id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050922.7 Rolnummer: C.03.0021.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2006-02-10 Raadplegingen: 222 - laatst gezien 2026-07-03 11:23 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer er tussen België en het land waar de beslissing is genomen geen verdrag bestaat, moet de bevoegde Belgische rechter nagaan of de in art. 570, tweede lid, Ger.W. gestelde vereisten voor de uitvoerbaarverklaring van die beslissing in België zijn vervuld, inzonderheid of het recht van verdediging zoals dat in het Belgisch recht is opgevat voor het vreemde gerecht werd geëerbiedigd; zulk onderzoek valt niet samen met het toepassen van het Belgisch recht inzake het weren van conclusies voor het vreemde gerecht
(1)Het valt op te merken dat voor de herziening van het Gerechtelijk Wetboek bij de wet van 3 aug. 1992, de niet-verschijning van een partij op de pleitzitting tot een "verstek" leidde (KRINGS, "Art. 804 Ger.W.", in Comm. Ger., Mechelen, Kluwer, 1995, p. 2-3, nr 2; J. LAENENS en K. BROECKX, "Het gerechtelijk recht in een stroomversnelling", R.W. 1992-93, p. 926, nr 185). Deze wetswijziging is ingegeven in het kader van de bestrijding van de gerechtelijke achterstand door inperking van de mogelijkheid tot procesrechtsmisbruik en niet door een parlementaire wens om het recht van verdediging op te krikken. (Zie: A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Luik, Fac. Dr. Liège, 1987, p. 292-294, nr 391; P. LEMMENS, Herziening van het Gerechtelijk Wetboek - Wet & parlementaire voorbereiding, Gent, Mys & Breesch, 1993, 103-104). Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN Vonnissen en arresten Buitenlandse rechtbank Niet-verschijning van een partij Wering van de conclusie uit het debat Tekst van de beslissing Nr. C.03.0021.N CARITAS INTERNATIONAAL HULPBETOON, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Noode, Liefdadigheidsstraat 43, die in de rechten en verplichtingen is getreden van de heer J.C. in zijn hoedanigheid van curator ("Chaptor VII Trustee") van de vennootschap naar het recht van Hawaï (Verenigde Staten van Amerika) "The House of Adler Inc.", met zetel te Honolulu, Hawaï, 96814 Pan. Am. Building, 1600 Kapiolani Boulevard, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen B.C.B. INTERNATIONAL, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Hoveniersstraat 50-52, verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 september 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 570 van het Gerechtelijk Wetboek ; het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen Het arrest doet volgende vaststellingen : verweerster "handelaarster in diamanten, heeft diamanten verkocht aan 'The House of Adler Inc. : verkoper van juwelen. Hiervoor worden een reeks facturen opgesteld. Op 6 februari 1995 heeft 'The House of Adler Inc.' de boeken neergelegd. (Verweerster) behield een schuldvordering op The House of Adler ten bedrage van 175.021,78 USD en doet voor laatstgenoemd bedrag aangifte van schuldvordering in het faillissement The House of Adler. De curator vordert de terugbetaling van de waarde van de teruggegeven diamanten ten bedrage van 55.557 USD alsmede van betalingen van 41.346,57 USD. Hij stelt dat deze binnen de negentig dagen voor de neerlegging van de boeken gebeurden, in vergelijking met onze verdachte periode, en dat deze terug moesten bezorgd worden als deel uitmakend van het actief van het faillissement ten behoeve van de massa. Op 5 februari 1997 heeft de curator ten aanzien van (verweerster) bij dagvaarding een vordering ingesteld voor 'The United States Bankruptcy Court district Hawaï', hierna de Amerikaanse Faillissementsrechtbank. (Verweerster) was aanvankelijk vertegenwoordigd door een Amerikaanse advocaat die namens haar een 'answer to the complaint' (vrije vertaling : antwoord op de vordering) en een first amended answer (vrije vertaling : eerste aanvullende conclusie) opstelde en indiende (respectievelijk op 28 maart en 19 mei 1997). Bij gemotiveerd verzoekschrift (dd. 19 augustus 1997) verzocht die raadsman aan de rechtbank ontlast te worden als raadsman via een formele 'motion for leave to withdraw and to be relieved as counsel for defendant' (vrije vertaling : verzoek tot toelating zich terug te trekken en ontlast te worden van de hoedanigheid van raadsman voor verweerster). Dit verzoek werd gevolgd door een 'notice of hearing', zijnde een kennisgeving van de rechtsdag 29 augustus 1997, waarop het verzoek zou worden beoordeeld. Deze documenten werden aan (verweerster) op haar maatschappelijke zetel ter kennis gebracht. (Verweerster) heeft hierop niet gereageerd. Bij beslissing van 5 september 1997 werd het verzoek van de Amerikaanse raadsman ingewilligd. Volgens het scheduling order waarbij het verloop van de procedure wordt geregeld, wordt op de zitting van 18 april 1997 in aanwezigheid van de raadslieden van beide partijen de pleitdatum bepaald op 22 september 1997 (dossier curator stuk 13), datum waarop de zaak werd behandeld en (verweerster) niet verscheen. In de bijgevoegde beëdigde verklaring (affidavit, bladzijde 2, ,§6) van advocaat P. A. aan het verzoekschrift van de raadslieden van (verweerster) om ontlast te worden, komt voormelde pleitdatum van 22 september 1997 eveneens voor. Het vonnis van 6 oktober 1997 vermeldt volgende findings of fact (vrije vertaling : feitenrelaas) : onder 28 'Due to the failure of Cindam to appear at the trial of this matter, the Court struck Cindam's answer' (vrije vertaling : Omdat (verweerster) niet verschenen is bij de behandeling van de zaak, wordt haar conclusie door de rechtbank geweerd)". Het arrest verklaart "het verzoek van (de rechtsvoorganger van eiseres) tot het uitvoerbaar verklaren in België van de beslissing van 6 oktober 1997 gewezen door het United States Bankruptcy Court District of Hawaï tussen (de rechtsvoorganger van eiseres) en (verweerster) ongegrond". Het arrest steunt die beslissing op volgende motieven : "Tussen België en de Verenigde Staten van Amerika bestaat geen verdrag dat de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen regelt, zodat de exequaturprocedure wordt beheerst door artikel 570 van het Gerechtelijk Wetboek. Partijen verwijzen eveneens naar het Verdrag van vriendschap, vestiging en scheepvaart tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika en Protocol dd. 21 februari
- Bij onderzoek van de substantiële voorwaarden (bevoegdheid, openbare orde en rechten van verdediging) krijgt het Belgisch recht een centrale rol toebedeeld, terwijl de naleving van de formele voorwaarden (kracht van gewijsde, authenticiteit) overeenkomstig het Amerikaans recht dient te worden nagegaan. (Verweerster) roept de schending van de rechten van verdediging in. (Verweerster) was tijdig op de hoogte van de pleitdatum van 22 september
- Zij was tevens tijdig ingelicht van het verzoek van haar Amerikaanse raadsman om in de zaak te worden ontlast. De Amerikaanse rechter weert de conclusies van (verweerster) uit de debatten om de enkele reden dat (verweerster) niet op de terechtzitting is verschenen en niet, zoals (de rechtsvoorganger van eiseres) beweert, omdat (verweerster) geen bewijs geleverd heeft van de beweringen in haar verweer. (De rechtsvoorganger van eiseres) meent dat de procedure gelijkaardig is aan de in België onder artikel 747, ,§2, of artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek heersende regels. Dat voormelde conclusies regelmatig en tijdig voor de Amerikaanse rechter werden ingediend, wordt niet betwist. Conclusies die tijdig en regelmatig zijn neergelegd mogen volgens het Belgisch procesrecht op straffe van schending van het recht van verdediging niet uit het debat worden geweerd. De Amerikaanse rechter heeft de vordering van (de rechtsvoorganger van eiseres) onderzocht op grond van de door laatstgenoemde aangevoerde argumenten en bewijzen doch zonder rekening te houden met het schriftelijk verweer van (verweerster). Dat de Amerikaanse onderdanen in geval van verstek op dezelfde wijze worden behandeld en de wering van de conclusie bij verstek geen schending uitmaakt van het voormelde verdrag van 21 februari 1961 staat er niet aan in de weg dat het recht van verdediging van (verweerster) volgens het Belgisch procesrecht voor de Amerikaanse rechtbank werd geschonden. Enkel beslissingen die zowel de eigen buitenlandse procedureregels als de basisbeginselen uit het Belgisch procesrecht eerbiedigen, zijn in België uitvoerbaar. (De rechtsvoorganger van eiseres) merkt op dat (verweerster) nog beschikte over de mogelijkheid om verzet aan te tekenen tegen een vonnis of beschikking wegens onder andere 'surprise or excusable neglect' en 'misrepresentation or other misconduct of an adverse party' (vrije vertaling : 'verrassing of verschoonbare nalatigheid', 'verkeerde voorstelling of ander wangedrag van een tegenpartij') (artikel 9024 van de Amerikaanse faillissementswetgeving) en dat dit buitengewoon rechtsmiddel binnen een termijn van één jaar na het vellen van het vonnis of de beschikking moet worden ingesteld. De mogelijkheid tot het aanwenden van dit rechtsmiddel maakt de voorafgaande schending van de rechten van verdediging bij de behandeling van de zaak niet ongedaan. Nu wegens schending van het recht van verdediging van (verweerster) aan één voorwaarde van artikel 570 van het Gerechtelijk Wetboek niet is voldaan, is een onderzoek van de andere voorwaarden overbodig". Grieven Bij toepassing van artikel 570 van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid lid 2, 2°, kan een buitenlands vonnis het exequatur in België enkel bekomen, als de rechten van de verdediging van de partij, tegen wie de uitvoering van dit vonnis wordt gevorderd, geëerbiedigd werden voor het buitenlands gerecht dat het vonnis heeft uitgesproken. Voor zover de betrokken partij de gelegenheid heeft gehad om conclusie te nemen en tijdig geïnformeerd werd van de datum waarop het geschil voor de rechtbank behandeld zou worden of, in het voorkomend geval, van alle latere zittingen waarop de zaak opgeroepen en gepleit zou worden, is de buitenlandse rechtsregel, krachtens dewelke de rechter conclusie uit de debatten moet weren, die in het beginstadium van de procedure werden neergelegd door een partij die later verstek laat gaan en die dus niet verschijnt om zijn conclusie te bevestigen, niet in strijd met het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging (zoals dit beginsel in België toegepast wordt). De omstandigheid dat een verstekdoende partij, in het beginstadium van de procedure vertegenwoordigd werd door een advocaat die zich vóór het einde van de procedure terugtrekt, maakt evenmin een schending uit van voornoemde rechtsbeginsel, voor zover deze partij voorafgaandelijk geïnformeerd werd dat deze advocaat haar niet zou vertegenwoordigen op de pleitzitting en bijgevolg de mogelijkheid heeft gehad om een andere advocaat aan te stellen of maatregelen te nemen om haar verweer zelf te voeren. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, dat vaststelt dat verweerster "tijdig op de hoogte was van de pleitdatum van 22 september 1997" en dat "zij tevens tijdig ingelicht was van het verzoek van haar Amerikaanse raadsman om in de zaak te worden ontlast", niet wettig heeft kunnen beslissen dat het recht van verdediging van verweerster geschonden werd en dat een van de voorwaarden bepaald in artikel 570 van het Gerechtelijk Wetboek geschonden werd om de reden dat "de Amerikaanse rechter ... de conclusies van (verweerster) uit de debatten (geweerd heeft) om de enkele reden dat (verweerster) niet op de terechtzitting is verschenen". Door zijn beslissing op dit motief te steunen, schendt het bestreden arrest artikel 570 van het Gerechtelijk Wetboek evenals het algemeen rechtsbeginsel vermeld bovenaan dit cassatiemiddel. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, wanneer er tussen België en het land waar de beslissing is genomen geen verdrag bestaat, de bevoegde Belgische rechter moet nagaan of de in artikel 570, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek gestelde vereisten voor de uitvoerbaarverklaring van die beslissing in België zijn vervuld, inzonderheid of het recht van verdediging zoals dat in het Belgisch recht is opgevat voor het vreemde gerecht werd geëerbiedigd ; Dat het onderzoek van de rechter of het recht van verdediging werd geëerbiedigd niet samenvalt met het toepassen van het Belgisch recht inzake het weren van conclusies voor het vreemde gerecht ; Dat het feit dat de loutere niet-verschijning van een partij op de rechtsdag leidt tot de wering van haar conclusie uit het debat niet noodzakelijk betekent dat het voormelde recht van verdediging van die partij geschonden is ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat :
- tussen België en de Verenigde Staten van Amerika geen verdrag dat de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen regelt, bestaat ;
- op 5 februari 1997 door de rechtsvoorganger van eiseres een vordering is ingesteld tegen verweerster voor de United States Bankruptcy Court, District of Hawaï ;
- nadat verweerster tijdig en regelmatig conclusies had genomen, haar raadsman toelating aan de rechtbank heeft gevraagd om ontlast te worden van de zaak, nu verweerster naliet instructies te geven en zijn ereloon te betalen ; dat dit verzoek werd gevolgd door een notice of hearing, zijnde een kennisgeving van de rechtsdag van 29 augustus 1997 waarop het verzoek zou worden behandeld ; dat de documenten aan verweerster op haar maatschappelijke zetel ter kennis werden gebracht, maar dat zij hierop niet heeft gereageerd ; dat bij beslissing van 5 september 1997 het verzoek van de Amerikaanse raadsman werd ingewilligd ;
- in aanwezigheid van de raadslieden van de beide partijen op 18 april 1997 de pleitdatum op 22 september 1997 was bepaald ; dat deze datum op het verzoekschrift tot ontlasting van de raadsman van verweerster was vermeld ; dat op datum van 22 september 1997 de zaak werd behandeld en verweerster niet is verschenen ;
- het verstekvonnis van 6 oktober 1997 van de United States Bankruptcy Court, District of Hawaï, vermeldt dat de conclusies van verweerster geweerd werden omdat zij op de zitting waarop de zaak werd behandeld niet is verschenen ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat :
- verweerster tijdig op de hoogte was gesteld van de pleitdatum van 22 september 1997 en van het verzoek van haar raadsman om van de zaak te worden ontlast ;
- conclusies die tijdig en regelmatig zijn neergelegd, volgens het Belgisch procesrecht op straffe van schending van het recht van verdediging niet uit het debat mogen worden geweerd ;
- de Amerikaanse rechtbank geen rekening heeft gehouden met het schriftelijk verweer van verweerster ; het recht van verdediging van verweerster volgens het Belgisch procesrecht voor de Amerikaanse rechtbank geschonden werd ; Overwegende dat het arrest, dat op voornoemde gronden de vordering van de rechtsvoorganger van eiseres tot uitvoerbaarverklaring van de beslissing van 6 oktober 1997 van de United States Bankruptcy Court, District of Hawaï ongegrond verklaart, artikel 570, tweede lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek schendt ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig september tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050922.7 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080620.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div