidsgerechten luidens artikel 580, enig lid, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd kennis te nemen van de geschillen betreffende de verplichtingen van de werkgevers en van de personen die met hen hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de betaling van de bijdragen opgelegd door de wetgeving inzake, onder meer, sociale zekerheid, zodat de betwisting of bijdrageopslagen en intresten moeten worden opgelegd, tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoort. Waar verweerder betaling van de bijdrageopslagen en intresten vorderde voor de arbeidsgerechten, kon eiseres, zoals door haar in conclusie aangevoerd (syntheseconclusie pp. 2 e.v.), voor dezelfde arbeidsgerechten wijzen op het voorhanden zijn van foutieve nalatigheid (in de zin van artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek) in hoofde van verweerder, waardoor het recht op het vorderen van deze bijdrageopslagen en intresten verviel. Nu het arbeidshof, mede door bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, eiseres veroordeelt tot betaling van de bijdrageopslagen en intresten, verhoogd met verwijlintresten, omdat de RSZ wettelijk verplicht was deze bijdrageopslagen en intresten te vorderen, en het arbeidshof aldus aanneemt dat de RSZ deze bijdrageopslagen en intresten ongemotiveerd en zonder enige afweging kan opvorderen, schendt het arbeidshof alle in de aanhef vermelde wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, wanneer de verschuldigde socialezekerheids-bijdragen niet regelmatig betaald worden, de werkgever, krachtens artikel 28,,§1, van de RSZ.-wet van 27 juni 1969, een bijdrageopslag en verwijlinterest verschuldigd is ; Dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wettelijk verplicht is de betaling ervan te vorderen en daarvan, krachtens paragraaf 2 van dit artikel, slechts kan afzien in de gevallen bepaald in artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 ; Overwegende dat, krachtens artikel 55, ,§ 1, van dit koninklijk besluit en artikel 1, 1°, van het reglement van 22 februari 1974, genomen in toepassing van voormeld artikel en van artikel 61 van het koninklijk besluit van 28 november 1969, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de bepalingen van artikel 54 van dit koninklijk besluit vermag niet toe te passen wanneer de bijdragen betaald werden voor het einde van het kwartaal volgend op dat waarop zij betrekking hebben, op voorwaarde dat de werkgever zijn bijdragen niet gewoonlijk buiten de termijnen vastgesteld bij de artikelen 34, 35bis, eerste lid, en 41, ,§ 1, derde lid, van dit koninklijk besluit betaald heeft en dat het niet-betalen binnen de vastgestelde termijn van de voor het bedoeld kwartaal aangegeven bijdragen de regelmatige financiering van de sociale zekerheidsregeling niet schaadt ; Dat, wanneer aan die voorwaarden is voldaan, deze bepalingen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet verbieden de bijdrageopslag en de verwijlinterest te vorderen, maar hem alleen de mogelijkheid laten deze niet te vorderen ; Overwegende dat het niet tot de bevoegdheid van de rechter behoort aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een dergelijke afstand op te leggen ; Overwegende dat de bevoegdheid door artikel 580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek aan de arbeidsrechtbank verleend om kennis te nemen van een geschil betreffende de werkgeversverplichting, opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid, waarbij de werkgever bijdrageopslagen en verwijlinterest rechtstreeks krachtens de wet verschuldigd is en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de betaling ervan vordert, niet de beoordeling inhoudt van de discretionaire beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de bijdrageopslagen en de verwijlinterest al dan niet op te vorderen ; Dat het middel faalt naar recht ; OM DIE REDENEN, HET HOF Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van honderd vierenveertig euro zevenennegentig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeëndertig euro zevenenveertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van twaalf september tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050912.6 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070214.14 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110530.2 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140110.3 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241209.3F.1 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260508.1F.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div