id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.42 Rolnummer: P.05.0705.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-02-10 Raadplegingen: 785 - laatst gezien 2026-07-04 12:01 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Niet ontvankelijk is het cassatieberoep van de beklaagde dat ingesteld werd na de eindbeslissing over de strafvordering tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, wanneer hij als inverdenkinggestelde, overeenkomstig artikel 135, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door de wet van 12 maart 1998, omwille van een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid van deze verwijzingsbeschikking, de mogelijkheid had hiertegen hoger beroep in te stellen, maar nagelaten heeft dit rechtsmiddel in te stellen; in dergelijk geval is het cassatieberoep immers gericht tegen een niet in laatste aanleg gewezen beschikking
(1).
(1)Zie Cass., 28 nov. 2001, AR P.01.1172.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011128.16, nr 653; 5 juni 2002, AR P.02.0318.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020605.18, nr 341 met concl. van adv.-gen. LOOP. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Eindbeslissing Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Eindbeslissing Cassatieberoep tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer Verwijzingsbeschikking waartegen hoger beroep mogelijk was Verzuim om hoger beroep in te stellen Ontvankelijkheid Fiches 2 - 4 Het niet-preciseren van de op te sporen zaken in het bevel tot huiszoeking, noch de afwezigheid bij die zoeking van betrokkene leveren op zich een schending van artikel 8, E.V.R.M. of een miskenning van het recht van verdediging op; er is geen dergelijke schending of miskenning wanneer de rechter uit de omstandigheden vaststelt dat de beklaagde of een derde over het voorwerp van de vervolging voldoende waren ingelicht om hen toe te laten elk misbruik bij het uitvoeren van de zoeking vast te stellen, te voorkomen of te onthullen
(1).
(1)Zie Hof Mensenrechten, arrest Van Rossem/België van 9 dec. 2004 (inzonderheid ,§ 45 en 47), T. Strafr., 2005, nr 1, p. 13 met noot SCHUERMANS F., "Mensenrechtenhof en huiszoeking: een gespannen huwelijk". Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Huiszoeking Bevel tot huiszoeking Niet-precisering van de op te sporen zaken Afwezigheid van de beklaagde tijdens de huiszoeking Vaststelling van de rechter dat beklaagde of een derde voldoende waren ingelicht om misbruiken bij de zoeking te voorkomen Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Onderzoek in strafzaken Huiszoeking Bevel tot huiszoeking Niet-precisering van de op te sporen zaken Afwezigheid van de beklaagde tijdens de huiszoeking Vaststelling van de rechter dat beklaagde of een derde voldoende waren ingelicht om misbruiken bij de zoeking te voorkomen Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Recht op eerbiediging van het privé-leven Strafzaken Onderzoek in strafzaken Huiszoeking Bevel tot huiszoeking Niet-precisering van de op te sporen zaken Afwezigheid van de beklaagde tijdens de huiszoeking Vaststelling van de rechter dat beklaagde of een derde voldoende waren ingelicht om misbruiken bij de zoeking te voorkomen Fiches 5 - 7 Het gewijzigde artikel 150, Grondwet, dat de drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn aan de bevoegdheid van de jury onttrekt, verwijst niet naar enige bijzondere wetgeving, zodat de correctionele rechtbank ook bevoegd is voor door racisme of xenofobie ingegeven drukpersmisdrijven die niet het voorwerp uitmaken van strafvervolgingen met toepassing van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 150 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 150 Drukpersmisdrijf Bevoegdheid van het hof van assisen Uitzondering Drukpersmisdrijven ingegeven door racisme of xenofobie Thesaurus CAS: DRUKPERS (POLITIE OVER DE) Vrije woorden: DRUKPERS (POLITIE OVER DE) Drukpersmisdrijf Artikel 150, Grondwet Racisme en xenofobie Negationisme Bevoegdheid van de correctionele rechtbank Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Vrije woorden: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Drukpersmisdrijf Artikel 150, Grondwet Bevoegdheid van het hof van assisen Uitzondering Racisme en xenofobie Negationisme Bevoegdheid van de correctionele rechtbank Tekst van de beslissing Nr. P.05.0705.N I.-II. V. S. M. T. C., eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Piet Noë, advocaat bij de balie te Gent, tegen
- CENTRUM VOOR GELIJKHEID VAN KANSEN EN RACISMEBESTRIJDING, met als raadslieden Mr. Raf Verstraeten en Caroline De Baets, advocaten bij de balie te Brussel,
- AUSCHWITZSTICHTING vzw, verweerders, burgerlijke partijen. I. Bestreden beslissing Het eerste cassatieberoep is gericht tegen de beschikking van de raadkamer van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen van 26 maart
- Het tweede cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 14 april 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie vier middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het eerste cassatieberoep Overwegende dat de eiser een miskenning van zijn recht van verdediging aanvoert doordat hij noch zijn raadsman werden verwittigd van de regeling van de rechtspleging daar zij niet werden uitgenodigd voor de zitting van de raadkamer van 26 maart 2003; Overwegende dat artikel 135, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door de wet van 12 maart 1998, de inverdenkinggestelde de mogelijkheid biedt hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de raadkamer onder meer in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden van de verwijzingsbeschikking; Overwegende dat niet blijkt dat eiser hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking bij de kamer van inbeschuldigingstelling heeft ingesteld; Dat het cassatieberoep tegen deze niet in laatste aanleg gewezen beschikking niet ontvankelijk is; B. Onderzoek van de middelen
- Eerste middel Overwegende dat het middel, dat gericht is tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer en niet de ontvankelijkheid van het daartegen gerichte cassatieberoep betreft, geen antwoord behoeft;
- Tweede middel Overwegende dat het niet-preciseren van de op te sporen zaken in het bevel tot huiszoeking noch de afwezigheid bij die zoeking van de betrokkene op zich een schending van artikel 8 EVRM of een miskenning van het recht van verdediging opleveren; dat er geen dergelijke schending of miskenning is wanneer de rechter uit de omstandigheden vaststelt dat de beklaagde of een derde over het voorwerp van de vervolging voldoende waren ingelicht om hen toe te laten elk misbruik bij het uitvoeren van de zoeking vast te stellen, te voorkomen of te onthullen; Dat het middel in zoverre faalt naar recht; Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat te dezen geen dergelijke schending of miskenning kan worden vastgesteld daar uit alle gegevens met zekerheid kan worden afgeleid dat de eiser steeds de kans heeft gehad controle uit te oefenen op de huiszoekingen en de beslagen, en deze maatregelen nooit het voorwerp van het onderzoek te buiten gingen; Dat het middel, in zoverre het opkomt tegen dit oordeel in feite van de appèlrechters, niet ontvankelijk is;
- Derde middel Overwegende dat de rechter in feite, mitsdien onaantastbaar, de bewijswaarde beoordeelt van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, waaronder de verslagen van de deskundigen; dat niets hem belet geloof te hechten aan een verslag waarvan hij vaststelt dat het door de overige gegevens van het dossier wordt bevestigd; Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat het deskundigenonderzoek enkel de waarde heeft van een advies en dat zijzelf op grond van het grote aantal kopijen van de geviseerde publicaties die het dossier bevat evenals de publicaties die ter griffie werden neergelegd, in staat zijn om de bevindingen van de deskundige in volle onafhankelijkheid te toetsen aan hun eigen bevindingen; Dat het middel, in zoverre het opkomt tegen dit oordeel in feite van de bewijswaarde van het deskundigenverslag en het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, niet ontvankelijk is; Overwegende dat de appèlrechters met hun motivering eisers conclusie beantwoorden; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist;
- Vierde middel Overwegende dat het gewijzigde artikel 150 Grondwet, dat de drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn aan de bevoegdheid van de jury onttrekt, niet verwijst naar enige bijzondere wetgeving; Dat de correctionele rechtbank ook bevoegd is voor door racisme of xenofobie ingegeven drukpersmisdrijven die niet het voorwerp uitmaken van strafvervolgingen met toepassing van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden; Dat het middel faalt naar recht; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van vierhonderd en drie euro achtenveertig cent, waarvan honderd zevenentwintig euro vierenzeventig cent verschuldigd en tweehonderd vijfenzeventig euro vierenzeventig cent betaald. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van dertien september tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.42 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011128.16 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020605.18 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210317.2F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div