id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050912.7 Rolnummer: S.02.0102.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-19 Raadplegingen: 177 - laatst gezien 2026-07-03 11:33 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het koninklijk besluit van 27 juni 1974 is van toepassing op het ambt van godsdienstleraar in het gesubsidieerd secondair onderwijs lagere graad; artikel 11, ,§ 1, Besl. Vl. Reg. 26 sept. 1990 wijzigt niet de weddeschaal die de leermeesters godsdienst en godsdienstleraars overeenkomstig de vóór 1 september geldende reglementering mochten genieten, tenzij zij over een bekwaamheidsbewijs beschikken dat recht geeft op een hogere weddeschaal. Thesaurus CAS: ONDERWIJS Vrije woorden: ONDERWIJS Gesubsidieerd secondair onderwijs lagere graad Godsdienstleraar Bekwaamheidsbewijzen Weddetoelagen K.B. 27 juni 1974 Besl. Vl. Reg. 26 sept. 1990 Toepassing Tekst van de beslissing Nr. S.02.0102.N.- VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming, met kantoren te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 15, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1083 Brussel, de Villegaslaan 33-34, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- V.A.,
- DIOCESANE INSTITUTEN REGIO DIEST, vereniging zonder winst-oogmerk, met zetel te 3290 Diest, Mariëndaalstraat 44, verweerders. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 februari 2002 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 29 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving (titel van de wet en artikel 29 zelf, gewijzigd bij wet van 11 juli 1973) ; - de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho?medisch?sociale centra van de Staat (Belgisch Staatsblad 9 januari 1975, 243 e.v.) ; - artikel 11, ,§1, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldi-gingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars (zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering, toen executieve, van 19 december 1991) ; - voor zoveel als nodig : de artikelen 25 (gewijzigd bij koninklijk besluit nr. 413 van 29 april 1986), 26 (gewijzigd bij decreet van de Vlaamse Raad van 31 juli 1990), 27 (gewijzigd bij decreet van de Vlaamse Raad van 5 juli 1989 en 31 juli 1990, en bij wet van 1 augustus 1985) en 28 (gewijzigd bij decreet van de Vlaamse Raad van 5 juli 1989, 31 juli 1990 en 27 maart 1991 en bij wet van 11 juli 1973) van genoemde wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Aangevochten beslissing Het arbeidshof bevestigde in zijn arrest van 12 februari 2002 de beslissing van de eerste rechter, met dien verstande dat de veroordeling alleen geldt ten aanzien van eiseres (arrest p. 4, dispositief). De eerste kamer B van de Arbeidsrechtbank te Leuven had bij vonnis van 21 januari eiseres (en verweerster in solidum) veroordeeld om aan verweerder de wedde overeenkomstig barema 518 toe te kennen en te regulariseren vanaf december
- Het arbeidshof steunt zijn beslissing op volgende motieven : "(Eiseres) verzoekt om toepassing van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 dat de bekwaamheidsattesten verbonden aan het ambt van godsdienstleraar vastlegt evenals van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 dat de weddeschalen verbonden aan de bekwaamheidsattesten bepaalt, uit welke bepalingen zij afleidt dat (verweerder) niet kan genieten van de weddenschaal 518 die hem foutief zou zijn toegekend ; Echter dient te worden vastgesteld dat artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 juni 1974, dat bepaalt op wie dit koninklijk besluit toepasselijk is, handelt over de ambten van het gesubsidieerd lager onderwijs en dat hieruit zelfs zou kunnen worden afgeleid dat alleen sprake zou kunnen zijn van de leden van de inspectiediensten van het gesubsidieerd lager onderwijs, zodat de stelling van (verweerder), met name dat dit koninklijk besluit van 27 juni 1974 niet uitdrukkelijk van toepassing werd gemaakt op het gesubsidieerd secundair onderwijs, moet worden bijgetreden, en het zodoende partijen vrij stond de weddeschaal 518 op (verweerder) toe te passen ; De terugvordering door (eiseres) van het verschil in wedde tussen weddeschaal 518 en deze van 301 heeft zodoende geen wettelijke basis en is bijgevolg ongegrond ; De vordering van (verweerder) in betaling vanaf december 1995 van de wedde berekend volgens barema 518 is daarentegen gegrond op basis van artikel 11, ,§1, van het Besluit van 26 september 1990 van de Vlaamse Regering betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars ; Immers bepaalt dit artikel dat de personeelsleden de weddeschalen blijven genieten die vóór 1 september 1990 moesten verleend worden" (arrest pp. 2?3). Grieven
- Er werd niet betwist dat verweerder het ambt van godsdienstleraar uitoefende in het lager secundair onderwijs en dat hij daartoe in het bezit was van het vereiste bekwaamheidsattest, zoals vereist door het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst? en normaalonderwijs van de Staat (Belgisch Staatsblad, 12 januari 1972, 334).
- Eiseres voerde aan dat de weddeschalen die ten aanzien van verweerder dienden te worden in acht genomen, opgenomen zijn in het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho?medisch?sociale centra van de Staat (Belgisch Staatsblad, 9 januari 1975, 243 e.v.). Eiseres stelde in dat verband : "De weddeschalen, verbonden aan bovenvermelde bekwaamheids-attesten zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 27 juni
- Het diploma van licentiaat valt voor het lager secundair onderwijs onder punt b) van artikel 2, hoofdstuk C, hetgeen overeenstemt met weddeschaal 216 (stuk nr. 1). Weddeschaal 216, code rekencentrum (zijnde de technische benaming voor de weddeschaal) stemt overeen met de weddeschaal 301 hetgeen ook duidelijk blijkt uit de conversietabel (stuk nr. 2)". (conclusie na heropening der debatten in graad van beroep, p. 4, derde laatste alinea).
- Overeenkomstig artikel 1 van dit koninklijk besluit van 27 juni 1974 wordt de schaal aangeduid door het nummer dat in de bij dit besluit gevoegde tabel boven de schaal is geplaatst. Artikel 2 van dit koninklijk besluit stelt : "De schaal verbonden aan elk van de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel van de rijksonderwijsinrichtingen, van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen, van de leden van de inspectiedienst van het gesubsidieerd lager onderwijs en aan elk van de graden van het personeel van de psycho?medisch?sociale centra van de Staat, wordt vastgesteld als volgt : (...) Hoofdstuk C : bestuurs? en onderwijzend personeel van het secundair onderwijs (lagere graad), Godsdienstleraar :
- In de lagere graad van de koninklijke athenea en lycea : b) houder van een ander vereist bekwaamheidsbewijs dan de onder a en c bedoelde bekwaamheidsbewijzen .................................... 216 Uit deze bepaling kan geenszins afgeleid worden dat bedoelde regeling slechts toepasselijk zou zijn op de ambten van het (gesubsidieerd) lager onderwijs ; artikel 2 stelt immers de schalen vast verbonden aan de ambten - van de leden van het bestuurs? en onderwijzend personeel, - van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel van de rijksonderwijsinrichtingen, - van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen, - van de leden van de inspectiedienst van het gesubsidieerd lager onderwijs, - en aan elk van de graden van het personeel van de psycho?medisch?sociale centra van de Staat. De loutere vermelding "van de leden van de inspectiedienst van het gesubsidieerd lager onderwijs" (waarvan niet voorgehouden werd dat verweerder hieronder ressorteerde), houdt geenszins in
(1)dat alleen de leden van de inspectiediensten zouden zijn bedoeld of
(2)dat ook alle andere in dit artikel opgesomde categorieën dienen beperkt te worden tot het lager onderwijs. Dit wordt overigens uitdrukkelijk tegengesproken door de vermelding, in de onderscheiden categorieën, van leerkrachten in athenea en lycea.
- Zoals door eiseres in haar 'conclusie na heropening der debatten in graad van beroep' werd aangevoerd (p. 5), zijn de bepalingen van het genoemde koninklijk besluit van 27 juni 1974 ook van toepassing op de personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs ingevolge artikel 29 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, dat, onder hoofdstuk VI "Toelagen", in zijn eerste lid bepaalt dat de weddetoelage waarop de gesubsidieerde onderwijsinrichtingen die aan de wettelijke voorwaarden voldoen aanspraak kunnen maken krachtens artikel 25 van dezelfde wet, gelijk is aan de met de verschillende vergoedingen verhoogde wedde waarop betrokkene overeenkomstig zijn bekwaamheids-bewijzen recht zou hebben indien hij tot het personeel van het Rijksonderwijs behoorde ; De toepasselijkheid van het genoemde koninklijk besluit van 27 juni 1974, ingevolge verwijzing door de zogenaamde Schoolpactwet, vindt overigens bevestiging in : - artikel 27 van dezelfde wet dat, in ,§1, in fine, bepaalt dat de te subsidiëren prestaties worden vastgelegd overeenkomstig de normen die voor hetzelfde onderwijsniveau en hetzelfde onderwijstype in het Rijksonderwijs gelden ; - artikel 28, ,§1, enig lid, 3°, van dezelfde wet dat bepaalt dat slechts toelagen voor de personeelsleden worden verstrekt voor zover die in het bezit zijn van de vereiste bevoegdheidsbewijzen of van wie de bevoegdheidsbewijzen voldoende worden geacht.
- Verweerder kon voor de bepaling van zijn wedde vanaf december 1995 evenmin beroep doen op de voorheen geldende toestand, op grond van artikel 11, ,§1, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigings-regeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars, luidens hetwelk de personeelsleden bedoeld in artikel 10, waaronder verweerder ressorteerde, de weddeschaal blijven genieten die hun op grond van de vóór 1 september 1990 geldende reglementering mocht verleend worden ( ... ). Aldus werd aan de betreffende leerkrachten geen verworven recht toegekend ten aanzien van wat zij vóór 1 september 1990 als wedde zouden hebben genoten, doch wél ten aanzien van wat zij vóór 1 september 1990 mochten genieten, dat wil zeggen in toepassing van de terzake toenmalig geldende regels.
- Het arbeidshof vermocht derhalve niet wettig te oordelen dat de bepalingen inzake weddeschalen, opgenomen in het genoemde koninklijk besluit van 27 juni 1974 niet van toepassing waren op verweerder hetzij omdat zij niet zouden gelden ten aanzien van de personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs, hetzij omdat zij alleen toepasselijk zouden zijn op de leden van de inspectiediensten, hetzij omdat zij slechts zouden gelden voor de personeelsleden van het lager onderwijs. Evenmin vermocht het arbeidshof de wedde vanaf december 1995 te bepalen op grond van wat verweerder in werkelijkheid had ontvangen in de aan 1 september 1990 voorafgaande periode. Het arbeidshof schendt dienvolgens alle in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen. IV. Beslissing van het Hof
- Middel Overwegende dat, krachtens artikel 29 van de wet van 29 mei 1959, zoals gewijzigd bij wet van 11 juli 1973 houdende wijziging van de wet van 29 mei 1959 betreffende het bewaarschoolonderwijs, het lager, middelbaar, normaal-, technisch-, kunst- en buitengewoon onderwijs, de weddetoelage gelijk is aan de met de verschillende vergoedingen verhoogde wedde waarop betrokkene, overeenkomstig zijn bekwaamheidsbewijzen recht zou hebben indien hij tot het personeel van het Rijksonderwijs behoorde ; Overwegende dat artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de onderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat, de schaal bepaalt verbonden aan, onder andere, het ambt van godsdienstleraar in het secundair onderwijs, lagere graad, van de koninklijke athenea en lycea ; Overwegende dat uit deze bepalingen volgt dat het koninklijk besluit van 27 juni 1974 ook van toepassing is op het ambt van godsdienstleraar in het gesubsidieerd secundair onderwijs, lagere graad ; Overwegende dat, krachtens artikel 11, ,§1, van het besluit van de Vlaamse Executieve van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheids-bewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars, de in artikel 10 bedoelde personeelsleden de weddeschaal blijven genieten die hun op grond van de vóór 1 september 1990 geldende reglementering mocht worden verleend, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover de personeelsleden beschikken recht geeft op een hogere weddeschaal ; Dat uit deze bepaling volgt dat de schaal, die de bedoelde leermeesters godsdienst en godsdienstleraars overeenkomstig de vóór 1 september 1990 geldende reglementering mochten genieten, niet wijzigt tenzij zij over een bekwaamheidsbewijs beschikken dat recht geeft op een hogere weddeschaal ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat het vermelde koninklijk besluit van 27 juni 1974 niet van toepassing is op het gesubsidieerd secundair onderwijs waar verweerder godsdienstleraar is en er zodoende tussen de partijen vrijheid bestond over de toe te passen weddeschaal ; dat het verder oordeelt dat, krachtens het vermelde besluit van de Vlaamse Executieve van 26 september 1990, de vordering van verweerder om vanaf december 1995 de voorheen door de partijen toegepaste hogere weddeschaal te genieten gegrond is ; Dat de beslissing niet naar recht is verantwoord ; Dat het middel gegrond is ;
- Omvang van de cassatie Overwegende dat verweerster bij tussenarrest van het Arbeidshof te Brussel van 17 november 2000, waartegen het cassatieberoep niet opkomt, buiten zake werd gesteld ; Dat bij het bestreden arrest van het Arbeidshof te Brussel van 12 februari 2002 niet eiseres, maar verweerder veroordeeld werd in de gerechtskosten van verweerster en dit arrest statueert dat "de veroordeling alleen geldt ten overstaan van eiseres" ; Dat het middel niet opkomt tegen die beslissing ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het geen veroordeling uitspreekt lastens verweerster ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Gent. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van twaalf september tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050912.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div