← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050922.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050922.6 Rolnummer: C.03.0427.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-12-21 Raadplegingen: 722 - laatst gezien 2026-07-04 14:26 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het hoger beroep tegen de beslissingen door de vrederechter in eerste aanleg gewezen inzake geschillen tussen kooplieden betreffende handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt of inzake geschillen betreffende wisselbrieven, worden voor de rechtbank van koophandel gebracht, ook als die geschillen tot de bijzondere bevoegdheid van de vrederechter behoorden

(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) Vrije woorden: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) Vonnissen van de vrederechters Partijen Kooplieden Geschil Appèlrechter Bepaling Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.577,tweed Fiche 2 Wanneer het Hof van Cassatie een beslissing vernietigt wegens schending van een regel inzake bevoegdheid, verwijst het de zaak zo nodig steeds naar de bevoegde rechter die het aanwijst
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschil inzake bevoegdheid Vrije woorden: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschil inzake bevoegdheid Hof van Cassatie Verwijzing na cassatie Rechter naar wie de zaak is verwezen Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.660 Fiche 3 Wanneer het Hof van Cassatie de beslissing vernietigt van de rechtbank van eerste aanleg die zich ten onrechte bevoegd verklaarde om kennis te nemen van het hoger beroep tegen een vonnis van de vrederechter dat uitspraak doet over een geschil tussen kooplieden betreffende handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt, verwijst het de zaak naar een rechtbank van koophandel
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Rechtbank van eerste aanleg Appèlrechter Beslissing Bevoegdheid Cassatie Verwijzing Bevoegde rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.577,tweed Fiches 4 - 6 Concl. adv.-gen. M. Timperman, Cass., 22 sept. 2005, AR C.03.0427.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) Vrije woorden: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) Vonnissen van de vrederechters Partijen Kooplieden Geschil Appèlrechter Bepaling Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschil inzake bevoegdheid Vrije woorden: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschil inzake bevoegdheid Hof van Cassatie Verwijzing na cassatie Rechter naar wie de zaak is verwezen Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Rechtbank van eerste aanleg Appèlrechter Beslissing Bevoegdheid Cassatie Verwijzing Bevoegde rechter Nota: C.03.0427.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE 1. In deze is de problematiek aan de orde of de rechtbank van Eerste Aanleg als appèlrechter bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep tegen een vonnis van de Vrederechter in een geschil waarin, zoals in casu, de Vrederechter zich bevoegd achtte op grond van zijn bijzondere of uitsluitende bevoegdheid
(1)maar dat liep tussen kooplieden en daden van koophandel tot voorwerp had. 2. Eiseres, die voor de appèlrechters de bevoegdheid van de Vrederechter betwistte, had het middel met betrekking tot de onbevoegdheid van de rechtbank van Eerste Aanleg als appèlrechter weliswaar niet opgeworpen doch argumenteert in het aangevoerde middel tot cassatie dat de rechtbank haar materiële bevoegdheid ambtshalve had dienen te onderzoeken nu uit de procedurestukken bleek dat het voorwerp van het geschil een verbintenis tussen kooplieden betrof die geen oorzaak had vreemd aan de koophandel
(2). 3. Uw Hof besliste eerder reeds meermaals
(3)dat in voorkomend geval de rechtbank van Koophandel bevoegd is als appèlrechter. De appèlbevoegdheid van de rechtbank van Koophandel krachtens het voorschrift van artikel 577, alinea 2 Gerechtelijk Wetboek is een exclusieve bevoegdheid; de volheid van bevoegdheid van de rechtbank van Eerste Aanleg in de zin van artikel 568 Gerechtelijk Wetboek speelt enkel in eerste aanleg en geldt niet in graad van beroep
(4). Het gegeven dat het geschil tot de bijzondere of uitsluitende bevoegdheid van de Vrederechter behoort staat evenmin de toepassing van artikel 577, alinea 2 Gerechtelijk Wetboek in de weg. De bevoegdheid ratione materiae van een rechtscollege kan krachtens artikel 9, alinea 2 Gerechtelijk wetboek niet worden uitgebreid tenzij de wet anders bepaalt. Deze bevoegdheid raakt de openbare orde
(5)zodat de rechter zelfs bij stilzwijgen van partijen zijn bevoegdheid ambtshalve moet nagaan
(6). Uit het hogere alsmede uit de vaststellingen van de appèlrechters met betrekking tot de hoedanigheid van partijen en de inhoud van de overeenkomst die hen verbond volgt dat de appelrechters niet zonder minstens de schending van de artikelen 9 en 577 Gerechtelijk Wetboek kennis konden nemen van het hoger beroep tegen het vonnis door de Vrederechter tussen partijen gewezen. Conclusie: het middel is gegrond; vernietiging van de bestreden beslissing. 4. Overeenkomstig de draagwijdte die Uw Hof in een constante rechtspraak gaf aan artikel 660, alinea 1, Gerechtelijk Wetboek zal in geval van vernietiging, wegens schending van een regel inzake bevoegdheid, van een beslissing van een ander gerecht dan de arrondissementsrechtbank, de zaak verwezen worden naar 'het gerecht in hoogste feitelijke aanleg als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft'
(7). Dit impliceert dat in voorliggend geval artikel 660, alinea 1, Gerechtelijk Wetboek niet wordt toegepast
(8)en dat Uw Hof normaliter, anders dan wanneer het een beslissing van de arrondissementsrechtbank zou vernietigen
(9), de zaak zou moeten verwijzen naar een rechtbank van Eerste Aanleg zetelend in graad van beroep. Waarom dit onderscheid wordt gemaakt is niet zonder meer duidelijk
(10). Vanuit proceseconomische overwegingen kan men zich vragen stellen bij de weigering van het Hof om onmiddellijk te verwijzen. (...) Ten aanzien van de justitiabelen, die alleen geïnteresseerd zijn in het bekomen van een oplossing van het geschil dat zij aan de rechter hebben voorgelegd, is het zeker geen toonbeeld van efficiëntie. Deze bedenkingen roepen de vraag op of artikel 660 Gerechtelijk Wetboek andere oplossingen toelaat dan diegene die gebruikelijk zijn en in de rechtspraak van Uw Hof verankerd liggen. 5. Men zou kunnen stellen dat artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek een algemene verwijzingsregel bevat voor het geval dat Uw Hof een beslissing casseert, en dat artikel 660 van hetzelfde wetboek toelaat
(11)om daar van af te wijken voor zover aan de voorwaarden van dat artikel is voldaan. De vraag die dan kan geformuleerd worden is of het door Uw Hof gehanteerde onderscheid
(12)in het benutten van die door artikel 660 Gerechtelijk Wetboek geboden mogelijkheid nog kan worden gehandhaafd? De door artikel 660 Gerechtelijk Wetboek gestelde voorwaarde dat het moet gaan om 'een beslissing betreffende de bevoegdheid' is immers niet alleen voldaan wanneer het Hof uitspraak doet over een bevoegdheidsbeslissing uitgaande van een arrondissementsrechtbank
(13), doch ook in geval enig ander rechtscollege zich uitspreekt over de bevoegdheid
(14)en het Hof statueert op de voorziening tegen die beslissing. In beide gevallen is de voorziening gericht tegen een beslissing inzake bevoegdheid. Artikel 642 Gerechtelijk Wetboek dat uitdrukkelijk bepaalt dat het enige rechtsmiddel tegen de beslissing van de arrondissementsrechtbank inzake de bevoegdheid een voorziening is bij het Hof van Cassatie, ingeleid door de Procureur-generaal bij het hof van beroep, doet daaraan niets af: deze specifieke regeling raakt niet aan het karakter van de bevoegdheidsbeslissing zelf. Deze laatste verschilt niet van een dergelijke beslissing genomen door de 'gewone' rechter. Evenmin lijkt de specificiteit van de arrondissementsrechtbank het verschil in aanpak te kunnen verantwoorden. Het kan niet betwist worden dat de wetgever deze rechtbanken in het leven heeft geroepen om een snelle oplossing van bevoegdheidsconflicten mogelijk te maken en aldus op dit punt een soort snelrecht te introduceren.
(15)De arrondissementsrechtbank kan uitspraak doen over de bevoegdheid indien de verwijzing van het bevoegdheidsgeschil wordt gevorderd door de eiser of door de rechter ambtshalve. Dit belet echter niet dat het mogelijk blijft dat het bevoegdheidsconflict toch wordt opgelost door de rechter bij wie het geschil in eerste instantie aanhangig is gemaakt zodat er geen enkel kwalitatief of juridisch verschil is tussen de beslissing die de arrondissementsrechtbank dan wel enige andere rechter neemt op dit punt. Het argument van de snelle conflictoplossing, grondslag van de initiële keuze van de wetgever voor de specifieke inrichting van de arrondissementsrechtbanken, dat zich doorzet in de rechtspraak van Uw Hof met betrekking tot de hieraan verbonden cassatieprocedure, kan onverminderd gelden in de andere gevallen dat Uw Hof uitspraak moet doen over een aangevochten bevoegdheidsbeslissing zodat een onmiddellijke verwijzing, zo nodig, ook in die gevallen aangewezen voorkomt. Voorstanders van de onmiddellijke verwijzing
(16)wijzen er verder op dat een beslissing van het Hof omtrent de bevoegdheid geen verband houdt met de grond van de zaak zodat het Hof in geval van onmiddellijke verwijzing niet in het vaarwater van de feitenrechter terechtkomt. De beslechting van het bevoegdheidsgeschil is een rechtspunt dat voorafgaand aan de behandeling van het eigenlijke geschil, de grond van de zaak, wordt afgehandeld; het Hof van Cassatie duidt alleen de rechter aan die bevoegd is om over de grond van de zaak te beslissen. In Frankrijk, dat vergelijkbare teksten heeft inzake verwijzing na cassatie op een bevoegdheidsbeslissing
(17), besliste het Hof van Cassatie in een arrest van 2 juni 1980 en eerder in een arrest van 18 april 1827
(18)om, ook in civiele zaken,
(19)na cassatie van een bevoegdheidsbeslissing onmiddellijk te verwijzen naar de aangewezen bevoegde rechter, ook als deze niet van het hetzelfde niveau is als de rechter die de beslissing gewezen heeft.
(20)6. Quid met de positie van de verwijzingsrechter in geval van onmiddellijke verwijzing? De voorstanders van onmiddellijke verwijzing wijzen er op dat dergelijke verwijzing niet hoeft te betekenen dat de rechter naar wie de zaak verwezen wordt zich moet voegen naar de beslissing van het Hof. Zulke verwijzing zou niet inhouden dat de arresten van het Hof gezag van gewijsde krijgen; de rechter naar wie de zaak verwezen wordt zou zijn vrijheid behouden om de bevoegdheidskwestie opnieuw te onderzoeken.
(21)Het tweede lid van artikel 660 Ger.W. dat bepaalt dat de beslissing betreffende de bevoegdheid de rechter naar wie de vordering wordt verwezen bindt, zou bijgevolg niet van toepassing zijn op het Hof.
(22)De vraag is dan natuurlijk of dit te verzoenen valt met de bewering dat het Hof bij de beslechting van een bevoegdheidsgeschil een rechtspunt beslecht voorafgaand aan de behandeling van de zaak ten gronde? Omtrent deze problematiek, die in de huidige stand van de procedure van de voorliggende zaak hic et nunc weliswaar geen antwoord behoeft, meen ik dat kan aangevoerd worden dat de redenen die inspireren tot een onmiddellijke verwijzing ook gelden om artikel 660, alinea 2 Gerechtelijk wetboek toepasselijk te achten. Er op dit punt een andere stelling op na houden zou er op neer komen dat terug een rem wordt geplaatst op datgene wat men wenste te bespoedigen. Zulke zienswijze hoeft trouwens niet in conflict te komen met het gegeven dat de arresten van het Hof, met uitzondering van het geval bepaald bij artikel 1120 Gerechtelijk Wetboek, geen gezag van gewijsde hebben, van zodra men aanneemt dat het bevoegdheidsgeschil te onderscheiden is van de grond van de zaak en de afwezigheid van het gezag van gewijsde juist (slechts) betrekking heeft op de grond van de zaak. Trouwens wanneer Uw Hof een beslissing van de arrondissementsrechtbank inzake bevoegdheid vernietigt lijkt artikel 660, alinea 2, Gerechtelijk Wetboek ook van toepassing op de verwijzingsrechter. Dit betekent dat deze rechter gebonden is inzake bevoegdheid, maar dat hij verder zijn recht behoudt om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen. Dit houdt dus in dat de door Uw Hof aangewezen rechter verplicht is om kennis te nemen van de zaak en het geschil op te lossen
(23). Waarom zou dan de oplossing, in geval van directe verwijzing na vernietiging van een beslissing over de bevoegdheid van een gewone rechter, anders zijn? 7. Imperatieven van een goede rechtsbedeling doen de noodzaak rijzen dat Uw Hof een wijziging van zijn rechtspraak met betrekking tot het voorschrift van artikel 660 Gerechtelijk Wetboek in overweging neemt. Er lijken geen afdoende argumenten voorhanden te zijn om het gegroeide onderscheid in de toepassing van dit artikel nog langer te legitimeren. De tekst van artikel 660, alinea 1 Gerechtelijk Wetboek laat, zonder daarom een verplichting op te leggen, toe af te wijken van het voorschrift van artikel 1110 van hetzelfde wetboek en bijgevolg direct naar de bevoegde rechter te verwijzen. Van zodra aan een aantal premissen is voldaan, namelijk dat er gecasseerd wordt op grond van de schending van een bevoegdheidsregel en het Hof zich niet inlaat met de grond van de zaak, denk ik dat er niets een directe verwijzing in de weg staat. De aan een directe verwijzing te verbinden gevolgen kunnen binnen een zelfde ratio verdedigd worden
(24). 8. Aan hoger gestelde voorwaarden schijnt in casu te zijn voldaan. Conclusie: Verwijzing naar een rechtbank van Koophandel uit het rechtsgebied. ___________________________
(1)In deze zaak artikel 591, 18° Ger.W.: geschillen betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke produktie.
(2)Het bestreden vonnis op zich stelt reeds vast dat verweerder in cassatie een kippenkweker is die met eiseres is verbonden door een prijsgarantieovereenkomst om gedurende een bepaald aantal kweekronden een aantal braadkuikens te kweken, met uitsluitend van eiseres afgenomen voeders, en dit tegen vaste verkoopprijs.
(3)Cass., 15 februari 1999, AC C.98.0055.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990215.3, nr. 85; Pas. 1999, I, 201, R.W. 1999-2000, 741 met noot J. LAENENS, 'De appèlbevoegdheid van de rechtbank van Koophandel, J.T. 1999, 326; Cass., 7 september 2000, AC C.99.0514.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000907.8, nr. 452.
(4)P. VAN ORSHOVEN, THEMIS gerechtelijk recht 2003, p. 27, nr. 32 en p. 27, nr. 37.
(5)J. LAENENS, Overzicht rechtspraak 1993-2000 inzake bevoegdheid, T.P.R. 2002, p. 1501, nr. 11; P. VAN ORSHOVEN, o.c., P. 23-24, nrs. 20-21.
(6)Cass., 19 april 2002, AR C.01.0014.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020419.8, met conclusie AG Henkes, www.cass.be.
(7)Anders uitgedrukt: in zulk geval wordt de verwijzingsregel vervat in artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek toegepast.
(8)Cass., 28 februari 1975, A.C. 1974-1975, 744; Cass., 5 april 1993, AR 9604, nr. 175; Cass., 7 november 1997, AR C.96.0352.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971107.4, nr. 459; Cass. 15 februari 1999, AR C.98.055.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990215.3, nr. 85; Cass., 7 september 2000, AR C.99.0514.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000907.8, nr. 452.
(9)In dit geval wordt de verwijzingsregel vervat in artikel 1110 Ger.W. opzij gezet ten voordele van het bepaalde in artikel 660, alinea 1, Ger.W. Zie: Cass., 26 maart 1981, A.C. 1980-1981, nr. 433; Cass., 4 februari 1983, AR 3889, nr. 320; Cass., 25 juni 1999, AR C.99.0227.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990625.18, nr. 401; Cass., 31 mei 2003, C.01.0320.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.5, www.cass.be.
(10)Zie P. Lemmens, Gerechtelijk Privaatrecht, Acco Leuven 1991, III.47; F. Van Droogenbroeck, e.a., Centre Ch. Van Reephingen pour le droit judiciaire: 'Les avatars de l'article 660 du Code Judiciaire' in Mélanges offerts à J. Van Compernolle, Brussel, Bruylant, 2004, 816, nr. 31.
(11)Zie artikel 660, alinea 1, Ger.W.: '(...) verwijst iedere beslissing betreffende de bevoegdheid zo nodig naar de bevoegde rechter die zij aanwijst'.
(12)Cfr. supra sub 4.
(13)Zie artikel 642 Ger.W.
(14)In casu wordt door eiseres aangevoerd dat de appèlrechters door kennis te nemen van het hoger beroep en door er over te beslissen zoals zij beslist hebben, zij zich bevoegd verklaren om in hoger beroep kennis te nemen van het geschil (memorie eiseres, bladzijde 6 bovenaan).
(15)Voor een weergave van de voorbereidende werken op dit punt zie: J. Laenens, 'De procedure inzake bevoegdheidsincidenten voor de arrondissementsrechtbank', R.W. 1974-1975, 1537-1538.
(16)F. Van Droogenbroeck, e.a., Centre Ch. Van Reephingen pour le droit judiciaire, l.c., 818, nr. 33; C. Scheyven, Traité pratique des pourvois en cassation, Brussel, Bruylant, 1885, 397, nr. 193.
(17)Zie de verwijzing naar artikel 96, lid 2, van de Nouveau Code de procédure civile en artikel L. 131-4 du Code de l'organisation judiciaire bij F. Van Drooghenbroeck e.a. Centre Ch. Van Reephingen pour le droit judiciaire, l.c. nr. 817, nr. 31 in fine.
(18)J. Boré en L. Boré, La Cassation en matière civile, 3e Ed. Dalloz, Paris, 2003, 633, nr. 131.71 e.v.
(19)Zie voor de Franse regeling in strafzaken: Dalloz, Nouveau répertoire de droit, Voy. Cassation, 1962, 591, nr. 308. Zie ook art. 609 612 Code de Procedure Pénale.
(20)Cass. com.fr., 2 juni 1980, Bull.fr. 1980, IV, nr. 225; Een eerder arrest van 18 april 1827 wordt geciteerd bij: F. Van Drooghenbroeck e.a. Centre Ch. Van Reephingen pour le droit judiciaire, l.c., nr. 816 onder voetnoot 132; A. Besson, Cassation, Encyclopédie Juridique Dalloz, 1955, 135, nr. 2405 en J. Boré en L. Boré, o.c., 633, nr. 131.71 e.v..
(21)F. Van Drooghenbroeck e.a. Centre Ch. Van Reephingen pour le droit judiciaire, l.c., 817, nr. 32; C. Scheyven, o.c., 283, nr. 125.
(22)F. Van Drooghenbroeck e.a. Centre Ch. Van Reephingen pour le droit judiciaire, l.c., 818, nr. 33.
(23)Hayoit de Termicourt, 'Considérations sur le projet de C.J.', J.T., 1966, 504, nr. 20.
(24)Zie supra sub
  1. Tekst van de beslissing Nr. C.03.0427.N VANDENAVENNE OOIGEM, naamloze vennootschap, met zetel te 8710 Wielsbeke, Oostrozebeeksestraat 160, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk, nummer 112.125, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen H.Y., verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 27 november 2002 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 8 juni 2005 werd deze zaak van de eerste kamer naar de voltallige terechtzitting verwezen. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 9, 577, 590, 591, 18°, en 640 van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; artikel 2, vierde en laatste lid, van het Wetboek van Koophandel. Aangevochten beslissingen In het bestreden vonnis van 27 november 2002, beslist de rechtbank van eerste aanleg als volgt : "(Verweerder) is een kippenkweker die met (eiseres) op 4/9/1998 een prijsgarantiecontract heeft afgesloten : hij zou gedurende zes kweekronden 42.000 braadkuikens kweken tegen een vaste verkoopprijs en dit doen uitsluitend met voeders van (eiseres). Na elke kweekronde werd een afrekening opgesteld door (eiseres)", alsook : "Er is op hoofdeis een dubbele betwisting : - enerzijds de afrekening van de kippen die afgehaald werden op 17/5/1999 nl. van de vierde kweekronde. - anderzijds de afrekening voor de kippen van de vijfde kweekronde, tijdens de 'dioxinecrisis', waaromtrent (eiseres) bij brief van 15/6/1999 had laten weten dat de uitvoering van de overeenkomst wegens overmacht werd opgeschort", en : "Standpunt (eiseres) : in hoofdorde stelde zij dat de vrederechter niet bevoegd was, omdat het een geschil tussen handelaars betrof. Zij vroeg de verzending naar de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk.
  2. Bevoegdheid van de vrederechter. De eerste rechter heeft zich terecht bevoegd verklaard op grond van de wet op de verticale integratie in de sector van de dierlijke productie, nl. de wet van 1 april 1976 (...). In art. 1 van de wet is voorzien dat de wet van toepassing is op 'overeenkomsten waarbij... de geïntegreerde zich tegenover een of meerdere integrators verbindt om dierlijke producten voort te brengen of dieren te fokken of te mesten en waarbij regelingen aanvaard worden in verband met de aankoop, verkoop, leveringen of afname van dieren, dierlijke producten, grondstoffen of andere goederen en diensten die bij het productieproces gebruikt of verbruikt worden'. Aan deze voorwaarden is voldaan zodat de wet wel degelijk van toepassing is op onderhavig geval. Bijgevolg behoorde de vordering tot de bevoegdheid van de vrederechter ; verder was de vrederechter van de woonplaats van de geïntegreerde ingevolge art. 16 van de wet bevoegd kennis te nemen van de vordering", en ten slotte : "Rechtdoende op tegenspraak en in graad van hoger beroep ; verklaart het hoofdberoep en incidenteel beroep ontvankelijk ; wijst het incidenteel beroep af als ongegrond, doet het het eerste vonnis teniet in de mate dat het is aangevochten en opnieuw wijzende : zegt dat (eiseres) principieel ook gehouden is tot vergoeding aan (verweerder) van de vijfde kweekronde van de kippen ; bevestigt het eerste vonnis waar het de heer I.V. aanstelde als deskundige, doch zegt dat zijn opdracht er tevens in bestaat : - de afrekening op te stellen van de vijfde kweekronde met afhaling van de kippen op 6 juli
  3. - na te gaan of (verweerder) een vergoeding heeft bekomen van de overheid in het kader van de dioxinecrisis. Verwijst de zaak voor verdere afhandeling naar de eerste rechter. Veroordeelt (eiseres) tot de kosten van huidig beroep (...)". Aldus verklaart de rechtbank van eerste aanleg zich bevoegd om in hoger beroep kennis te nemen van het voor haar gebrachte geschil. Grieven Op grond van artikel 591, 18°, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de vrederechter, ongeacht het bedrag van de vordering, kennis van geschillen betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke productie. Krachtens artikel 577, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek moet het hoger beroep tegen de beslissingen, door de vrederechter in eerste aanleg gewezen inzake geschillen tussen kooplieden betreffende de handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt of inzake geschillen betreffende wisselbrieven, voor de rechtbank van koophandel worden gebracht. Artikel 577, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op alle erin vermelde geschillen, met inbegrip van de geschillen die tot de bijzondere of uitsluitende bevoegdheid van de vrederechter behoren. De toegewezen bevoegdheid of de bevoegdheid ratione materiae van de rechtscolleges kan krachtens artikel 9 van het Gerechtelijk Wetboek niet worden uitgebreid tenzij de wet anders bepaalt en is derhalve van openbare orde en moet dan ook door de rechter, zelfs bij stilzwijgen van de partijen, worden nagegaan. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg haar bevoegdheid in hoger beroep ambtshalve moet afwijzen, is zij krachtens artikel 640 van het Gerechtelijk Wetboek verplicht de zaak naar de arrondissementsrechtbank te verwijzen. Uit de bewoordingen van de dagvaarding, het verzoekschrift tot hoger beroep en de conclusies van partijen blijkt dat het voor de vrederechter gebrachte geschil liep tussen eiseres, naamloze vennootschap, en verweerder, "zelfstandige kweker en meteen ook handelaar", "(verweerder) is inderdaad ook handelaar". Tussen twee handelaars dus die beide in het handelsregister zijn ingeschreven. Het bestreden vonnis stelt vast dat eiseres de onbevoegdheid van de vrederechter opwierp op grond van het handelaarsstatuut van beide partijen. Uit de bewoordingen van de conclusies tussen partijen en uit het bestreden vonnis blijkt dat het geschil daden van koophandel tot voorwerp had. Eiseres voerde aan : "In artikel 2 W. Kh. worden als daden van koophandel aangemerkt alle verrichtingen van industriële ondernemingen, zelfs wanneer de ondernemer slechts de voortbrengselen van zijn eigen grond verwerkt en voor zover het geen verwerking betreft die normaal bij landbouwbedrijven hoort. Voor de laatst bedoelde verwerking is vereist dat het gaat om verwerking, door de exploitant, van voortbrengselen van zijn eigen landbouwbedrijf (Cass., 12/06/1987, R. W., 1987-88, 677). Wanneer door een landbouwer dieren op industriële wijze gekweekt worden met voeder dat niet wordt voortgebracht door zijn eigen bedrijf, is dit wel te beschouwen als een daad van koophandel (Hof Gent, 17/05/1990, R. W., 1990-91, 964 ; Hof Gent, 1ste Kamer, 10/01/1997, in de zaak 1994/AR/683, onuitgegeven ; Kh. Kortrijk, 1ste Kamer, 24/04/1997, in de zaak A.R. 439/97, onuitgegeven). In casu heeft (verweerder) overigens consequent gehandeld en zijn bedrijvigheden het voorwerp laten uitmaken van een inschrijving in het handelsregister zodat hij als zelfstandige handelaar wordt beschouwd". Dit werd door verweerder niet betwist. Verweerder bevestigde de feiten : "(Verweerder) is zelfstandig kweker van kippen, en had in die hoedanigheid een overeenkomst met (eiseres) waarbij (verweerder) voor rekening van (eiseres) mestkuikens kweekte (aangekocht bij een broeierij goedgekeurd door (eiseres)), met voeders geleverd door (eiseres)". De oorspronkelijke vordering strekte ertoe "(eiseres) zich te horen veroordelen tot de betaling aan (verweerder) van de som van 2.190.220 BEF, te vermeerderen met de wettelijke intrest (...). (Eiseres) zich te horen zeggen voor recht dat eenzijdig toegepaste schorsing van de overeenkomst tussen partijen ongegrond en onwettig is en derhalve geen uitwerking kan hebben". Het bestreden vonnis stelt enerzijds vast dat partijen een overeenkomst sloten waarbij verweerder kippen zou kweken tegen een vaste verkoopprijs met voeders van eiseres en dat eiseres na elke kweekronde een afrekening zou opstellen, en anderzijds dat er een dubbele betwisting was : "enerzijds de afrekening van de kippen die afgehaald werden op 17/5/1999 nl. van de vierde kweekronde. Anderzijds de afrekening voor de kippen van de vijfde kweekronde, tijdens de 'dioxinecrisis', waaromtrent (eiseres) bij brief van 15/6/1999 had laten weten dat de uitvoering van de overeenkomst wegens overmacht werd opgeschort". Het geschil liep dus over het recht om voor een welbepaalde handel, namelijk in kippen en veevoeders, een ter zake gesloten overeenkomst te schorsen en heeft dan ook geen oorzaak die vreemd is aan de koophandel. Artikel 2, laatste lid, van het Wetboek van Koophandel beschouwt alle verbintenissen van kooplieden betreffende zowel roerende als onroerende goederen als daden van koophandel, tenzij bewezen is dat ze een oorzaak hebben die vreemd is aan de koophandel. Nu het geschil liep tussen twee kooplieden over verbintenissen van kooplieden in de zin van artikel 2, vierde en laatste lid, van het Wetboek van Koophandel en de omstandigheid dat de vordering tot de algemene en uitsluitende bevoegdheid van de vrederechter behoort niet belet dat de in artikel 577, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vastgelegde regel toepassing vindt, schendt het bestreden vonnis, door het hoger beroep tegen een beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over dit geschil ontvankelijk te verklaren en aldus de rechtbank van eerste aanleg bevoegd te verklaren om in hoger beroep van dat geschil kennis te nemen, zonder haar onbevoegdheid ambtshalve op te werpen en zonder de zaak naar de arrondissementsrechtbank te verwijzen overeenkomstig artikel 640 van het Gerechtelijk Wetboek, de in het middel aangegeven wetsbepalingen (schending van de artikelen 9, 577, 590, 591, 18° en 640 van het Gerechtelijk Wetboek en 2, vierde en laatste lid, van het Wetboek van Koophandel). IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 591, 18°, van het Gerechtelijk Wetboek, de vrederechter, ongeacht het bedrag van de vordering, kennis neemt van geschillen betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke productie ; Dat, krachtens artikel 577, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, hoger beroep tegen de beslissingen, door de vrederechter in eerste aanleg gewezen inzake geschillen tussen kooplieden betreffende de handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt of inzake geschillen betreffende wisselbrieven, voor de rechtbank van koophandel wordt gebracht ; Dat deze laatste bepaling van toepassing is op alle erin opgesomde geschillen, met inbegrip van de geschillen die tot de bijzondere bevoegdheid van de vrederechter behoren ; Overwegende dat, luidens artikel 2 van het Wetboek van Koophandel, de wet onder daden van koophandel verstaat, onder meer alle verbintenissen van kooplieden betreffende zowel onroerende als roerende goederen, tenzij bewezen is dat ze een oorzaak hebben die vreemd is aan de koophandel ; Overwegende dat uit de vaststellingen in het bestreden vonnis blijkt dat het geschil loopt tussen twee kooplieden over de verbintenissen die zijn ontstaan uit de prijsgarantieovereenkomst van 4 september 1998 krachtens welke verweerder gedurende zes kweekrondes 42.000 braadkuikens zou kweken met voeders van eiseres en eiseres na elke kweekronde een afrekening zou opstellen ; Dat de appèlrechters, door uitspraak te doen over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het hoger beroep, oordelen dat de rechtbank van eerste aanleg bevoegd was om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de door de vrederechter over dat geschil gewezen beslissing ; Dat zij aldus hun beslissing niet naar recht verantwoorden ; Dat het middel gegrond is ; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 660, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, het Hof van Cassatie de zaak verwijst naar de bevoegde rechter ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Koophandel te Gent, zitting houdende in hoger beroepx. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, voltallige kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitters Philippe Echement, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix, Didier Batselé, Albert Fettweis, Christine Matray en Luc Van hoogenbemt, en in openbare en voltallige terechtzitting van tweeëntwintig september tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. x Kantmelding: Bij arrest van het Hof van Cassatie, eerste kamer, gewezen in voltallige zitting op 9 december 2005 werd beslist: Trekt het arrest in in zoverre het de zaak naar de Rechtbank van Koophandel te Gent verwijst ; Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Koophandel te Oudenaarde, zitting houdende in hoger beroep ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het arrest van het Hof van 22 september 2005 (in de zaak C.03.0427.N) en op de kant van het vonnis van 27 november 2002 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde, zitting houdende in hoger beroep ; Laat de kosten ten laste van de Staat. Voor eensluidend uittreksel, De griffier, (g.) Ph. Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050922.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051209.9 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111007.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971107.4 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990215.3 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990625.18 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000907.8 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020419.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080422.6 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.7 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.