id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050920.11 Rolnummer: P.05.0393.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht Invoerdatum: 2005-12-20 Raadplegingen: 441 - laatst gezien 2026-07-04 14:13 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het verbod om bepaalde functies, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, dat is voorgeschreven bij art. 1, K.B. nr 22, 24 okt. 1934, als gewijzigd bij wet 2 juni 1998, is een bijkomende straf en kan derhalve niet worden toegepast op feiten die gepleegd zijn vóór de inwerkingtreding van voornoemde wet
(1).
(1)Cass., 2 juni 1999, AR P.99.0192.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990602.9, nr
- Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Strafzaken Nieuwe wet Straf Veroordeling Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1867 - Art.2 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Misdrijf Nieuwe wet Nieuwe straf Wettigheid Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1867 - Art.2 Tekst van de beslissing Nr. P.05.0393.N
- D W B P M G,
- D W C M J,
- D W X J A, eisers, beklaagden, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen VAN CUYCK Mieke, advocaat, kantoor houdende te Gavere (Dikkelvenne), Sint-Cristianastraat 48, handelende in hoedanigheid van curator van het faillissement van de nv Ceragres, verweerster, burgerlijke partij. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 22 februari 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers stellen in een memorie een middel voor. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen Overwegende dat de cassatieberoepen in zoverre deze opkomen tegen de vrijspraak van de drie eisers voor de telastlegging van de zaak I, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk zijn; B. Ambtshalve aangevoerd middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 2, eerste lid, Strafwetboek; - artikel 1 K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen (verder genaamd: wet Beroepsuitoefeningverbod), zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 2 juni 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 waarbij aan bepaalde veroordeelden en aan de gefailleerden verbod wordt opgelegd bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen en waarbij aan de rechtbanken van koophandel de bevoegdheid wordt toegekend dergelijk verbod uit te spreken zoals gewijzigd bij wet van 2 juni
- Overwegende dat het arrest elk van de eisers schuldig acht aan de in de loop van 1996 gepleegde feiten van de zaak II te weten, naar de op het ogenblik van de uitspraak toepasselijke strafbepalingen: - A. het faillissementsmisdrijf van artikel 489ter, 1°, Strafwetboek; - B. het faillissementsmisdrijf van artikel 489bis, 4°, Strafwetboek; - C. de inbreuk op artikel 648, 1°, Wetboek Vennootschappen; Dat het arrest elk van de eisers daarvoor veroordeelt tot gevangenisstraf met uitstel en een geldboete en bovendien tegen elk van hen met toepassing van artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningverbod een beroepsverbod van vijf jaar uitspreekt; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, Strafwetboek, geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd; Overwegende dat, krachtens artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningverbod, in zijn versie vóór de wet van 2 juni 1998, de persoon die de strafrechter wegens bepaalde feiten tot een bepaalde straf had veroordeeld, van rechtswege de ontzetting van het recht om bepaalde functies, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, opliep; dat deze ontzetting wettelijk een beveiligingsmaatregel was; Dat artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningverbod, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 2 juni 1998, het beroepsverbod van rechtswege heeft vervangen door een facultatief verbod bij wijze van bijkomende straf, die de strafrechter kan opleggen aan de persoon die hij wegens bepaalde feiten veroordeelt en waarvan hij de duur vaststelt zonder dat die minder dan drie jaar of meer dan tien jaar mag bedragen; Overwegende dat derhalve, daar het vroegere beroepsverbod bij wijze van beveiligingsmaatregel niet meer bestaat, het nieuwe beroepsverbod bij wijze van bijkomende straf maar kan opgelegd worden voor feiten gepleegd na de inwerkingtreding van de nieuwe wet en niet voor feiten gepleegd vóór de inwernkingtreding ervan; C. Onderzoek van het middel Overwegende dat het middel, ook al ware het gegrond, niet tot ruimere cassatie kan leiden, mitsdien geen antwoord behoeft; D. Ambtshalve onderzoek van het overige van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat, behalve wat de bijkomende straf van beroepsverbod betreft, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet zijn gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eisers veroordeelt tot een bijkomende straf van beroepsverbod; Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Veroordeelt de eisers in de helft van de kosten van hun cassatieberoep; Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Gezegde kosten begroot op de som van honderd en zeven euro achtentwintig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne en uitgesproken in openbare terechtzitting van twintig september tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050920.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990602.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div