id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050922.11 Rolnummer: D.05.0004.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-02-14 Raadplegingen: 191 - laatst gezien 2026-07-03 11:22 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 De aanwijzing van een andere rechter om de verhinderde rechter op het ogenblik van de uitspraak te vervangen geschiedt door de voorzitter van het gerecht, ook indien hij de zitting heeft voorgezeten
(1).
(1)Zie Cass., 14 juni 2004, AR S.04.0001.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040614.10, nr
- Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: RECHTBANKEN - TUCHTZAKEN Algemeen Vonnis Uitspraak Verhinderde rechter Vervanging Aanwijzing door de voorzitter die de zitting heeft voorgezeten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Art.779 Vrije woorden: RECHT VAN VERDEDIGING - TUCHTZAKEN Orde der apothekers Raad van beroep Tuchtvordering Uitspraak Verhinderde rechter Vervanging Aanwijzing door de voorzitter die de zitting heeft voorgezeten RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Algemeen beginsel van het recht van verdediging Tuchtzaken Orde der apothekers Raad van beroep Tuchtvordering Uitspraak Verhinderde rechter Vervanging Aanwijzing door de voorzitter die de zitting heeft voorgezeten RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Onpartijdigheid van de rechter Tuchtzaken Orde der apothekers Raad van beroep Tuchtvordering Uitspraak Verhinderde rechter Vervanging Aanwijzing door de voorzitter die de zitting heeft voorgezeten Tekst van de beslissing Nr. D.05.0004.N V.K., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, tegen
- NATIONALE RAAD VAN DE ORDE VAN APOTHEKERS, met zetel te 1060 Brussel, Henri Jasparlaan 94,
- B.W., in zijn hoedanigheid van voorzitter van de nationale raad van de Orde van apothekers, gevestigd te 1060 Brussel, Henri Jasparlaan 94,
- A.J., emeritus eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Brussel, in zijn hoedanigheid van magistraat-bijzitter van voormelde nationale raad, verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing van de Nederlandstalige raad van beroep van de Orde van apothekers van 10 maart
- II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zoals goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, (Belgisch Staatsblad, 19 augustus 1955). Aangevochten beslissingen De aangevochten beslissing verwerpt het verweer van eiser dat de redelijke termijn van berechting werd overschreden en verklaart het hoger beroep van eiser ongegrond en het hoger beroep van de voorzitter en de magistraat-assessor van de nationale raad gegrond en beslist eiser te schrappen van de lijst van de Orde der apothekers op grond van volgend motief : "De redelijke termijn van berechting werd te dezen niet overschreden, daar de tuchtvervolging werd ingesteld binnen een korte tijd na de veroordelingen door de strafrechter en er tijdens de behandeling geen onnodige vertragingen zijn geweest" (aangevochten beslissing, pagina 9 in fine). Grieven
- Krachtens artikel 6 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft "bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvordering (...) eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn (...)". Ook de tuchtrechter, gevat van een vordering tot schrapping minstens van schorsing gedurende een termijn van twee jaar, moet bijgevolg rekening houden met het recht van de beklaagde om berecht te worden binnen een redelijke termijn. De strafrechtspleging begint met de beschuldiging en eindigt met de afwikkeling van de volledige procedure met inbegrip van alle rechtsmiddelen. Onder beschuldiging dient te worden verstaan de kennisgeving aan de verdachte van de inbreuk op de strafwet hetgeen kan plaatsvinden door huiszoekingen in de kantoren en in de woning van de later in verdenking gestelde persoon. Vanaf de beschuldiging heeft een verdachte het recht om binnen een "redelijke termijn" berecht te worden voor de laakbare feiten waarvan hij beschuldigd wordt en dus niet langer dan redelijk is in de onzekerheid te worden gelaten over de uitkomst van zijn proces. Wanneer een tuchtprocedure gesteund is op dezelfde als voor de strafrechter vervolgde strafbare feiten omdat die de eer en de waardigheid van het beroep, waarover de tuchtinstanties dienen te waken, in het gedrang hebben gebracht, moet de redelijke termijn waarvan sprake in artikel 6 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aldus worden begrepen dat deze termijn een aanvang neemt te rekenen vanaf de beschuldiging in het raam van het strafonderzoek tegen welke strafbare feiten de beklaagde zich dient te verweren doch niet te rekenen vanaf de aanvang van de tuchtprocedure wegens dezelfde feiten na de veroordeling door de strafrechter.
- De aangevochten beslissing stelt dat de redelijke termijn van berechting "te dezen niet werd overschreden, daar de tuchtvordering werd ingesteld binnen een korte termijn na de veroordelingen door de strafrechter en er tijdens de behandeling geen onnodige vertragingen zijn geweest". De aangevochten beslissing neemt dus voor de evaluatie of de redelijke termijn al dan niet werd overschreden slechts in aanmerking de duur van de tuchtrechtelijke procedure en maakt abstractie van de strafprocedure niettegenstaande de omstandigheid dat beide procedures gesteund zijn op dezelfde ten laste gelegde feiten.
- Door, bij de evaluatie of de redelijke termijn van berechting zoals vereist door artikel 6 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet werd geschonden, als aanvangsdatum van de redelijke termijn slechts in aanmerking te nemen de aanvang van de tuchtvervolging na de veroordelingen door de strafrechter en niet de inbeschuldigingstelling, in het raam van de strafprocedure, voor strafbare feiten waarvoor eiser naderhand eveneens voor de tuchtrechter werd vervolgd, schendt de onderzochte beslissing de term "redelijke termijn" en, mitsdien, artikel 6 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 2 en 779, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek ; het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging ; het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter. Aangevochten beslissingen De debatten, beraadslaging en deliberatie voorafgaand aan de aangevochten beslissing werden voorgezeten en de aangevochten beslissing mede ondertekend door dezelfde magistraat als deze die de beschikking heeft gewezen, op grond van de artikelen 778 en 779 van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij apotheker R.D.P. werd aangewezen om apotheker M.B.B. te vervangen op het ogenblik van de uitspraak. Grieven
- Ingevolge artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de in dat wetboek gestelde gemeenrechterlijke procedureregels van toepassing in tuchtzaken behalve wanneer de rechtsplegingen betreffende die zaak geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven afwijkende wetsbepalingen. Bij afwezigheid van afwijkende wettelijke bepalingen, was artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek bijgevolg in casu van toepassing. Krachtens artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek moeten de leden van het tuchtgerecht die aan de beslissing hebben meegewerkt, noodzakelijkerwijze de zitting bijwonen waarop zij wordt uitgesproken, behoudens toepassing van artikel 779, tweede lid. Krachtens artikel 779, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan, wanneer één van de rechters die heeft deelgenomen aan de beraadslagingen doch op het ogenblik van de uitspraak van de beslissing wettig verhinderd is de uitspraak bij te wonen van het vonnis waarover hij mede heeft beraadslaagd overeenkomstig artikel 778, de voorzitter van het gerecht evenwel een andere rechter aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. Alleen de door de voorzitter van het gerecht of diens vervanger aangeduide rechter mag aan de uitspraak deelnemen. Met de woorden "voorzitter van het gerecht" vereist artikel 779, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat het de korpsoverste of diens, overeenkomstig artikel 319 van het Gerechtelijk Wetboek aangeduide, vervanger en niet de voorzitter van de betrokken kamer is die de rechter aanwijst die de rechter, die heeft deelgenomen aan de beraadslagingen doch op het ogenblik van de uitspraak van de beslissing wettig verhinderd is, dient te vervangen. Daaruit volgt dat de hoedanigheid van voorzitter van het gerecht of van diens vervanger en deze van voorzitter van de kamer die de zaak berecht niet kunnen uitgeoefend worden door één en dezelfde magistraat. Door te preciseren dat de beschikking op grond van artikel 779, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek moet genomen worden door de "voorzitter van het gerecht" is het de bedoeling van de wetgever te vermijden dat een andere persoon dan de voorzitter van de kamer die de zaak berecht de door artikel 779, tweede lid, geviseerde beschikking verleende ten einde zoveel als mogelijk uit te sluiten dat een voorzitter, ontevreden over een beraadslaging conform artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek, op eigen houtje een rechter uit de beraadslaging zou kunnen verwijderen. Daarom dat de wetgever de beslissing een rechter te laten vervangen op de dag van de uitspraak door een collega eerder dan de uitspraak uit te stellen, uitdrukkelijk voorbehield aan de korpsoverste van het gerecht in kwestie (of aan diens vervanger). Het vereiste dat de beschikking op grond van artikel 779, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek moet genomen worden door de voorzitter van het gerecht die niet dezelfde magistraat mag zijn als de voorzitter van de kamer die de zaak berecht, is dus een garantie voor de rechtzoekende, in casu de tuchtbeklaagde en maakt dus deel uit van de rechten van de verdediging. Bovendien moet ten aanzien van de beklaagde, het weze in het raam van éénder welke procedure, als was het maar de schijn gevrijwaard worden dat de vervanging van een rechter die aan de beraadslaging heeft deelgenomen, wel degelijk het gevolg is van diens wettige verhindering om bij de uitspraak aanwezig te zijn, hetgeen door de tussenkomst van de voorzitter van het gerecht wordt gegarandeerd, en niet tengevolge van moeilijkheden in het raam van de beraadslaging. Door het optreden van éénzelfde magistraat zowel in het raam van de berechting van de zaak als naar aanleiding van de beschikking genomen op grond van artikel 779, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt bij de beklaagde de schijn gewekt dat een voor hem gunstige rechter wordt verwijderd en wordt vervangen door een rechter die de jegens hem uitgesproken veroordeling en straftoemeting wel gunstig is gestemd waardoor het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de rechter, door het bestaan van deze enkele schijn, wordt geschonden.
- Op 10 maart 2005 werd door mevrouw V.I. , in haar hoedanigheid van voorzitter van de Nederlandstalige raad van beroep van de Orde van apothekers, op grond van de artikelen 778 en 779 van het Gerechtelijk Wetboek, een beschikking gewezen waarbij apotheker R.D.P. werd aangewezen om apotheker M.B.B. te vervangen op het ogenblik van de uitspraak. Bij koninklijk besluit van 4 juli 2004 werd mevrouw V.I. inderdaad als voorzitter van de Nederlandstalige raad van beroep van de Orde van apothekers benoemd. Uit de aangevochten beslissing blijkt dat mevrouw V.I. tevens de kamer voorzat die de aangevochten beslissing wees zodat mevrouw V.I. beide hoedanigheden van kamervoorzitter en van voorzitter van de raad van beroep van de Orde van apothekers cumuleerde en zonder dat, overeenkomstig artikel 319 van het Gerechtelijk Wetboek, een dienstdoende voorzitter werd aangewezen om de beschikking te wijzen tot aanstelling van apotheker R.D.P. om apotheker M.B.B. te vervangen.
- Doordat de beschikking van 10 maart 2005, waarbij apotheker R.D.P.op grond van artikel 779, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, werd aangewezen om apotheker M.B.B. te vervangen, werd gewezen door dezelfde magistraat die de debatten voorzat in de zaak waarin de aangevochten beslissing was gewezen en die over de aangevochten beslissing mede had beraadslaagd en deze beslissing heeft ondertekend, met als gevolg dat eiser de garantie verloor die de tussenkomst van een plaatsvervangende voorzitter van de Nederlandstalige raad van beroep van de Orde van apothekers in het raam van artikel 779, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek hem bood en dat al was het maar de schijn werd gecreëerd van een partijdigheid en afhankelijkheid van de rechter, schendt de aangevochten beslissing de artikelen 2 en 779, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en van de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de rechter. IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat het onderdeel de bestreden beslissing verwijt dat zij voor de evaluatie of de redelijke termijn al dan niet werd overschreden, slechts de duur van de tuchtrechtelijke procedure in aanmerking neemt en abstractie maakt van de strafprocedure, niettegenstaande de omstandigheid dat de beide procedures steunen op dezelfde ten laste gelegde feiten ; Overwegende dat de bestreden beslissing oordeelt dat de redelijke termijn van de tuchtrechtelijke berechting te dezen niet werd overschreden "daar de tuchtvordering werd ingesteld binnen een korte termijn na de veroordeling door de strafrechter en er tijdens de behandeling geen onnodige vertragingen zijn geweest" ; Dat de bestreden beslissing aldus beide rechtsplegingen in de beoordeling betrekt ; Dat het middel feitelijke grondslag mist ;
- Tweede middel Overwegende dat artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek krachtens artikel 2 van datzelfde wetboek, toepasselijk is in tuchtzaken ; Dat, krachtens het tweede lid van artikel 779, wanneer een rechter wettig verhinderd is de uitspraak bij te wonen van een vonnis waarover hij mede heeft beraadslaagd, de voorzitter van het gerecht een andere rechter kan aanwijzen om de verhinderde rechter op het ogenblik van de uitspraak te vervangen ; Dat noch de wet noch de aangewezen algemene rechtsbeginselen hierbij uitsluiten dat de voorzitter van het gerecht die ook de zitting heeft voorgezeten de beschikking zou kunnen nemen ; dat dit met name niet verboden is wanneer zoals te dezen de voorzitter van het gerecht, dit is de raad van beroep van de Orde der apothekers, ook in de regel de zittingen moet voorzitten ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van driehonderd vijftig euro jegens de eisende partij en op de som van honderd en negen euro zevenenzestig cent jegens de verwerende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig september tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050922.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040614.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div