id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art.591
,1° Thesaurus CAS: VREDERECHTER Vrije woorden: VREDERECHTER Bevoegdheid Handelshuurovereenkomst Bedongen voorkooprecht Schending Geschillen Contractuele vordering Vordering op grond van derde-medeplichtigheid Bijzondere bevoegdheid Wettelijke bepalingen:
Art.591
,1° Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - HANDELSHUUR - Allerlei Vrije woorden: HUUR VAN GOEDEREN - HANDELSHUUR - Allerlei Handelshuurovereenkomst Bedongen voorkooprecht Schending Geschillen Contractuele vordering Vordering op grond van derde-medeplichtigheid Vrederechter Bijzondere bevoegdheid Wettelijke bepalingen:
Art.591,1° Tekst van de beslissing Nr.
C.03.0532.N.- REJAN, naamloze vennootschap, met zetel te 2393 Diest, Bredestraat 116, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BROUWERIJ HAACHT, naamloze vennootschap, met zetel te 3190 Boortmeerbeek, Provinciesteenweg 28, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. en in aanwezigheid van DABE, naamloze vennootschap, met zetel te 1800 Vilvoorde, Mechelsesteenweg 277, partij opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 mei 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 17 mei 2005 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Feiten en voorgaande rechtspleging De feiten kunnen blijkens het verzoekschrift als volgt worden samengevat :
- De inzet van het geschil tussen eiseres en verweerster betreft een handelspand gelegen op de Grote Markt te Diest. Verweerster heeft op 17 februari 1993 een handelshuurovereenkomst gesloten met de oorspronkelijke eigenares van het pand, de tot bindendverklaring opgeroepen partij, en heeft daarop het pand onderverhuurd aan mevrouw B. om daarin een horecazaak te laten uitbaten. In de handelshuurovereenkomst tussen verweerster en de tot bindendverklaring opgeroepen partij werd overeengekomen dat verweerster een recht van "voorkoop" zou genieten. In de overeenkomst werd tevens de toepasselijkheid bedongen van artikel 51 van de Pachtwet, waarin onder meer voorgeschreven wordt dat bij miskenning van het recht van voorkoop de pachter het recht heeft in de plaats te worden gesteld van de koper. Op 7 juli 1995 werd door eiseres bij notariële akte een kapitaalsverhoging doorgevoerd, waarop ingeschreven werd door de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. In het kader van deze kapitaalinbreng werd het bedoelde pand in natura ingebracht door laatstgenoemde in het vermogen van eiseres, in ruil waarvoor de tot bindendverklaring opgeroepen partij één aandeel verwierf. Verweerster nam aanstoot aan deze operatie omdat hierdoor eiseres de eigendom van het pand verkreeg, zonder dat verweerster haar recht van voorkoop had kunnen uitoefenen.
- Bij dagvaarding, betekend op 4 april 1996, werd eiseres - samen met de intussen faillietverklaarde tot bindendverklaring opgeroepen partij - gedaagd door verweerster om voor de Vrederechter te Diest te verschijnen. De vordering van verweerster beoogde de indeplaatsstelling van verweerster als eigenares van het kwestieuze pand en het horen bevelen van eiseres om de eigendom van het pand aan verweerster over te dragen tegen de prijs van de inbreng. Tevens vorderde verweerster de betaling van alle sommen boven de prijs van de inbreng - zijnde 126.425,70 euro - welke nodig zouden zijn om die eigendomsoverdracht te bewerkstelligen. Eiseres stelde een tegenvordering in, teneinde de handelshuur-overeenkomst van 17 februari 1993 ontbonden te horen verklaren, verweerster te horen veroordelen om het pand ter hare beschikking te stellen en haar voorbehoud te verlenen nopens de vergoeding wegens huurschade. Bij vonnis van 3 maart 1997 verklaarde de Vrederechter te Diest zich bevoegd om over de zaak ten gronde te oordelen, wees de tegenvordering af als ongegrond en verklaarde de hoofdvordering gegrond in de mate dat verweerster in de plaats werd gesteld als eigenares van het betreffende handelspand tegen betaling aan eiseres van de prijs van de inbreng - zijnde 126.425,70 euro - en de voor de akte van 7 juli 1995 betaalde registratiekosten, en eiseres samen met de tot bindendverklaring opgeroepen partij veroordeeld werd om aan verweerster de kosten van handlichting van de hypothecaire inschrijving en de eventueel aan de bank verschuldigde wederbeleggings-vergoeding terug te betalen.
- Tegen dit vonnis werd door de eiseres hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank van Koophandel te Leuven. Bij vonnis van 10 november 1998 oordeelde de rechtbank van koophandel dat de vrederechter zich onterecht bevoegd had verklaard voor de hoofdvordering maar wel bevoegd was, voor de tegenvordering. Tevens werd geoordeeld dat het de rechtbank toekwam zich, met toepassing van artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek, in eerste aanleg uit te spreken over de hoofdvordering, dewelke opnieuw gegrond werd verklaard. De tegenvordering werd door de rechtbank van koophandel in hoger beroep behandeld en ongegrond verklaard.
- Tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel werd, inzoverre daarin de hoofdvordering gegrond werd verklaard, door eiseres hoger beroep ingesteld bij het Hof van Beroep te Brussel. Door verweerster werd incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel inzoverre daarin werd beslist dat de Vrederechter te Diest materieel onbevoegd was om over de hoofdvordering uitspraak te doen. In het bestreden arrest oordeelt het hof van beroep dat de Vrederechter te Diest wel degelijk bevoegd was om in eerste aanleg uitspraak te doen over de hoofdvordering en bevestigt, voor wat de grond van de hoofdvordering betreft, het vonnis van de rechtbank van koophandel, om reden dat die rechtbank geacht moet worden als appèlrechter te zijn opgetreden en het hof van beroep niet meer in de beoordeling van de zaak zelf mag treden. IV Cassatiemiddel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 591, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek ; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ; - de artikelen 1134 en 1165 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het hof van beroep verklaart in het bestreden arrest het hoger beroep van eiseres tegen het vonnis van 10 november 1998 gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Leuven ontvankelijk doch ongegrond en verklaart het incidenteel hoger beroep van verweerster gegrond. Aldus hervormt het hof van beroep het vonnis van 10 november 1998 en oordeelt het dat de Vrederechter te Diest wel degelijk bevoegd was om in eerste aanleg uitspraak over de hoofdvordering te doen. De appèlrechter steunt deze beslissing op de volgende gronden : "Over de bevoegdheid van de vrederechter :
- De bevoegdheid van de vrederechter is te beoordelen naar het onderwerp van de vordering zoals het in de dagvaarding wordt vermeld. (Verweerster) voert in de inleidende dagvaarding aan (dat) de beide door haar gedaagde partijen inbreuk pleegden op haar conventioneel recht tot voorkoop van een handelsgebouw waarvan zij hoofdhuurder was. Met name stelt zij dat op 17 december 1993 voor de Vrederechter te Diest een dading werd gesloten en dat een nieuwe handelshuur tussen (de in bindendverklaring opgeroepen partij) als eigenaar en haarzelf als huurder hiervan een onderdeel vormden. In artikel 11 van deze handelshuurovereenkomst wordt aan (verweerster) een recht van voorkoop toegekend betreffende het door haar gehuurde pand, en zulks gedurende de hele looptijd van de overeenkomst, verlengingen of hernieuwingen ervan.
- (Verweerster) lichtte in dit verband toe dat er kwalijk samenspel voorhanden was tussen (eiseres) en (de in bindendverklaring opgeroepen partij) die het handelsgebouw inbracht in (eiseres). De vordering tot indeplaatsstelling tegen (eiseres) wordt gesteund op artikel 11 van de vermelde overeenkomst, dat de artikelen 48 en 51 van de Pachtwet overeenkomstig van toepassing verklaart. De vergoedingseis tot beloop van bepaalde sommen tegen (eiseres) wordt gesteund op haar medeplichtigheid aan de schending van het bedongen voorkooprecht.
- Artikel 591, 1°, (van het Gerechtelijk Wetboek) verleent een algemene bevoegdheid aan de vrederechter voor geschillen inzake verhuring van onroerende goederen. De vordering tegen (de in bindendverklaring opgeroepen partij) wordt gesteund op een beding uit een handelshuurovereenkomst, waarbij aan de huurder een voorkooprecht wordt verleend en dat aldus strekt tot bijkomende bescherming van de handelshuur. Ten aanzien van (eiseres) wordt de vordering tot indeplaatsstelling en tot betaling van schadeloosstelling gesteund enerzijds op de conventionele toepasselijkheid van de artikelen 48 en 51 en anderzijds op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.
- De aldus in de dagvaarding geformuleerde rechtsvordering behoort ten aanzien van beide oorspronkelijk gedaagden tot de bevoegdheid van de vrederechter (vgl. ook J. Laenens, Overzicht van rechtspraak, Bevoegdheid (1979-1992), T.P.R. 1993, 1506-1507, nr. 39). Dat (eiseres) zelf geen partij was bij de handelshuur staat er aldus niet aan in de weg dat zij als beweerde medeplichtige aan de contractbreuk geldig werd gedagvaard voor de vrederechter. De rechtbank van koophandel heeft de vrederechter onterecht onbevoegd geacht. Het incidenteel hoger beroep is gegrond". Grieven Naar luid van artikel 591, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek is de vrederechter materieel bevoegd om kennis te nemen van alle geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak, van vorderingen tot betaling van vergoedingen voor bewoning van en tot uitzetting uit plaatsen zonder recht betrokken, onverschillig of die vorderingen al dan niet volgen uit een overeenkomst en van alle geschillen betreffende de uitoefening van het recht van voorkoop ten gunste van de huurders van landeigendommen. Aldus werd de vrederechter een algemene bevoegdheid gegeven over de geschillen die voortvloeien uit een huurovereenkomst betreffende onroerende goederen. Dit impliceert dat het om contractuele geschillen dient te gaan. Aangezien het Burgerlijk Wetboek in de artikelen 1134 en 1165 de regel huldigt dat overeenkomsten enkel de partijen (bij die overeenkomsten) binden, impliceren de bewoordingen van artikel 591, 1°, ook dat het enkel om geschillen mag gaan die de partijen bij de huurovereenkomst tegenover elkaar stellen. De vrederechter kan derhalve niet steunen op artikel 591, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek om zich bevoegd te verklaren om kennis te nemen van buitencontractuele vorderingen tussen een contractpartij, enerzijds, en een derde, anderzijds. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat tussen eiseres en verweerster geen contractuele band bestond en dat zulks enkel het geval was voor verweerster en de in bindendverklaring opgeroepen partij, tussen dewelke de handelshuurovereenkomst was afgesloten waarin het kwestieuze recht van voorkoop was bedongen. De vordering van verweerster jegens eiseres was derhalve van buitencontractuele aard en kon niet geacht worden voort te vloeien uit de huurovereenkomst tussen verweerster en de in bindendverklaring opgeroepen partij. Vermits eiseres niet werd aangesproken als contractpartij bij de handelshuurovereenkomst en de vordering van verweerster jegens eiseres buitencontractueel van aard was, kon de appèlrechter niet oordelen dat de vrederechter materieel bevoegd was om kennis te nemen van de hoofdvordering inzoverre deze gericht was tegen eiseres, zonder miskenning van artikel 591, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 1134 en 1165 van het Burgerlijk Wetboek dan wel zonder miskenning van de bewijskracht van de handelshuurovereenkomst van 17 februari 1993 en van de conclusies die namens verweerster op 30 september 1999 werden neergelegd in de rechtspleging die aanleiding gaf tot het bestreden arrest, nu hij van deze handelshuurovereenkomst en van deze conclusie een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1054, 1068, eerste lid, en 1070 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het hof van beroep verklaart in het bestreden arrest het hoger beroep van eiseres tegen het vonnis van 10 november 1998 gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Leuven ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te (Leuven) inzoverre de hoofdvordering daarin gegrond werd verklaard. De appèlrechter steunt deze beslissing op de volgende gronden : "
- Uit de vaststelling dat de rechtbank van koophandel zich onterecht bevoegd achtte in eerste aanleg volgt dat zij ook over de hoofdvordering heeft beslist als appèlrechter. Na de inwilliging van het incidenteel hoger beroep vermag het hof zich niet meer uit te spreken over de grond van de zaak. Het principaal hoger beroep wordt verworpen". Grieven In het bestreden arrest oordeelt het hof van beroep dat, vermits de zaak oorspronkelijk werd aanhangig gemaakt bij de vrederechter en deze vrederechter wel degelijk bevoegd was om van de zaak kennis te nemen, de rechtbank van koophandel over de hoofdvordering beslist heeft als appèlrechter en het hof van beroep derhalve niet meer in de beoordeling van de zaak zelf mag treden. Naar luid van artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek beslist de rechtbank van koophandel die zitting houdt in tweede aanleg, over de zaak zelf en staat daartegen hoger beroep open indien het geschil tot haar bevoegdheid behoorde. Krachtens deze wetsbepaling wordt een derde aanleg ingesteld voor die geschillen welke oorspronkelijk voor de vrederechter of de politierechtbank werden aanhangig gemaakt, maar dewelke volgens de rechtbank van koophandel tot haar eigen, exclusieve bevoegdheid behoren. De bewoordingen van de wet zijn duidelijk: tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel staat hoger beroep open. Hoger beroep is het rechtsmiddel op grond waarvan een appèlrechter krachtens de artikelen 1054 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek de macht wordt verleend om over het geheel van een zaak waarin een rechter reeds uitspraak heeft gedaan, opnieuw te oordelen, zowel in rechte als in feite. De appèlrechter die aldus moet oordelen over een zaak waarin, nadat de vrederechter zich daarover heeft uitgesproken, de rechtbank van koophandel op hoger beroep geoordeeld heeft dat enkel zijzelf bevoegd was om in eerste aanleg over de zaak uitspraak te doen, mag dienvolgens in de volledige beoordeling van de zaak in haar algemeenheid treden, zonder dat zijn rechtsmacht beperkt zou worden naargelang hij vaststelt of de rechtbank van koophandel zich al dan niet terecht bevoegd heeft geacht om de zaak in eerste aanleg te behandelen. Bijgevolg heeft het hof van beroep door in het bestreden arrest te overwegen dat de rechtbank van koophandel als appèlrechter uitspraak heeft gedaan over de hoofdvordering en de zaak derhalve niet meer opnieuw ten gronde mocht beoordeeld worden, artikel 1070 evenals de artikelen 1054 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek geschonden. V. Beslissing van het Hof
- Eerste middel Overwegende dat, krachtens artikel 591, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, de vrederechter, ongeacht het bedrag van de vordering, kennisneemt van geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handels-zaak ; Dat die bijzondere bevoegdheid van de vrederechter de geschillen omvat die betrekking hebben op de toepassing van de wettelijke of contractuele bepalingen die gelden in de relatie tussen de partijen bij de huurovereenkomst ; Dat de kennisneming van een vordering die de huurrelatie overstijgt, zoals een buitencontractuele vordering wegens derde-medeplichtigheid aan de miskenning van de contractuele bepalingen van de huurovereenkomst, niet behoort tot de in voormeld artikel 591, 1°, bepaalde bevoegdheid van de vrederechter ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat :
- ten aanzien van de tot bindendverklaring opgeroepen partij verweersters vordering wordt gegrond op een beding uit de handelshuurovereenkomst, waarbij aan de huurder "een voorkooprecht" wordt verleend en dat die vordering aldus strekt tot een bijkomende bescherming van de handelshuurder ;
- ten aanzien van eiseres verweersters vordering tot indeplaatsstelling en tot betaling van schadevergoeding wordt gegrond, enerzijds, op de conventionele toepasselijkheid van de artikelen 48 en 51 van de Pachtwet en, anderzijds, op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ;
- de aldus in de dagvaarding geformuleerde rechtsvordering ten aanzien van de beide oorspronkelijk gedaagden tot de bevoegdheid van de vrederechter behoort ;
- de rechtbank van koophandel de vrederechter onterecht onbevoegd heeft geacht ; Dat de appèlrechter door aldus te beslissen dat verweersters vordering in zoverre die gericht is tegen eiseres als derde-medeplichtige aan de contractbreuk van de tot bindendverklaring opgeroepen partij, behoort tot de bevoegdheid van de vrederechter, artikel 591, 1°, van Gerechtelijk Wetboek schendt ; Dat het middel in zoverre gegrond is ;
- Omvang van cassatie Overwegende dat de vernietiging van de beslissing over de bevoegdheid om kennis te nemen van verweersters vordering in zoverre gericht tegen eiseres, zich uitstrekt tot de daarmee verbonden beslissing over de bevoegdheid om kennis te nemen van verweersters vordering tegen de tot bindendverklaring opgeroepen partij ; OM DIE REDENEN, HET HOF Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij ; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van twaalf september tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050912.8 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div