id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050920.9 Rolnummer: P.05.0310.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2006-02-06 Raadplegingen: 188 - laatst gezien 2026-07-03 11:26 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De bruto gebouwde oppervlakte van een handelsvestiging heeft betrekking op de hele bebouwde oppervlakte die voor handelsdoeleinden wordt of kan worden aangewend; de omstandigheid dat een deel van de oppervlakte bestemd wordt voor bewoning doet hieraan niets af, daar ook dit deel van het gebouwde nog altijd voor handelsdoeleinden kan worden aangewend
(1)
(2).
(1)Zie de concl. van het O.M.
(2)De wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen werd opgeheven door artikel 19, ,§ 3, van de wet van 13 aug. 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, in werking getreden op 1 maart 2005 (artikel 8 K.B. 22 feb. 2005). Thesaurus CAS: HANDELSZAAK Vrije woorden: HANDELSZAAK Handelsvestiging Bruto gebouwde oppervlakte Wettelijke bepalingen: Wet - 29-06-1975 - Art.1,§1 Fiche 2 Concl. proc.-gen. M. DE SWAEF, Cass., 20 sept. 2005, AR P.05.0310.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: HANDELSZAAK Vrije woorden: HANDELSZAAK Handelsvestiging Bruto gebouwde oppervlakte Nota: P.05.0310.N Conclusie van Procureur-generaal M. DE SWAEF
(1)Het enige middel voert schending aan van de artikelen 1 en 2 van de Wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen
(1)alsook van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De eisers werden vervolgd voor inbreuk op de artikelen 1 en 2 van de Wet van 29 juni 1975 zoals strafbaar gesteld door artikel 15 van dezelfde wet, met name zonder machtiging verleend aan een ontwerp van handelsvestiging door het college van burgermeester en schepenen, hetzij, een ontwerp van handelsvestiging te hebben uitgevoerd wanneer geen uitgifte van bouwvergunning vereist is, hetzij, een bouwvergunning gebruikt te hebben afgegeven overeenkomstig de bepalingen van de wetgeving op de organisatie van de ruimtelijke ordening en stedenbouw. (2.1) Overeenkomstig artikel 1, ,§ 1, a), 2, van de Wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen wordt voor de toepassing van die wet onder ontwerp van handelsvestiging in een andere zone dan zone 1, verstaan: een ontwerp van nieuw bouwwerk waarbij voorzien wordt in de oprichting van één of meer kleinhandelsbedrijven met een bruto gebouwde oppervlakte van meer dan 600 m2 of met een netto verkoopoppervlakte van meer dan 400 m2. Artikel 1, ,§ 1, c), van dezelfde wet omschrijft voor de toepassing van de wet de bruto gebouwde oppervlakte als de oppervlakte van het gebouw, muren inbegrepen, terwijl overeenkomstig artikel 1, ,§ 1, d), voor de toepassing van die wet onder netto oppervlakte moet worden verstaan, de oppervlakte bestemd voor de verkoop en toegankelijk voor het publiek. Het Arbitragehof zag geen probleem in het naast elkaar bestaan van deze beide criteria, met name de bruto gebouwde oppervlakte en de nettoverkoopoppervlakte van de betrokken handelsexploitatie waardoor ook handelsvestigingen met een nettoverkoopoppervlakte van ten hoogste 400 m2 die gesitueerd zijn binnen de gebouwen waarvan de bruto gebouwde oppervlakte de vooropgestelde norm overschrijdt eveneens machtiging dienen te verkrijgen; dit maakt het immers mogelijk de in de tijd gespreide opdeling en inrichting van handelsexploitaties in een zelfde gebouw waarvan de bruto gebouwde oppervlakte de maximumnorm overschrijdt, te verhinderen
(2). (2.2) Blijkens de niet-betwiste vaststellingen van het vonnis a quo werd op 13 mei 1987 voor het pand van de tweede eiseres een bouwvergunning afgeleverd; het gebouw, bestaande uit een handel in textielwaren, een magazijn en een privé-woning, had een bruto gebouwde oppervlakte van 546 m
- In het jaar 2000 werd het pand evenwel uitgebreid met burelen, een garage en een opslagplaats met een bruto bebouwde oppervlakte van 226,5 m
- Gelet op het feit dat de totale gebouwde oppervlakte 600 m2 overschreed dienden de eisers derhalve over een machtiging zoals bepaald in artikel 2 van de Wet van 29 juni 1975 te beschikken. In het eerste onderdeel van het middel voeren eisers nu evenwel aan dat oppervlakten waarop geen directe commerciële activiteit kan worden uitgeoefend en die evenmin gelieerd zijn met de uitoefening van de commerciële activiteit, niet behoren tot de bruto gebouwde oppervlakte. Meer bepaald kan volgens eisers de oppervlakte die uitsluitend wordt ingenomen door een privé-woning niet in de bruto gebouwde oppervlakte van de handelsvestiging worden begrepen. (2.3) De doelstelling van de Wet van 29 juni 1975 lag erin het samengaan van de geïntegreerde grootdistributie en de kleindistributie te organiseren
(3). Waar immers het expansiebeleid van distributieondernemingen tot op dat moment enkel werd beperkt door de wetgeving inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, was de wetgever van oordeel dat het ontbreken van elementen die een beoordeling van de economische en sociale aspecten van het ontwerp mogelijk maken, een leemte uitmaakte die diende te worden aangevuld
(4). Deze studie van sociaal-economische aard dient betrekking te hebben op de ruimtelijke lokalisatie van het handelsapparaat, het belang van de verbruikers, de weerslag op de tewerkstelling en de invloed van een eventuele vestiging op de reeds bestaande handel
(5). Te dien einde omschrijft artikel 2 van de Wet duidelijk het voorwerp van de wet, met name dat de afgifte van de toelating volgt op een sociaal-economisch onderzoek
(6). De door de wet geviseerde ontwerpen zijn derhalve onderworpen aan een machtiging die verleend wordt door het college van burgemeester en schepenen van de voorgenomen vestigingsplaats, hetzij voor het gebruiken van de bouwvergunning afgegeven overeenkomstig de bepalingen van de wetgeving op de organisatie van de ruimtelijke ordening en stedenbouw, hetzij voor het uitvoeren van de ontwerpen wanneer geen afgifte van bouwvergunning vereist is
(7). Geen vestiging van een handelsbedrijf van een bepaalde grootte is daardoor mogelijk dan met een speciale, in de regel door het college van burgemeester en schepenen van de plaats van vestiging te verlenen toelating
(8). (2.4) De wetgever heeft niet uitdrukkelijk aangeduid of een privaat gedeelte van een gebouw al dan niet kan deel uitmaken van de bruto gebouwde oppervlakte zoals omschreven in artikel 1, ,§ 1, c), van de Wet van 29 juni 1975. In de bevoegde kamercommissie werd enkel verduidelijkt dat het voldoende was dat ofwel de maximum bruto gebouwde oppervlakte ofwel de maximum netto-verkoopsoppervlakte wordt bereikt, om onder het toepassingsgebied van de wet te vallen en dat onder verkoopsoppervlakte de ruimte wordt verstaan waar de verbruiker kan binnentreden of die toegankelijk is voor de verbruiker
(9). Een ingetrokken amendement van de heer Verberckmoes strekte er evenwel toe in artikel 1 te spreken over bebouwde oppervlakte waarmee gans de oppervlakte waar het bedrijf gevestigd is, zou bedoeld worden omdat er in het aanvankelijke ontwerp slechts sprake was van gebouwde oppervlakte hetgeen volgens de indiener van het amendement inhield dat geen rekening werd gehouden met de oppervlakten die door deze bedrijven voor allerlei "diensten" konden worden aangewend
(10). Uit de motivering voor het indienen van dit amendement zou kunnen worden afgeleid dat onder de bedoelde oppervlakte zou moeten worden begrepen die delen die voor diensten kunnen worden aangewend. (2.5) Het door de Minister van Middenstand gegeven antwoord op twee schriftelijke parlementaire vragen, brengt evenwel wat meer verduidelijking omtrent de wijze waarop de bruto gebouwde oppervlakte moet worden ingevuld. In antwoord op schriftelijke vraag nr. 33 van de heer Annemans van 10 april 1987 betreffende de aangewende criteria voor de berekening van de oppervlakte, antwoordde de minister dat het sociaal-economische comité
(11)het begrip bruto bebouwde oppervlakte steeds geïnterpreteerd heeft als zijnde de oppervlakte die voor handelsdoeleinden wordt of kan worden aangewend. "Hiertoe behoren zowel de leegstaande ruimtes binnen een gebouw als de effectief voor handelsdoeleinden aangewende bruto handelsoppervlakte, die onder meer de oppervlakte bestemd voor de verkoop en toegankelijk voor het publiek (netto oppervlakte), de werkplaatsen, de technische en de sociale ruimten omvat." De minister verduidelijkte in zijn antwoord nog dat een parking in openlucht, de opritten en bijhorende nutsvoorzieningen bij de beoordeling van de inplantingsaanvragen door het sociaal-economisch comité nooit tot de bruto oppervlakte werden gerekend en dat per analogie dit principe ook werd toegepast bij dakparkings en hun opritten vermits het oppervlakten betreft waarop geen directe commerciële activiteit wordt of kan worden uitgeoefend en die niet onontbeerlijk zijn voor een handeluitbating. "Dit standpunt van het comité beantwoordt niet alleen aan de geest van de wet, maar vindt ook zijn oorsprong in een interpretatie van artikel 1, ,§ 1, c), van de wet van 29 juni 1975. Onder bruto gebouwde oppervlakte dient immers te worden verstaan de oppervlakte van het gebouw, muren inbegrepen. Het is evident dat parkings, opritten en aanhorigheden zich buiten de muren van het eigenlijke handelsgebouw bevinden en als elementen extra muros mogen beschouwd worden
(12)." Een identiek antwoord werd door de minister nogmaals gegeven op een andere schriftelijke parlementaire vraag, met name op schriftelijke vraag nr. 45 van de heer Annemans van 5 juni 1987
(13). (2.6) Uit het voorgaande blijkt dat het voldoende is dat een oppervlakte voor handelsdoeleinden kán worden gebruikt, om deel uit te maken van de bruto gebouwde oppervlakte bedoeld in artikel 1, ,§ 1, c), van de wet van 29 juni 1975. De mogelijkheid dat een oppervlakte wordt gebruikt voor handelsdoeleinden ook al is dit op een bepaald ogenblik (nog) niet het geval is derhalve voldoende om dat deel van de oppervlakte ook te beschouwen als deel van de bruto gebouwde oppervlakte. Zulks strookt met de intentie van de wetgever. Hoewel een deel van de gebouwde oppervlakte op een bepaald ogenblik als privaat wordt bestempeld omdat dat deel op dat moment wordt gebruikt voor bewoning, is het immers niet uitgesloten dat dat gedeelte naderhand toch als oppervlakte voor handelsdoeleinden kan worden gebruikt. Indien men van oordeel zou zijn dat een privaat gedeelte niet meetelt voor de berekening van de bruto gebouwde oppervlakte, zijn misbruiken niet uit te sluiten. Het zou immers al te gemakkelijk zijn om een bepaald deel van de oppervlakte in eerste instantie als privaat te bestempelen zodat dat deel niet meetelt voor de berekening van de totale bruto gebouwde oppervlakte, en het naderhand toch voor handelsdoeleinden aan te wenden zonder dat de in artikel 2 van de wet van 29 juni 1975 bedoelde machtiging zou moeten worden gevraagd. Om de doeltreffendheid van de wet te garanderen, is het dan ook logisch een eventueel privaat gedeelte van de oppervlakte te beschouwen als deel van de bruto gebouwde oppervlakte: dat privaat gedeelte wordt weliswaar niet voor handelsdoeleinden gebruikt doch kan daarvoor niettemin wel worden aangewend. Dergelijke interpretatie van het begrip bruto gebouwde oppervlakte is derhalve conform met de criteria die door het Sociaal-Economisch comité worden gehanteerd en met de intentie van de wetgever. Die intentie is immers misbruiken tegen te gaan; ook uit de omschrijving van de strafbepaling van artikel 15 van de wet van 29 juni 1975 meer bepaald uit de woorden "hoe dan ook" blijkt overigens ontegensprekelijk de intentie van de wetgever om elke, zelfs verholen, gedraging die indruist tegen de wet te viseren
(14). Het eerste onderdeel is dan ook niet gegrond.
(3)In het tweede onderdeel van het middel wordt aangevoerd dat artikel 1, ,§ 1, c), van de wet van 29 juni 1975 indien het, zoals in het bestreden arrest, wordt uitgelegd dat de oppervlakte van de privé-woning die gelegen is in een gebouw waarin de kleinhandelszaak wordt uitgebaat, mee dient verrekend in de totale bruto gebouwde oppervlakte van de handelsvestiging, een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Er wordt volgens de eisers dan immers door de door de appelrechters gegeven uitlegging van artikel 1, ,§ 1, c), van de wet van 29 juni 1975 een verboden ongelijkheid gecreëerd tussen enerzijds kleinhandelaars waarvan de privé-woning gevestigd is binnen het gebouw waarin de kleinhandelszaak wordt uitgebaat en anderzijds kleinhandelaars waarvan de privé-woning buiten dit gebouw is gelegen. Eisers vragen het Hof evenwel niet een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof omtrent deze beweerde ongelijkheid. Overeenkomstig artikel 26, ,§ 1, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 komt het aan het Arbitragehof toe om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de schending door een wet, decreet of in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen van Titel II van de Grondwet, waartoe ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet behoren. Dit houdt in dat het Hof van Cassatie niet bevoegd is om uitspraak te doen over de voorgehouden schending van de Grondwet door artikel 1, ,§ 1, c), van de Wet van 29 juni 1975. Het onderdeel kan dan ook niet worden aangenomen. Conclusie: verwerping. ___________________________
(1)B.S. 1 juli 1975.
(2)Arbitragehof nr. 123/98 van 3 december 1998, B.S. 12 februari 1999. Het Arbitragehof zegde in dat arrest dan ook voor recht dat artikel 1, ,§ 1, a), 1°, van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen, gelezen in samenhang met artikel 2 van dezelfde wet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Het in het geding zijnde verschil in behandeling waarover het Arbitragehof diende te oordelen bestond er immers in dat de exploitant van een handelszaak waarvan de nettoverkoopoppervlakte 400 m2 of minder bedraagt en die is gevestigd in een gebouw met een bruto gebouwde oppervlakte van ten hoogste 600 m2, geen sociaal-economische vergunning behoeft, terwijl de exploitant van een handelszaak waarvan de nettoverkoopoppervlakte eveneens 400 m2 of minder bedraagt, doch die is gevestigd in een gebouw met een bruto gebouwde oppervlakte van meer dan 600 m2, wel degelijk een sociaal-economische vergunning nodig heeft.
(3)M. STERKENS, "Handelsvestigingen", in Commentaar Strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2002, losbl., nr. 2. Zie verder ook voor de achterliggende redenen om de wet uit te vaardigen: B. PAQUES, "La notion de "complexe commercial" dans le cadre de la loi du 29 juin 1975 relative aux implantations commerciales", Rev. dr. comm. 1995/1,
(12)12-13.
(4)Memorie van Toelichting, Parl. St. Senaat, 1974-75, nr. 584-1, p. 2.
(5)Uiteenzetting van de Minister van Middenstand zoals aangehaald in het Verslag van mevr. Verdin-Leenaers, Parl. St. Senaat, 1974-75, nr. 584-2, p. 6. Vergelijk: Verslag van de heer Verhaegen, Parl. St. Kamer, 1974-75, nr. 609-5, p.11.
(6)Memorie van Toelichting, Parl. St. Senaat, 1974-75, nr. 584-1, p. 4.
(7)M. STERKENS, l.c., nr. 3.
(8)Advies van de Raad van State, Parl. St. Senaat, 1974-75, nr. 584-1, p. 16.
(9)Verslag van de heer Verhaegen, Parl. St. Kamer, 1974-75, nr. 609-5, p.14-15.
(10)Parl. St. Kamer, 1974-75, nr. 609-2, p. 2.
(11)Dit comité dient overeenkomstig artikel 9 van de wet van 29 juni 1975 advies te verlenen.
(12)Bull. Vragen en Antwoorden, Kamer, 12 mei 1987, 2644.
(13)Bull. Vragen en Antwoorden, Kamer, 7 juli 1987, 3390.
(14)Cfr. M. STERKENS, l.c., nr.
- Tekst van de beslissing Nr. P.05.0310.N
- D C P G P,
- VERBUECKEN nv, met zetel te Herentals, Aarschotseweg 9, eisers, beklaagden, met als raadsman Mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 26 januari 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers stellen in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van het middel
- Eerste onderdeel Overwegende dat het artikel 2 van de wet van 29 juni 1975 de ontwerpen van handelsvestiging, bedoeld in artikel 1, ,§ 1, a, onderwerpt aan een machtiging verleend door het college van burgemeester en schepenen hetzij voor het gebruiken van de bouwvergunning, afgegeven overeenkomstig de bepalingen van de wetgeving op de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, hetzij voor het uitvoeren van de ontwerpen wanneer geen afgifte van bouwvergunning vereist is; Overwegende dat het artikel 1, ,§ 1, de door de wet gebruikte begrippen definieert; dat het daarbij onderscheid maakt tussen "bruto gebouwde oppervlakte: oppervlakte van het gebouw, muren inbegrepen" en "netto oppervlakte: de oppervlakte bestemd voor de verkoop en toegankelijk voor het publiek"; dat de bruto gebouwde oppervlakte betrekking heeft op de hele bebouwde oppervlakte die voor handelsdoeleinden wordt of kan worden aangewend; dat de omstandigheid dat een deel van de oppervlakte bestemd wordt voor bewoning hieraan niet afdoet, daar ook dit deel van het gebouwde nog altijd voor handelsdoeleinden kan worden aangewend; Dat het onderdeel faalt naar recht;
- Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel aanvoert dat de uitlegging die het bestreden arrest aan het begrip "bruto gebouwde oppervlakte" geeft, een schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals vervat in de artikelen 10 en 11 Grondwet, inhoudt omdat die uitlegging een verboden ongelijkheid creëert tussen, enerzijds, kleinhandelaars waarvan de privé-woning gevestigd is binnen het gebouw waarin de kleinhandelszaak wordt uitgebaat en, anderzijds, kleinhandelaars waarvan de privé-woning buiten dit gebouw, maar desgevallend wel op hetzelfde perceel, is gelegen; Overwegende dat het Hof de bevoegdheid niet heeft dergelijk verweer te beoordelen; dat er geen grond is daarover ambtshalve een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van drieënzestig euro negenendertig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne en uitgesproken in openbare terechtzitting van twintig september tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050920.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div