id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.36 Rolnummer: P.05.0369.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-10 Raadplegingen: 556 - laatst gezien 2026-07-04 12:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De rechtskracht van een regularisatievergunning wordt bepaald door haar wettigheid, los van elke bestraffing; de eventuele niet verdere strafbaarstelling van de uitvoering of instandhouding van werken, waarvan alleen de strafrechter de onwettigheid van de vergunning vaststelt, brengt niet mee dat een door de strafrechter onwettig bevonden regularisatievergunning, bij afwezigheid van vernietiging of schorsing, de voordien uit een gepleegd bouwmisdrijf ontstane onwettige toestand doet ophouden. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Vrije woorden: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Constructie opgetrokken zonder bouwvergunning Definitieve regularisatievergunning Regularisatievergunning onwettig bevonden door de rechter Fiche 2 Waar artikel 159, Grondwet de rechter verbod oplegt om toepassing te maken van een door hem onwettig bevonden regularisatievergunning en, bijgevolg, het voordeel toe te kennen van een regularisatie welke deze vergunning ten onrechte verleent, staat het aan hem het gevorderde herstel te bevelen na daartoe vooraf het standpunt van de stedenbouwkundige inspecteur te hebben ingewonnen. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Constructie opgetrokken zonder bouwvergunning Definitieve regularisatievergunning Regularisatievergunning onwettig bevonden door de rechter Fiche 3 Geen wetsbepaling verbiedt dat de rechter, wanneer hij het geraadzaam of noodzakelijk acht, de stedenbouwkundige inspecteur uitnodigt om opnieuw een standpunt in te nemen over het door hem gevorderde herstel; een eventuele wijziging van dit standpunt tijdens het debat wijst nog niet op een beïnvloeding door de rechter of een gebrek aan onpartijdigheid. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Constructie opgetrokken zonder bouwvergunning Definitieve regularisatievergunning Regularisatievergunning onwettig bevonden door de rechter Uitnodiging aan de stedenbouwkundig inspecteur om opnieuw standpunt in te nemen over de herstelvordering Wijziging van dit standpunt Tekst van de beslissing Nr. P.05.0369.N I. T. G. L. L., eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Bruno Van Dorpe, advocaat bij de balie te Kortrijk, tegen
- P. B., en zijn echtgenote
- G. C., verweerders, burgerlijke partijen. II. T. G., reeds vermeld, eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Bruno Van Dorpe, advocaat bij de balie te Kortrijk. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen de arresten, op 13 september 2002 en 25 februari 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen het arrest van 13 september 2002 Overwegende dat het cassatieberoep sub I, dat is ingesteld na een vorig cassatieberoep tegen hetzelfde arrest, met toepassing van artikel 438 Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk is; B. Onderzoek van de middelen Overwegende dat de middelen uitsluitend gericht zijn tegen het bestreden arrest van 25 februari 2005 dat uitspraak doet over het herstel;
- Eerste middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat eiser aanvoert dat uit de limitatieve opsomming van de stedenbouwmisdrijven in artikel 146 Stedenbouwdecreet volgt dat de strafrechter niet verder het herstel kan bevelen noch de stedenbouwkundig inspecteur daaromtrent mag vorderen zodra een regularisatievergunning werd afgeleverd die, bij gebrek aan vernietiging of schorsing door de Raad van State, definitief is geworden, zelfs wanneer de strafrechter met toepassing van artikel 159 Grondwet de onwettigheid van deze regularisatie vaststelt; Overwegende dat de rechtskracht van de regularisatie wordt bepaald door haar wettigheid, los van elke bestraffing; dat meer bepaald, de eventuele niet verdere strafbaarstelling van de uitvoering of instandhouding van werken waarvan alleen de strafrechter de onwettigheid van de vergunning vaststelt, niet meebrengt dat een door de strafrechter onwettig bevonden regularisatievergunning, bij afwezigheid van vernietiging of schorsing, de voordien uit een vastgesteld bouwmisdrijf ontstane onwettige toestand doet ophouden; Overwegende dat, krachtens artikel 159 Grondwet dat in algemene bewoordingen is opgesteld en geen onderscheid maakt in de bedoelde akten, de hoven en rechtbanken alleen de besluiten en verordeningen toepassen die overeenstemmen met de wet; dat aldus niet alleen de Raad van State, maar ook de strafrechter de wettigheid van de regularisatievergunning moet onderzoeken; Overwegende dat weliswaar het niet aan de stedenbouwkundig inspecteur toekomt ambtshalve zonder tussenkomst van de rechter een onwettig verleende vergunning in te trekken; dat geen intrekking is, het geval wanneer, na vaststelling van een onwettigheid in de regularisatie door de rechter, de stedenbouwkundig inspecteur de herstelvordering instelt of voortzet; dat deze bevoegdheid niet vervalt door de omstandigheid dat bij de Raad van State de vernietiging van de vergunning kon worden verzocht en dat, bij ontstentenis daarvan, deze definitief is geworden; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat de regularisatievergunning onwettig is daar zij geen betrekking heeft op een bestaand gebouw zoals vereist door het artikel 145bis, ,§ 1, 1°, Stedenbouwdecreet; Dat zij door deze vergunning niet toe te passen, artikel 159 Grondwet naleven; Overwegende dat, waar artikel 159 Grondwet de appèlrechters verbod oplegt toepassing te maken van de onwettige regularisatievergunning en, bijgevolg, eiser het voordeel toe te kennen van een regularisatie welke voormelde vergunning hem ten onrechte verleent, het aan de appèlrechters staat het gevorderde herstel te bevelen na daartoe vooraf het standpunt van de stedenbouwkundig inspecteur te hebben ingewonnen; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat de appèlrechters niet zeggen dat door het verlenen van de regularisatievergunning de voordien geformuleerde herstelvordering verviel, in die zin dat zelfs mocht deze regularisatievergunning naderhand onwettig worden bevonden, ook dan de herstelvordering niet meer zou kunnen worden ingesteld; Dat de tegenstrijdigheid niet bestaat; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 1.
- Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel niet verduidelijkt waardoor de aangevoerde onwettigheid artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek schendt en het beschikkingsbeginsel miskent; Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is; Overwegende dat voor het overige, geen wetsbepaling verbiedt dat de rechter, wanneer hij het geraadzaam of noodzakelijk acht, de stedenbouwkundige inspecteur uitnodigt om opnieuw standpunt in te nemen over het door hem gevorderde herstel; dat een eventuele wijziging van dit standpunt tijdens het debat nog niet wijst op een beïnvloeding door de rechter of een gebrek aan onpartijdigheid; Dat het onderdeel in zoverre faalt naar recht;
- Tweede middel Overwegende dat de appèlrechters met de aangehaalde redenen geen uitlegging geven van het bedoelde stedenbouwkundig attest, mitsdien de bewijskracht ervan niet miskennen; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist; Overwegende dat, voor het overige, de aangevoerde schending van artikel 63bis Stedenbouwwet geheel is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van bewijskracht; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van honderd drieënnegentig euro achtenvijftig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van dertien september tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.36 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191121.1N.8 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210512.2F.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div