← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050915.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art.2

Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALGEMENE BEGRIPPEN Vrije woorden: OVEREENKOMST - ALGEMENE BEGRIPPEN Geldigheid Nieuwe wet Wettelijke bepalingen:

Art.2

Fiches 3 - 4 De uitzonderingsregel dat in zake overeenkomsten de oude wet van toepassing blijft betreft enkel de rechtsgevolgen van de lopende overeenkomsten. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Werking in de tijd Oude wet Overeenkomst Uitzonderingsregel Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen:

Art.2

Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALGEMENE BEGRIPPEN Vrije woorden: OVEREENKOMST - ALGEMENE BEGRIPPEN Oude wet Uitzonderingsregel Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen:

Art.2

Fiche 5 Opdat de akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel gevolg zou hebben is vereist dat de vereffening of de overdracht van de goederen van het ene vermogen naar het andere bij notariële akte wordt vastgesteld binnen een jaar na de bekendmaking van een uittreksel uit de homologatiebeslissing in het Belgische Staatsblad; deze vereiste heeft geen betrekking op de geldigheid van deze wijzigingsakte, noch op de rechtsgevolgen van deze overeenkomst maar op de uitwerking van die rechtsgevolgen en regelt derhalve de rechtskracht van deze akte

(1).
(1)Oude bepaling, voor haar vervanging bij artikel 3, e), wet 9 juli 1998, B.S., 7 aug. 1998, in werking getreden op 17 aug. 1998. Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - WIJZIGING VAN HET HUWELIJKSVERMOGENSSTELSEL Vrije woorden: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - WIJZIGING VAN HET HUWELIJKSVERMOGENSSTELSEL Wijzigingsakte Gevolg Vereffening Overdracht Vaststelling Notariële akte Wettelijke bepalingen:

Art.1395,§4 Tekst van de beslissing Nr.

C.04.0345.N

  1. P.H.
  2. S.L., eisers, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.A., verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149 bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 2 april 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Feiten De feiten worden in het verzoekschrift als volgt omschreven : De eerste eiser en verweerster waren destijds gehuwd en woonden te S. De naakte eigendom van de woning behoorde toe aan de minderjarige zoon van de partijen en het vruchtgebruik van de woning werd elk voor de helft toegekend aan de echtgenoten. Bij akte verleden op 23 december 1997 kwamen partijen overeen hun huwelijksvermogensstelsel te wijzigen. De wijzigingsakte werd gehomologeerd bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 1 december
  3. Op 5 februari 1999 werd de wijziging van het huwelijksstelsel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Er werd evenwel nooit een vereffeningsakte in de zin van artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek opgesteld. Ingevolge de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel zou verweerster de enige vruchtgebruikster van voormeld onroerend goed worden. Bij vonnis van 3 september 2001 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge werd de echtscheiding tussen de eerste eiser en verweerster uitgesproken. Bij opening van de werkzaamheden van vereffening-verdeling op 13 november 2002 weigerde de eerste eiser de woning ter beschikking te stellen van verweerster om reden dat de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel geen gevolg kon hebben nu de vereffeningsakte niet werd opgesteld. Bij exploot van 2 mei 2003 liet de verweerster de eisers die intussen de woning bewoonden, dagvaarden voor de Vrederechter van het Eerste Kanton te Brugge teneinde te horen zeggen voor recht dat zij voormelde woning mocht bewonen. Bij vonnis van 10 juli 2003 verklaarde de vrederechter de vordering ongegrond. Verweerster stelde hoger beroep in tegen dit vonnis bij verzoekschrift van 26 augustus
  4. In het bestreden vonnis van 2 april 2004 wordt het hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaard. De appèlrechters beslissen dat verweerster de woning mag bewonen en de eisers worden bevolen deze te ontruimen en ter beschikking te stellen van verweerster. IV. Middel De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 2, 1134, 1181, 1394, zoals gewijzigd bij wet van 14 juli 1976 en vóór de wijziging ervan bij wet van 9 juli 1998 (hierna artikel 1394 oud), 1394, zoals gewijzigd bij wet van 9 juli 1998, maar vóór de wijziging ervan bij wet van 22 april 2003 (hierna artikel 1394 nieuw), 1395, zoals gewijzigd bij wet van 14 juli 1976 en vóór de wijziging ervan bij wet van 9 juli 1998 (hierna artikel 1395 oud), 1395, zoals gewijzigd bij wet van 9 juli 1998 (hierna artikel 1395 nieuw) van het Burgerlijk Wetboek ; artikel 4 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen. Aangevochten beslissingen De appèlrechters beslissen dat de tussen partijen overeengekomen wijziging van het huwelijksvermogensstelsel uitwerking heeft, dat verweerster ingevolge de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel de enige vruchtgebruikster geworden is van de woning gelegen te Brugge in de Magda Cafmeyerstraat en bevelen aan de eisers om de woning te ontruimen, op grond van de motieven dat : "
  5. Ten gronde 2.1 omtrent de hoofdvordering : 2.1.1 de grieven : (Verweerster) is gegriefd door het eerste vonnis om reden dat de eerste rechter niet van oordeel was dat (verweerster) ingevolge de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel de enige vruchtgebruikster is geworden en op grond hiervan haar vordering tot terbeschikkingstelling van de betreffende woning afwees. Zij meent dat er aan alle wettelijke voorwaarden voldaan werd opdat de 'grote' wijziging van het huwelijksvermogensstelsel gevolgen zou hebben ten aanzien van de voormalige echtgenoten en zelfs ten aanzien van derden aangezien er geen verplichte hypothecaire publiciteit zou zijn van de akte. Ten onrechte zou de eerste rechter gemeend hebben dat er een slotakte moest zijn om de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel gevolgen te laten hebben ten aanzien van de voormalige echtgenoten en derden. De eerste rechter zou zich hierbij verkeerdelijk gebaseerd hebben op : ten eerste de oude versie van artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek en geen rekening gehouden hebben met de wetswijziging van 9 juli 1998 waarbij artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek ingrijpend gewijzigd werd. De wijziging van artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek zou nochtans tot gevolg hebben dat de drastische en onredelijke sanctie van het oude artikel namelijk het zonder gevolg zijn van de grote verwijzing bij gebrek aan slotakte binnen de wettelijke termijn, door de wetgever bij wet van 9 juli 1998 zou zijn afgeschaft. Hij zou zich ten tweede ook verkeerdelijk gebaseerd hebben op verouderde en achterhaalde rechtsleer daterend van 11 jaar voor de hierboven vermelde wetswijziging. Op grond van de oude versie van bedoeld wetsartikel en verouderde (niet meer van toepassing zijnde wetswijzigingen) rechtsleer besloot de eerste rechter (volgens (verweerster))- volkomen ten onrechte tot de nietigheid van de bedongen wijziging van het huwelijksvermogensstelsel. 2.1.2 omtrent het vruchtgebruik van (verweerster) : De betreffende woning in de Magda Cafmeyerstraat werd destijds opgericht met de naakte eigendom ervan voor de zoon T. en het vruchtgebruik ervan in onverdeeldheid aan beide partijen. Partijen wilden een wijziging doorvoeren in hun huwelijksvermogensstelsel. Zij wilden namelijk (verweerster) als enige vruchtgebruikster aanduiden van de woning in de Magda Cafmeyerstraat. Op 23 december 1997 werd de akte regeling en wijziging van de huwelijksvoorwaarden tussen (verweerster) en (eerste eiser) opgemaakt in de zin dat bepaald werd dat het gehele vruchtgebruik van de woning Magda Cafmeyerstraat toekomt aan (verweerster) (waar zij voorheen slechts de helft had) terwijl de naakte eigendom voor de zoon T. ongewijzigd bleef. De wijzigingsakte werd gehomologeerd bij vonnis van Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 1 december
  6. Ter gelegenheid van de homologatieprocedure zijn partijen in raadkamer verschenen en verklaarden zij op 17 oktober 1998 te volharden in hun verzoek tot homologatie van de wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel. Op 5 februari 1999 werd de wijziging van hun stelsel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De door partijen beoogde wijziging van hun huwelijksstelsel betrof ontegensprekelijk een grote wijziging waarvoor de grote procedure conform artikel 1394-1395 van het Burgerlijk Wetboek diende te worden toegepast met inbegrip van de opmaak van de slotakte. Het betrof namelijk een wijziging die de overgang van het vruchtgebruik van een goed van het ene vermogen naar het andere inhield. Op het moment van de opmaak van de wijzigingsakte was het oude wetsartikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek nog van toepassing dat werd gewijzigd bij wet van 9 juli
  7. Het oude artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek bepaalde : 'de akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, die leidt tot vereffening van het vorige stelsel of tot dadelijke veranderingen van de vermogens, heeft geen gevolg, indien de vereffening of de overdracht van goederen van het ene vermogen naar het andere niet bij notariële akte is vastgelegd binnen het jaar na de bekendmaking van een uittreksel uit de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad'. Volgens het artikel 1396 van het Burgerlijk Wetboek kunnen de bedongen wijzigingen van het huwelijksvermogensstelsel eerst aan derden worden tegengeworpen vanaf de dag van de bekendmaking van een uittreksel uit de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad. Onder de oude wet verviel aldus de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel indien er binnen het jaar na de homologatie geen bevestigingsakte opgemaakt werd. De maatregelen van het oude artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 14 juli 1976, waren door de wetgever gewild als een parallelregeling met deze die bestaat bij een procedure van gerechtelijke scheiding van goederen. Het voorschrift gaf blijk van de bezorgdheid van de wetgever dat een wijziging zou worden toegestaan maar niet uitgevoerd, wellicht ten nadele van derden. De vereffeningsakte werd nooit opgemaakt. Door de wet van 9 juli 1998 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 augustus 1998 werd de sanctie van het verval afgeschaft (zie handelingen kamer 102-1995 (B.Z.)). De slotakte werd door die wet geen tweede opschortende voorwaarde meer. Het in kracht van gewijsde gegane homologatievonnis is nog de enige opschortende voorwaarde. Na de wet van 9 juli 1998 heeft de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel thans wel degelijk uitwerking, ook al wordt de slotakte niet opgemaakt. De echtgenoten dienden dus voor de rechtbank hun wil om tot wijziging over te gaan nogmaals kenbaar te maken maar konden na het in kracht van gewijsde treden van het homologatievonnis hun toestemming niet meer intrekken. De slotakte werd in de wet van 9 juli 1998 echter niet afgeschaft omdat deze namelijk aangeboden wordt op het hypotheekkantoor waardoor ten aanzien van derden duidelijk gemaakt werd dat de procedure gefinaliseerd is. De vroegere sanctie op het ontbreken van deze laatste akte was de niet-uitwerking van de wijziging die aldus de wettelijke bepaling 'zonder gevolg bleef'. Deze sanctie komt in de nieuwe wet welke van dwingend recht is, niet meer voor en kan dan ook niet meer toegepast worden. De slotakte is in feite niet meer essentieel en er is na de homologatie door de rechtbank geen bijkomende wilsuiting van beide echtgenoten vereist, het gaat eigenlijk enkel zoals gezegd om de formele vaststelling dat de hele procedure doorlopen is. In de wet werd geen expliciete datum voorzien waarop zij in werking trad. Gelet op het feit dat zij op 7 augustus gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad, trad zij in werking op 18 augustus
  8. Dit is nadat de wijzigingsakte tussen partijen opgemaakt werd doch voordat de akte bij vonnis gehomologeerd werd en zelfs voordat partijen in deze procedure voor de raadkamer bevestigden dat zij de homologatie van de wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel wensten. De rechtbank heeft hun wil om tot wijziging over te gaan nagegaan. Het homologatievonnis is nadien in kracht van gewijsde getreden. (De eisers) stellen terecht dat de wet van 9 juli 1998 geen terugwerkende kracht heeft maar vergeten dat zij wel onderworpen is aan het in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde beginsel dat de nieuwe wet onmiddellijk van toepassing is. In de regel is de nieuwe wet niet enkel van toepassing op toestanden, die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestand die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Zij is met andere woorden van toepassing op rechtstoestanden die nog niet voltooid zijn en nog in de loop van voltooiing zijn. Er wordt aan een wet geen terugwerkende kracht toegekend, wanneer die wet slechts de toekomstige gevolgen van een voorafgaande toestand regelt. Partijen hebben na inwerkingtreding van de nieuwe wet (welke van toepassing was vanaf 18 augustus 1998) aan de rechtbank meegedeeld dat zij volharden in hun verzoek tot wijziging. Het is trouwens de taak van de homologatierechter (zowel onder oude als onder de nieuwe wet) om de bestendige en vrije wil van comparanten om hun huwelijksvermogensstelsel te wijzigen na te gaan. Deze persoonlijke verschijning heeft trouwens mede tot doel om iedere druk van een echtgenoot op de andere te beletten. De homologatie is eveneens aan derden ter kennis gebracht door de publicatie in het Belgisch Staatsblad waardoor zij aan hen tegenstelbaar werd. Zij hebben zich ten aanzien van elkaar opnieuw verbonden en op dat moment was de vervaltermijn voor de opmaak van de vereffeningsakte reeds afgeschaft. Zij verklaarden zich aldus akkoord met de wijziging en de afstand van het vruchtgebruik door (eerste eiser) in de tijdsperiode dat geen vereffeningsakte meer op straffe van verval noodzakelijk was. In de homologatiebeslissing wordt expliciet verwezen naar artikel 1394 van het Burgerlijk Wetboek en volgende welke op dat moment reeds door de wet van 9 juli 1998 gewijzigd waren. (Eerste eiser) meent aldus ten onrechte dat hij onder de voorwaarden van de oude wet gecontracteerd heeft met (verweerster) en er dus op mocht rekenen dat de wettelijke omstandigheden van zijn contract onveranderd blijven bestaan ook als later een nieuwe wet de formele omkadering van zijn met (verweerster) aangegane verbintenis zou wijzigen. De contractomstandigheden waarover (de eisers) spreken betreffen trouwens geen vrij tussen partijen bepaalde voorwaarden maar strikt door de wet bepaalde voorschriften waarover partijen bij de wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel geen akkoord kunnen sluiten en die het private belang overstijgen. Een wijziging van een huwelijksvermogensstelsel dient te gebeuren volgens een strikte (formele en wettelijk vastgelegde) procedure voorzien in artikel 1394 van het Burgerlijk Wetboek en volgende welke tussen partijen niet negocieerbaar is. (De eisers) gaan aan dit dwingend karakter voorbij en hebben het volledig ten onrechte over de eenzijdige wijziging door verweerster van de contractuele voorwaarden waaraan zij samen met eerste eiser deelachtig geweest is en welke zij verder dient te aanvaarden. De bepaling van artikel 1395 van het Burgerlijk Wetboek is niet van privaat recht. De wet die een vroegere wet vervangt en onmiddellijk werking heeft en derhalve onmiddellijk van toepassing is niet alleen op feiten die zich voordoen na het in werking treden van de nieuwe wet maar ook op na die inwerkingtreding ontstane rechtsgevolgen van voordien voorgevallen feiten, tast geen rechtsgevolgen aan die voor haar definitief waren ontstaan. Het gewijzigde artikel 1395 van het Burgerlijk Wetboek moet toepassing vinden op de handelingen die (verweerster) en (eerste eiser) nog moesten verrichten na de wetswijziging om de wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel te finaliseren in casu de homologatie en de opmaak van de vereffeningsakte (zonder dat aan dit laatste nog een sanctie verbonden was). De sanctie van verval kan niet meer uitgesproken worden ten gevolge van de niet-opmaak van de vereffeningsakte. Tussen partijen heeft de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel gevolgen vanaf datum van de akte (artikel 1396, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek) onder de opschortende voorwaarde van het in kracht van gewijsde treden van de homologatiebeslissing. De wijziging van het huwelijksvermogensstelsel heeft wel degelijk uitwerking. 2.1.3 de rechten van de vruchtgebruikster (Verweerster) is ten gevolge van de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel de enige vruchtgebruikster geworden van de woning gelegen in de Magda Cafmeyerstraat. Het vruchtgebruik houdt ook het wettelijk genot in van de woning. Toelaten dat (de eisers) verder in de woning verblijven niettegenstaande de vordering van (verweerster) om de woning terug aan haar beschikbaar te maken, zou een miskenning inhouden van het recht op vruchtgebruik van (verweerster) dat het gebruiksrecht ipso facto in zich sluit" (bestreden vonnis, bladzijde 5-10). Grieven Overeenkomstig artikel 1394 (oud en nieuw) van het Burgerlijk Wetboek kunnen de echtgenoten tijdens het huwelijk hun huwelijksstelsel wijzigen naar goeddunken. De akte houdende de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel wordt ter homologatie voorgelegd aan de rechtbank van eerste aanleg van hun echtelijke verblijfplaats (artikel 1395, ,§1, oud en nieuw van het Burgerlijk Wetboek). Het oude artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek bepaalde dat de akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, die leidt tot vereffening van het vorige stelsel of tot dadelijke verandering van de vermogens, geen gevolg heeft, indien de vereffening of de overdracht van goederen van het ene vermogen naar het andere niet bij notariële akte is vastgesteld binnen een jaar na de bekendmaking van een uittreksel uit de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad. Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel onder de oude regeling werd overeengekomen in de wijzigingsakte onder de dubbele opschortende voorwaarde van homologatie van de wijzigingsakte en van het opstellen van de in artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge de wet van 9 juli 1998 werd het opstellen van de in artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek bepaalde vereffeningsakte als opschortende voorwaarde afgeschaft. Overeenkomstig het nieuwe artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek dient de in deze bepaling genoemde notariële akte nog steeds te worden verleden, doch het niet verlijden van deze akte binnen de bepaalde termijn heeft niet meer tot gevolg dat de akte houdende wijziging van het huwelijksstelsel geen gevolg heeft. Overeenkomstig artikel 4 van de wet van 31 mei 1961 is deze wet van 9 juli 1998, bekendgemaakt op 7 augustus 1998, verbindend de tiende dag na die van haar bekendmaking en derhalve vanaf 17 augustus
  9. Deze wet beschikt alleen voor het toekomende ; zij heeft geen terugwerkende kracht (artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek). In principe blijft de oude wet van toepassing op overeenkomsten die werden afgesloten vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, tenzij de nieuwe wet van openbare orde is of uitdrukkelijk toepassing voorschrijft op de lopende overeenkomsten. Deze regel betreft evenwel slechts de voortdurende rechtsgevolgen van lopende overeenkomsten. Het opstellen van de vereffeningsakte als tweede opschortende voorwaarde kan niet gezien worden als een voortdurend rechtsgevolg van een lopende overeenkomst waarop de nieuwe wet van openbare orde onmiddellijk van toepassing is. De voorwaarde betreft de toestemming van partijen en houdt dan ook verband met de totstandkoming van de verbintenis en niet met de rechtsgevolgen ervan. Hieruit volgt dat, indien de overeenkomst tot wijziging van het huwelijksvermogensstelsel tot stand kwam onder de oude wet, de in die overeenkomst vervatte opschortende voorwaarde van opstellen van de vereffeningsakte wordt beheerst door de oude wet en dit ongeacht of de nieuwe wet al dan niet van openbare orde is. Te dezen werd tussen partijen bij akte verleden op 23 december 1997 een wijziging van het huwelijksvermogensstelsel overeengekomen onder de oude regeling en derhalve onder de dubbele opschortende voorwaarde van homologatie van de wijzigingsakte en van het opstellen van de in artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde notariële akte. Deze overeenkomst strekt de partijen tot wet (artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek). De appèlrechters stellen vast dat de wijzigingsakte gehomologeerd werd bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge van 1 december 1998, dat de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel op 5 februari 1999 bekendgemaakt werd in het Belgisch Staatsblad, doch dat de in artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde vereffeningsakte nooit werd opgemaakt. Door in deze omstandigheden toepassing te maken van het nieuwe artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek en te beslissen dat de vóór wetswijziging van 9 juli 1998 onder opschortende voorwaarde van het opstellen van de vereffeninsgakte opgestelde wijzigingsakte gevolg heeft, hoewel de vereffeningsakte nooit werd opgesteld, laten de appèlrechters de tussen partijen overeengekomen opschortende voorwaarde buiten toepassing en verlenen zij retroactieve werking aan de wet van 9 juli
  10. Aldus schenden zij de verbindende kracht van de tussen partijen met opschortende voorwaarde gesloten overeenkomst (schending van de artikelen 1134 en 1181 van het Burgerlijk Wetboek), beslissen zij met miskenning artikel 1395, ,§4, (oud) van het Burgerlijk Wetboek dat de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel tussen partijen gevolg heeft hoewel er geen vereffeningsakte werd opgesteld, en passen zij met miskenning van de artikelen 2 van het Burgerlijk Wetboek en 4 van de wet van 31 mei 1961 het nieuwe artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek op retroactieve wijze toe op toestanden die voor zijn inwerkingtreding zijn ontstaan (schending van de artikelen 2, 1394 (oud en nieuw) en 1395 (nieuw) van het Burgerlijk Wetboek en 4 van de wet van 31 mei 1961). V. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, een nieuwe wet in beginsel niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestand, die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten ; Dat evenwel in zake overeenkomsten de oude wet van toepassing blijft, tenzij de nieuwe wet van openbare orde is of uitdrukkelijk toepassing voorschrijft op de lopende overeenkomsten ; Dat de geldigheid van de overeenkomst echter dient beoordeeld te worden op grond van de op het ogenblik van het totstandkomen ervan toepasselijke wet ; dat bovendien voormelde uitzonderingsregel met betrekking tot het overgangsrecht inzake de overeenkomsten enkel de rechtsgevolgen van lopende overeenkomsten betreft ; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 1395, ,§4, (oud) van het Burgerlijk Wetboek, de akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel (hierna genaamd wijzigingsakte), die leidt tot vereffening van het vorige stelsel of tot dadelijke verandering van de vermogens, geen gevolg heeft, indien de vereffening of de overdracht van goederen van het ene vermogen naar het andere niet bij notariële akte is vastgesteld binnen een jaar na de bekendmaking van een uittreksel uit de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad ; Dat de in deze bepaling vermelde vereiste geen betrekking heeft op de geldigheid van de wijzigingsakte, noch op de rechtsgevolgen van deze overeenkomst ; dat zij daarentegen een vereiste bevat die bepaalt of de rechtsgevolgen van de overeenkomst uitwerking krijgen en derhalve de rechtskracht van de wijzigingsakte regelt ; Overwegende dat de wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelsel artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek wijzigt in die zin dat het vereffeningsakte niet langer wordt aangezien als een vereiste zonder welke aan een tussen echtgenoten opgestelde akte tot wijziging van het huwelijksvermogensstelsel geen gevolg kan worden gegeven ; dat die wet, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 augustus 1998 in werking is getreden op 17 augustus 1998 ; Overwegende dat het nieuwe artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op wijzigingsakten die een overdracht van onroerende goederen inhouden of leiden tot vereffening van het bestaande stelsel, waarvan op 17 augustus 1998 de overdracht of de vereffening nog niet bij notariële akte werd vastgesteld en de in het oude artikel 1395, ,§4, van dit wetboek bepaalde termijn van een jaar nog niet was verstreken ; Overwegende dat het bestreden vonnis oordeelt dat :
  11. op 23 december 1997 de akte regeling en wijziging van de huwelijksvoorwaarde, tussen verweerster en de eerste eiser werd opgemaakt ;
  12. deze wijzigingsakte gehomologeerd werd bij vonnis van Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 1 december 1998 ;
  13. op 5 februari 1999 de wijzing van hun stelsel gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad ;
  14. de vereffeningsakte nooit werd opgemaakt ; Overwegende dat het middel dat er van uitgaat dat artikel 1395, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 9 juli 1998, op de wijzigingsakte geen toepassing vindt en aan die akte geen gevolg kan worden gegeven, in zoverre niet kan worden aangenomen ; Overwegende dat voor het overige het middel geen zelfstandige grieven aanvoert en volledig is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheid ; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van zevenhonderd zesenzeventig euro achtenzeventig cent jegens de eisende partijen en op de som van tweehonderd tweeëndertig euro drieëntachtig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van vijftien september tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050915.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100412.5 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120309.6 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120426.2 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120607.5 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130104.2 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130503.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040919.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080307.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080317.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091001.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.