← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.37

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.37 Rolnummer: P.05.0372.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-10 Raadplegingen: 755 - laatst gezien 2026-07-04 13:35 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Opdat er sprake zou zijn van een beschermd geschrift waarvan de vervalsing krachtens artikel 196 Strafwetboek strafbaar is, is niet vereist dat het gaat om een origineel document, een eensluidend afschrift of een geschrift met bijzondere bewijswaarde; het volstaat dat het geschrift in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbaar vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die er kennis van nemen of aan wie het wordt voorgelegd kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten: dit kan het geval zijn voor de fotokopie van een origineel document, die in het maatschappelijk verkeer is gebracht en daardoor in een zekere mate tot het bewijs van een rechtshandeling of een rechtsfeit kan dienen

(1).
(1)Cass., 21 juni 2005, AR P.05.0073.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050621.8, nr ...; Cass., 18 juni 1985, AR 9287, nr 633; 27 sept. 1988, AR 1650, nr 53; 16 dec. 1997, AR P.96.1490.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971216.9, nr 557; 23 dec. 1998, AR A.94.0001.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9, nr 534; 16 juni 1999, AR P.98.0738.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990616.7, nr 362; VANHALEWIJN J. en DUPONT L., "Valsheid in geschrifte", A.P.R., Gent, Story-Scientia, 1975, nr 35. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Wettelijke bestanddelen Beschermd geschrift Begrip Fotokopie Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1867 - Artt.193,196e Fiche 2 De rechter kan de wetenschap van de wederrechtelijke oorsprong van de geheelde zaak afleiden uit alle feitelijke omstandigheden die noodzakelijk argwaan moeten wekken bij degene die het bezit ervan verkrijgt
(1).
(1)Cass., 9 juni 1999, AR P.99.0231.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.19, nr 340; 5 okt. 1999, AR P.98.0082.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991005.9, nr
  1. Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: HELING Wettelijke bestanddelen Kennis van de wederrechtelijke oorsprong Beoordeling door de feitenrechter Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1867 - Art.505,1° Fiches 3 - 4 Artikel, 2, tweede lid, 28°, Mestdecreet dat bepaalt dat voor de toepassing van dit decreet, dat krachtens artikel 2, eerste lid, tot doel heeft de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging als gevolg van de productie en het gebruik van meststoffen, onder producent wordt verstaan de eigenaar van het vee dat op een bedrijf wordt gehouden, heeft enkel betrekking op de vraag wie als producent van meststoffen moet worden beschouwd, maar heeft niets uitstaande met het eigendomsrecht op het vee dat die meststoffen produceert; deze bepaling sluit niet uit dat bij een verkoop van vee met eigendomsvoorbehoud van de verkoper tot de volledige betaling, de door het Mestdecreet opgelegde verplichtingen, waaronder de te vervullen aangifteformaliteiten, contractueel aan de koper worden overgedragen. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: MILIEURECHT Mestdecreet Artikel 2, Mestdecreet Bepaling dat de eigenaar van het vee als producent van de meststoffen wordt beschouwd MILIEURECHT Mestdecreet Artikel 2, Mestdecreet Bepaling dat de eigenaar van het vee als producent van de meststoffen wordt beschouwd Verkoop van het vee met eigendomsvoorbehoud voor de verkoper Contractuele regeling van de verplichtingen van het Mestdecreet Toepassing Tekst van de beslissing Nr. P.05.0372.N I. C. J. H., eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout. II. V. A. C. G., eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Jaak Fransen, advocaat bij de balie te Hasselt, de beide eisers tegen BROKKING'S VEEVOEDERFABRIEKEN BELGIË nv, verweerster, burgerlijke partij. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 10 februari 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers stellen in een memorie respectievelijk drie middelen en een middel voor. Die memories zijn aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen van de eiser sub I
  2. Eerste middel 1.
  3. Eerste onderdeel Overwegende dat opdat er sprake zou zijn van een beschermd geschrift waarvan de vervalsing krachtens artikel 196 Strafwetboek strafbaar is, niet vereist is dat het gaat om een origineel document, een eensluidend afschrift of een geschrift met bijzondere bewijswaarde; dat het volstaat dat het geschrift in een zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbaar vertrouwen opdringt zodat de overheid of particulieren die er kennis van nemen of aan wie zij wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten; Overwegende dat dit het geval kan zijn voor de fotokopie van een origineel document, die gebracht is in het maatschappelijk verkeer en daardoor in een zekere mate tot bewijs van een rechtshandeling of een rechtsfeit kan dienen; Dat het onderdeel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht; 1.
  4. Tweede onderdeel Overwegende dat het arrest met de in het onderdeel bedoelde reden voor de toepassing van artikel 196 Strafwetboek het vereiste van het beschermd geschrift geenszins verwart met het vereiste van mogelijke schade of nadeel, maar enkel oordeelt dat ieder geschrift dat in een zekere mate tot bewijs kan strekken en waarvan de vervalsing schade of nadeel kan meebrengen, onder toepassing van dat artikel valt; Overwegende, voor het overige, dat het arrest oordeelt dat de verweerster "door de (...) vervalsing mogelijk kon benadeeld worden, onder meer door de overeenkomsten die deze burgerlijke partij, onder meer, op 27 november 1995 met (A. V.) in verband met de kwestieuze varkens had afgesloten en de rechten die de burgerlijke partij op grond hiervan gebeurlijk had kunnen uitoefenen, zoals het leggen van beslag"; dat het aldus het mogelijk nadeel vaststelt dat de vervalsing van het beschermd geschrift kon meebrengen; Dat het onderdeel, dat berust op een onjuiste en onvolledige lezing van het arrest, feitelijke grondslag mist;
  5. Tweede middel 2.
  6. Eerste onderdeel Overwegende dat het arrest niet oordeelt dat de aan eiser verkochte varkens door de verkoper door een misdaad of een wanbedrijf verkregen werden, maar wel dat zij door de verkoper verduisterde goederen zijn, met name deze die het voorwerp uitmaken van het bewezen verklaarde misbruik van vertrouwen, voorwerp van de telastlegging C1; Dat het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist; 2.
  7. Tweede onderdeel Overwegende dat het arrest oordeelt dat de door eiser gekochte varkens door de verkoper verduisterde goederen zijn en daarom door eerstgenoemde zijn geheeld; dat het derhalve niet meer hoefde te antwoorden op het doelloos geworden verweer dat de verkoper die varkens niet wederrechtelijk heeft verkregen; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; 2.
  8. Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel dezelfde draagwijdte heeft als het middel aangevoerd door A. V. en om de redenen vermeld in het hierna gegeven antwoord niet kan worden aangenomen; 2.
  9. Vierde onderdeel Overwegende dat de rechter de wetenschap van de wederrechtelijke oorsprong van de geheelde zaak kan afleiden uit alle feitelijke omstandigheden die noodzakelijk argwaan moeten wekken bij degene die het bezit ervan verkrijgt; Dat het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht;
  10. Derde middel Overwegende dat het arrest oordeelt dat de ten laste van de eiser bewezen verklaarde telastlegging E (heling) in oorzakelijk verband staat met de schade waarvoor de verweerster vergoeding vordert; dat het aldus aanneemt dat de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster eveneens gesteund is op de telastlegging E, mitsdien eisers verweer beantwoordt; Dat het middel feitelijke grondslag mist; B. Onderzoek van het middel van de eiser sub II
  11. Eerste onderdeel Overwegende dat artikel 2, eerste lid, van het decreet van de Vlaamse Raad van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna Mestdecreet) bepaalt dat dit decreet tot doel heeft de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging als gevolg van de productie en het gebruik van meststoffen; dat overeenkomstig het tweede lid, 28°, van dat artikel, voor de toepassing van dat decreet onder producent wordt verstaan de eigenaar van het vee dat op een bedrijf wordt gehouden; Overwegende dat deze bepaling enkel betrekking heeft op de vraag wie als producent van meststoffen als gevolg van de veeteelt in de zin van het Mestdecreet moet worden beschouwd, maar niets uitstaande heeft met het eigendomsrecht op het vee dat die meststoffen produceert; dat deze bepaling niet uitsluit dat bij een verkoop van vee met eigendomsvoorbehoud van de verkoper tot de volledige betaling, de door het Mestdecreet opgelegde verplichtingen, waaronder de te vervullen aangifteformaliteiten, contractueel aan de koper worden overgedragen; Dat het onderdeel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht;
  12. Tweede onderdeel Overwegende dat het arrest, op grond van de door de verweerster opgemaakte facturen, de factuurvoorwaarden, de verklaringen van eiser en de financieringsovereenkomst, onaantastbaar oordeelt dat er tussen eiser en de verweerster een dubbele contractuele relatie bestond, met name, enerzijds, een koop-verkoop met onmiddellijke overgang van risico's en lasten vanaf de levering maar met uitgestelde eigendomsoverdracht tot volledige betaling van de geleverde dieren en voeders, anderzijds, financieringsovereenkomsten waaronder deze van 27 oktober 1995; Dat het onderdeel, in zoverre het opkomt tegen dat oordeel of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, niet ontvankelijk is; Overwegende dat het arrest vaststelt dat artikel 5 van de financieringsovereenkomst luidt als volgt: "Mester verstrekt bij deze opdracht en machtigt de handelaar/slachterij bij deze om de uitbetaling van de onderhavige varkens niet aan mester te doen, doch rechtstreeks aan (verweerster). De handelaar/slachterij kan, na kennisneming van deze overeenkomst slechts bevrijdend aan (verweerster) betalen. Mester gaat akkoord indien deze overeenkomst aan de slachterij wordt verstrekt"; Overwegende dat het arrest oordeelt dat uit die contractuele bepaling geen overdracht van schuldvordering kan worden afgeleid, maar enkel een opdracht tot betaling aan een derde om de koopsom te betalen aan de juridische eigenaar van de dieren en niet aan de mester die de dieren in zijn bezit heeft en aan de slachterij aanbiedt; dat het ook oordeelt dat uit de vermelde bepaling volgt dat eiser de handelaar opdracht moest geven om de koopprijs van de varkens aan de verweerster te betalen; Dat het arrest aldus van het vermelde artikel een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is; Overwegende dat het arrest vaststelt dat artikel 8 van de financieringsovereenkomst luidt als volgt: "In verband met de onderhavige financiering verklaart mester: de huidige en toekomstige biggen/varkensvoer in bezitloos pand te geven; de vorderingen op een handelaar/slachterij, welke in de toekomst ontstaan terzake van geleverde varkens in stil pand te geven; bevoegd te zijn tot het verpanden van genoemde goederen; dat geen beperkte rechten rusten op genoemde goederen"; dat het verder vaststelt dat luidens artikel 9 van de financieringsovereenkomst de verweerster verklaart bezitloos en stil pandrecht aan te nemen en dat volgens artikel 10 van diezelfde overeenkomst het Nederlandse recht daarop van toepassing; Overwegende dat het arrest betreffende die bedingen oordeelt dat: - naar Nederlands recht, het verlenen van een pandrecht geen vaststelling impliceert omtrent de juridische eigendom van de goederen; - bij financieringen, het vestigen van een bezitloos pandrecht in se niet onverenigbaar is met de verkoop van goederen onder eigendomsvoorbehoud; - bij het vervallen van eigendomsvoorbehoud, het bezitloos pandrecht op de vordering uit hoofde van de verkoop een rechtsgeldig gevestigde zekerheid in eerste rang wordt; - aldus het eigendomsvoorbehoud en een stil pandrecht tegelijkertijd kunnen bestaan maar het pandrecht slechts uitwerking krijgt wanneer het eigendomsvoorbehoud door verkoop of levering vervalt en alsdan vervangen wordt door een pandrecht op de opbrengst van die verkoop; Dat het arrest met die redenen van het vermelde beding een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; C. Ambtshalve onderzoek Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van honderd tweeënvijftig euro tweeëntachtig cent, waarvan
  13. op het cassatieberoep van J. C.: zesenzeventig euro eenenveertig cent verschuldigd, en
  14. op het cassatieberoep van A. V.: zesenzeventig euro eenenveertig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van dertien september tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.37 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180530.1 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210907.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971216.9 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.19 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990616.7 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991005.9 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050621.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230315.2F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.