id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050922.9 Rolnummer: C.04.0580.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-15 Raadplegingen: 195 - laatst gezien 2026-07-03 11:24 Versie(s): Vertaling FR Fiche Met betekening in de zin van ,§ 3 van art. 18, M.B. 10 aug. 1977 wordt bedoeld de kennisgeving door het bestuur van zijn beslissing aan de aannemer, die niet noodzakelijk bij aangetekend schrijven moet gebeuren. Thesaurus CAS: OVERHEIDSOPDRACHTEN (WERKEN. LEVERINGEN. DIENSTEN) Vrije woorden: OVERHEIDSOPDRACHTEN (WERKEN. LEVERINGEN. DIENSTEN) Aannemer Vordering tot vergoeding wegens onderbreking door het bestuur Rechtsvordering Termijn van verval Aanvang van de termijn Wettelijke bepalingen: Ministerieel Besluit - 10-08-1977 - Art.18,§§2en Tekst van de beslissing Nr. C.04.0580.N REGIE DER GEBOUWEN, openbare instelling, vertegenwoordigd door de Vice-eerste minister en minister van Financiën, met kantoren, waar het de Regie der Gebouwen betreft, Gulden Vlieslaan 87, bus 2, te 1060 Sint-Gillis, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- LEGROE BUILDING COMPANY, naamloze vennootschap, met zetel te 9620 Zottegem, Buke 22, verweerster,
- VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming, wiens kabinet gevestigd is te 1210 Sint-Joost-Ten-Noode, Koning Albert II-laan, 15, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Louizalaan 149, bus 2, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 februari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 1984 en 1998 van het Burgerlijk Wetboek ; artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek ; de artikelen 57, ,§,§1, 4, 5, en 7 en 61, ,§,§1 en 3, van de Bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten ; artikel 2 van de wet van 1 april 1971 houdende oprichting van een Regie der Gebouwen. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart de tussenvordering van eiseres tegen de Vlaamse Gemeenschap om te zeggen voor recht dat de Vlaamse Gemeenschap in de rechten en plichten is getreden van de Belgische Staat in wiens naam en voor wiens rekening eiseres is opgetreden en om eiseres bijgevolg buiten zake te stellen niet toelaatbaar op de volgende gronden : Bij het arrest van 3 oktober 2002 werd beslist dat de Regie der Gebouwen, wat betreft de litigieuze opdracht, in haar onderlinge verhouding met de Belgische Staat is opgetreden als lasthebber. Luidens artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen vorderingen in tussenkomst strekkende tot veroordeling niet voor de eerste maal worden ingesteld in hoger beroep. De artikelen 61, ,§,§3 en 57, ,§7, van de Bijzondere financieringswet van 16 januari 1989 doen aan deze regel geen afbreuk. Deze bepalingen houden slechts in dat de aldaar bepaalde gevallen van materiële rechtsopvolging de betrokken gemeenschap of het betrokken gewest tevens in de "rechten en verplichtingen treedt verbonden aan hangende en toekomstige rechtsgedingen". Zij vormen geen uitzondering op de regels omtrent de wijze waarop vorderingen aanhangig kunnen gemaakt worden, zoals o.m. het bepaalde artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De door de Regie der Gebouwen aangehaalde rechtspraak is in casu niet dienend nu het gevallen zijn waar : - tegen de Belgische Staat op ontvankelijke wijze een vordering was gesteld ; - hangende de procedure in hoger beroep rechtsopvolging plaatsgreep. De Regie der Gebouwen formuleerde slechts in hoger beroep enige vordering strekkende tot veroordeling tegen de Vlaamse Gemeenschap. Enige processuele rechtsopvolging door de Vlaamse Gemeenschap is niet aan de orde nu de Regie nooit een vordering tot veroordeling instelde tegen de Belgische Staat. De vordering in tussenkomst, uitgaande van de Regie en gericht tegen de Vlaamse Gemeenschap, dient dan ook afgewezen als niet toelaatbaar. Op dezelfde grondslag dient ook de tussenvordering, waarin een rechtstreekse vordering wordt geformuleerd door de oorspronkelijke eiseres lastens de Vlaamse Gemeenschap, als niet toelaatbaar afgewezen. Grieven De Gemeenschappen en de Gewesten nemen krachtens de artikelen 57, ,§,§5 en 7, en 61, ,§1, van de Financieringswet van 16 januari 1989 de rechten en verplichtingen over van de Staat betreffende de hen krachtens die artikelen overgedragen goederen en bevoegdheden, met inbegrip van de rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige geschillen. Wanneer in het kader van een geschil inzake de rechtsopvolging de Belgische Staat voor de eerste maal in hoger beroep een vordering tot gedwongen tussenkomst instelt tegen de Vlaamse Gemeenschap om te horen zeggen voor recht dat de Vlaamse Gemeenschap in het hangende geschil in de rechten en de plichten getreden is van de Belgische Staat, dan mag deze vordering niet onontvankelijk verklaard worden op grond van artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vermits de Vlaamse Gemeenschap krachtens de artikelen 57, ,§,§5 en 7, en 61, ,§1, van de Financieringswet van 16 januari 1989 de rechten en verplichtingen van de Belgische Staat verbonden aan dat geschil heeft overgenomen zodat die vordering tot tussenkomst geen nieuwe veroordeling tot voorwerp heeft. Eiseres, die optrad als lasthebber van de Belgische Staat, voerde uitdrukkelijk aan dat artikel 57, ,§1, van de Financieringswet van 16 januari 1989 bepaalt dat de roerende en onroerende goederen van de Belgische Staat die voor Nederlandstalige onderwijsaangelegenheden worden aangewend, zoals in casu het PMS-centrum te Gent, zonder vergoeding worden overgedragen aan de Vlaamse Gemeenschap die conform artikel 57, ,§5, van de Financieringswet van 16 januari 1989 de rechten en verplichtingen van de Belgische Staat betreffende de krachtens dit artikel overgedragen goederen overneemt, met inbegrip van de rechten en plichten verbonden aan hangende en toekomstige gerechtelijke procedures, en dat dit ingevolge het artikel 61, ,§1, van de Financieringswet van 16 januari 1989 een integrale rechtsopvolging uitmaakt zodat de Vlaamse Gemeenschap aldus van rechtswege als procespartij in de plaats van de Belgische Staat is getreden in wiens naam en voor wiens rekening eiseres optrad. Op die grond werd de Vlaamse Gemeenschap op verzoek van eiseres voor het eerst in hoger beroep gedagvaard in gedwongen tussenkomst om te horen zeggen voor recht dat de Vlaamse Gemeenschap van rechtswege in de plaats getreden is van de Belgische Staat en dus de eventuele lasten uit de hangende gerechtelijke procedure dient ten laste te nemen (zie de dagvaarding in gedwongen tussenkomst van 19 februari 1999, pagina 2, leden 3 en 4 en het beschikkend gedeelte, de appèlconclusie van eiseres neergelegd op 26 maart 1999, beschikkend gedeelte en de appèlconclusie van eiseres neergelegd op 28 april 2000, pagina 3, eerste en tweede lid). Het bestreden arrest kon, in het kader van dit geschil inzake rechtsopvolging, dan ook niet wettelijk beslissen dat deze vordering tot tussenkomst ingevolge het artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet voor de eerste maal in hoger beroep kon worden ingesteld vermits deze vordering geen nieuwe veroordeling tot voorwerp heeft (schending van de artikelen 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, 57, ,§,§1, 4, 5 en 7 en 61, ,§,§1 en 3, van de Financieringswet van 16 januari 1989). Het bestreden arrest kon die beslissing evenmin wettelijk rechtvaardigen door het feit dat die vordering ingesteld werd door eiseres nu het bestreden arrest uitdrukkelijk vaststelt dat eiseres is opgetreden als lasthebber van de Belgische Staat zodat die vordering ingesteld werd voor rekening van de Belgische Staat en louter ter verdediging van de rechten en belangen van de Belgische Staat die door eiseres vertegenwoordigd werd (schending van de artikelen 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, 1984 en 1998 van het Burgerlijk Wetboek en 2 van de Wet van 1 april 1971).
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de Grondwet ; de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek ; de artikelen 15, ,§5, 16, ,§3, vierde lid, 18, ,§,§2 en 3, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart de vordering van verweerster ontvankelijk en het veroordeelt eiseres om aan verweerster te betalen de som van 50.744,65 euro op de volgende gronden : Centraal in de discussie staan de volgende stukken : - Bij brief van 9 maart 1984 heeft verweerster aan de Regie een schade-eis overgemaakt "in toepassing van artikel 15E van het ministerieel besluit van 14 oktober 1964" ten belope van 50.744,65 euro (2.047.034 BEF) ; - Hierop is door de hoofdingenieur geantwoord met een niet-ontvankelijkheid bij brief van 10 april 1984 omdat ten onrechte naar voormeld artikel werd verwezen ; - Verweerster reageert met brief van 26 april 1984, waarin verwezen wordt naar de toepasselijkheid van artikel 15, ,§5, van het ministerieel besluit van 14 oktober 1964 ; - Na een aanvankelijke negatieve benadering (brief van 17 mei 1984) volgt bij brief van 29 november 1984 de volgende reactie, uitgaande van de Regie : "(...) heb ik de eer U hierbij volgende beslissingen te bevestigen :
- uw eis tot schadeloosstelling wordt als ontvankelijk aangezien, vermits deze werd ingediend overeenkomstig de bepalingen voorzien in artikel 15, ,§5, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 en werd ontvangen binnen de termijn voorzien in artikel 16, ,§4.2, van hogervernoemd ministerieel besluit ;
- teneinde de Regie der Gebouwen toe te laten de gegrondheid van uw eis te onderzoeken en dit onder alle voorbehoud van rechten, wordt de termijn van rechtsverval, zoals bepaald in artikel 18, ,§2, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977, verlengd tot op het einde van de derde maand, die volgt op de betekening van de definitieve beslissing van de Regie der Gebouwen" ; - In antwoord op een verzoek hoe ver de zaak staat, bericht de Regie bij brief van 8 december 1987 dat "op datum van vandaag nog steeds geen definitieve beslissing kan getroffen worden gezien de aannemer heeft nagelaten de documenten, die hem op 17 november 1984 werden opgevraagd, in te dienen", hetgeen nog bevestigd wordt bij brief van 3 mei 1989 ; - Na toezending van de stukken op 18 mei 1989 volgt op 23 januari 1990 het antwoord van de Regie als volgt gelibelleerd : "(...) dat mijn hoofdbestuur heeft beslist dat de schade-eis als onontvankelijk is te beschouwen overeenkomstig artikel 16, ,§3 (in fine), van de algemene aannemingsvoorwaarden. Naast de bovenvermelde vaststelling is er bovendien, niettegenstaande mijn bestuur op 29 november 1984 beloofd had de termijn van rechtsverval op te schorten tot na de definitieve beslissing, rechtsverval opgetreden overeenkomstig artikel 18, ,§2, A.A.V. (...)". Waarbij de Regie bij brief van 29 november 1984 de eis tot schadeloosstelling als ontvankelijk aanziet, kan zij hierop thans niet meer eenzijdig terugkeren. De bij de artikelen 16 en 18 voorziene vervaltermijnen zijn niet van openbare orde. Het opdrachtgevend bestuur kan ervan afzien. Bovendien en ten overvloede heeft het recht op schadevergoeding wegens onderbreking der werken een eigen bestaan. Het door artikel 15, ,§5, ingevoerde systeem moet als een volledig geheel worden beschouwd dat duidelijk verschilt van het systeem van artikel 16, waar het bestuur stelling neemt inzake "klachten of verzoeken". De aanvraag moet ingediend worden behoorlijk becijferd binnen de in artikel 16, ,§4, eerste lid, 2°, voorziene termijn. Artikel 16, ,§3, vierde lid, dat de aannemer verplicht de invloed, die de bevelen op de uitvoering en de prijs van de opdracht zou kunnen hebben, aan het bestuur kenbaar te maken, is niet van toepassing op de rekening tot schadeloosstelling, die de aannemer indient op basis van een bevel van onderbreking der werken (cfr. Cass. 20 januari 1993, T.A. 1993, 293 + noot A. Delvaux en Th. Beguin ; Cass. 17 juni 1993, T.A. 1993, pagina 377 e.v.). De Regie was akkoord de termijn als voorzien bij artikel 18, ,§2, van het ministerieel besluit te verlengen tot op het einde van de derde maand, die volgt op de betekening van haar definitieve beslissing. Waar de Regie zelf spreekt van "betekening" volstond de gewone brief van 23 januari 1990 niet om de termijn van 3 maand te doen lopen. Dit is des te meer waar wanneer we zien dat het schrijven van 29 november 1984 aangetekend werd verzonden. Met dit alles voor ogen is de vordering van verweerster tijdig ingesteld en niet komen te vervallen. Grieven
- Eerste onderdeel Volgens het artikel 18, ,§2, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten moet iedere rechtsvordering betreffende een overeenkomst in elk geval en op straffe van verval worden ingediend ten laatste één jaar na de voorlopige keuring van de gezamenlijke werken. Wanneer echter het geschil het voorwerp heeft uitgemaakt van besprekingen tussen de partijen en de beslissing van de aanbestedende overheid minder dan drie maanden vóór het verstrijken of helemaal niet binnen deze termijnen werd betekend, dan worden deze termijnen volgens het artikel 18, ,§3, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 verlengd tot op het einde van de derde maand die deze van de betekening van de beslissing volgt". Het artikel 18, ,§3, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 maakt geen onderscheid al naargelang die beslissing betekend wordt bij aangetekende brief of bij gewone brief en vereist evenmin dat de betekening gebeurt bij aangetekend schrijven ten einde de termijn van drie maanden te doen ingaan. Het bestreden arrest stelt vast dat eiseres akkoord was de termijn als voorzien bij artikel 18, ,§2, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 te verlengen tot op het einde van de derde maand die volgt op de betekening van haar definitieve beslissing. Eiseres stelde in haar appèlconclusie dat de eerste rechter terecht oordeelde dat de kennisgeving van 23 januari 1990 moest worden aanzien als zijnde de betekening van haar eindbeslissing zodat de termijn van drie maanden vanaf die kennisgeving begon te lopen en zodat de vordering van verweerster ingesteld bij dagvaarding van 2 augustus 1991 laattijdig was (zie onder meer de appèlconclusie van eiseres, neergelegd op 23 juli 1996, pagina 3 en pagina 4, litt. b en c). Het bestreden arrest besliste echter ten onrechte dat de gewone brief van 23 januari 1990 niet volstaat om de termijn van 3 maand te doen lopen nu eiseres zelf spreekt van "betekening". De gewone brief van 23 januari 1990 volstond immers om de termijn van drie maanden overeenkomstig artikel 18, ,§,§2 en 3, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 te doen ingaan vermits noch artikel 18, ,§2, noch artikel 18, ,§3, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 een aangetekende kennisgeving vereist ten einde die termijn te doen ingaan (schending van de artikelen 18, ,§,§2 en 3, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977, 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek).
- Tweede onderdeel Volgens artikel 18, ,§2, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten moet iedere rechtsvordering betreffende een overeenkomst in elk geval en op straffe van verval worden ingediend ten laatste één jaar na de voorlopige keuring van de gezamenlijke werken. Wanneer echter het geschil het voorwerp heeft uitgemaakt van besprekingen tussen de partijen en de beslissing van de aanbestedende overheid minder dan drie maanden vóór het verstrijken of helemaal niet binnen deze termijnen werd betekend, dan worden deze termijnen volgens het artikel 18, ,§3, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 verlengd tot op het einde van de derde maand die deze van de betekening van de beslissing volgt". De "betekening" bedoeld in het artikel 18, ,§3, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 kan worden vervangen door een gelijkwaardige akte. De vervangende akte is gelijkwaardig wanneer blijkt op welk ogenblik zij ter kennis gebracht werd van de aannemer zonder dat evenwel vereist is dat dit ogenblik uit de akte zelf kan worden afgeleid. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat eiseres bij brief van 29 november 1984 aan verweerster liet weten dat de termijn van rechtsverval, zoals bepaald in artikel 18, ,§2, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977, verlengd (wordt) tot op het einde van de derde maand, die volgt op de betekening van de definitieve beslissing van (eiseres). Eiseres stelde in haar appèlconclusie dat haar eindbeslissing aan verweerster betekend werd ingevolge de kennisgeving van 23 januari 1990, dat het aangetekend verzenden van de beslissing enkel van belang is als bewijsinstrument maar dat er zich in casu geen enkel bewijsprobleem stelt nu verweerster de ontvangst van de (gewone) brief van 23 januari 1990 niet heeft betwist of ontkend maar er integendeel bij brief van 19 februari 1990 op geantwoord heeft (zie de appèlconclusie van eiseres, neergelegd op 23 juli 1996, pagina 3 en 4, litt. b en c). Het bestreden arrest kon niet wettelijk beslissen dat de gewone brief van 23 januari 1990 niet volstond om de termijn van 3 maanden te doen lopen zonder te onderzoeken of die brief geen vervangende akte was die op gelijkwaardige wijze de termijn van 3 maanden deed ingaan nu volgens de uitdrukkelijke conclusies van eiseres, die door de appèlrechters niet werden tegengesproken, de ontvangst van die brief niet betwist of ontkend werd (schending van de artikelen 18, ,§,§2 en 3, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977, 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek). Het bestreden arrest heeft in ieder geval niet geantwoord op het uitdrukkelijk verweermiddel waarin eiseres stelde dat het aangetekend verzenden van de beslissing enkel van belang is als bewijsinstrument maar dat er in casu geen betwisting is over de ontvangst van de brief van 23 januari 1990 zodat die brief wel degelijk de vervaltermijn van drie maanden deed ingaan en zodat rechtsverval was ingetreden toen op 2 augustus 1991 tot dagvaarding werd overgegaan ( schending van artikel 149 van de Grondwet).
- Derde onderdeel Volgens artikel 18, ,§2, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten moet iedere rechtsvordering betreffende een overeenkomst in elk geval en op straffe van verval worden ingediend ten laatste één jaar na de voorlopige keuring van de gezamenlijke werken. Wanneer echter het geschil het voorwerp heeft uitgemaakt van besprekingen tussen de partijen en de beslissing van de aanbestedende overheid minder dan drie maanden vóór het verstrijken of helemaal niet binnen deze termijnen werd betekend, dan worden deze termijnen volgens artikel 18, ,§3, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 verlengd tot op het einde van de derde maand die deze van de betekening van de beslissing volgt". De termijn voor het instellen van een rechtsvordering bepaald in artikel 18, ,§2, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 en waarnaar verwezen wordt door artikel 18, ,§3, tweede lid, van het voornoemde ministerieel besluit is van toepassing op iedere rechtsvordering betreffende een overeenkomst en dus ook op de rechtsvordering betreffende de schadeloosstelling voor de onderbrekingen op bevel van het bestuur waarop de aannemer aanspraak maakt op grond van artikel 15, ,§5, van het ministerieel besluit van 10 augustus
- Voor het geval de appèlrechters beslisten dat de in artikel 18, ,§2, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 bedoelde termijn niet van toepassing zou zijn op de vordering van verweerster omdat het recht op schadevergoeding wegens onderbreking der werken een eigen bestaan heeft en omdat het door artikel 15, ,§5, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 ingevoerde systeem als een volledig geheel moet beschouwd worden, hebben zij hun beslissing in ieder geval niet wettelijk gerechtvaardigd (schending van de artikelen 15, ,§5, 18, ,§,§2 en 3, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977, 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek). Die beslissing wordt evenmin wettelijk verantwoord door de vaststelling dat de aannemer niet verplicht is om overeenkomstig artikel 16, ,§3, vierde lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 de invloed van de bevelen op de uitvoering en de prijs van de opdracht kenbaar te maken. Het louter feit dat de aannemer niet verplicht is tot die kennisgevingen, neemt immers niet weg dat hij ingevolge artikel 18, ,§,§2 en 3, tweede lid, van het voornoemd ministerieel besluit in elk geval en op straffe van verval verplicht blijft iedere rechtsvordering in te dienen vóór het einde van de derde maand die op deze van de betekening van de beslissing volgt (schending van de artikelen 16, ,§3, vierde lid, 18, ,§,§2 en 3, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977, 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat het middel niet preciseert hoe en waardoor het arrest de artikelen 1984 en 1998 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 2 van de wet van 1 april 1971 houdende oprichting van de Regie der Gebouwen schendt ; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is ; Overwegende dat, krachtens artikel 57, ,§5, van de Bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en Gewesten, de Gemeenschappen en de Gewesten de rechten en verplichtingen van de Staat betreffende de hen krachtens dit artikel overgedragen goederen overnemen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige gerechtelijke procedures ; Overwegende dat, krachtens artikel 61, ,§3, van dezelfde wet, de Gemeenschappen en de Gewesten, ieder wat hem betreft, de goederen, rechten en verplichtingen overnemen van de instellingen van openbaar nut waarvan de taken ressorteren onder de bevoegdheden van de Gewesten en Gemeenschappen, op de bij de wet vastgestelde wijze, met inachtneming van de beginselen vervat in artikel 57 en in ,§1, tweede tot achtste lid, van dit artikel ; Dat er aldus geen rechtsopvolging is van eiseres, Regie der Gebouwen, door de Gemeenschappen en de Gewesten ; dat geen enkele andere wetsbepaling in de opvolging van de Regie door de Gewesten en Gemeenschappen voorziet ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat :
- bij arrest van 3 oktober 2002 beslist werd dat eiseres, wat betreft de litigieuze opdracht, in haar onderlinge verhouding met de Belgische Staat als lasthebber is opgetreden ;
- eiseres als volwaardig rechtspersoon is opgetreden en in eigen naam ten overstaan van de eerste verweerster heeft gehandeld, weze het voor rekening van de Belgische Staat ;
- eiseres slechts in hoger beroep een vordering strekkende tot veroordeling tegen de tweede verweerster heeft ingesteld ; Dat het arrest oordeelt dat geen processuele rechtsopvolging door de tweede verweerster aan de orde is, nu eiseres nooit een vordering tot veroordeling tegen de Belgische Staat heeft ingesteld ; Dat het arrest met toepassing van artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek beslist dat de vordering in tussenkomst van eiseres tegen de tweede verweerster niet toelaatbaar is ; Dat het arrest zodoende geen van de overige aangewezen wettelijke bepalingen schendt ; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen ;
- Tweede middel Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 18, ,§2, van het te dezen toepasselijk ministerieel besluit houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten van 10 augustus 1977, in elk geval iedere rechtsvordering betreffende een overeenkomst op straffe van verval en onverminderd bovenstaande paragraaf 1, door de aannemer moet worden ingediend ten laatste een jaar na de volledige keuring van de gezamenlijke werken of na de volledige keuring van de gezamenlijke leveringen ; Dat artikel 18, ,§3, van hetzelfde artikel, luidt : "De termijnen waarvan sprake in ,§2 hierboven worden verlengd met de tijd die verstreken is tussen de datum waarop het geschil voor het Hoog Comité van Toezicht wordt gebracht en deze welke de procedure, overeenkomstig het organiek reglement van dit comité, definitief sluit. Indien het geschil het voorwerp heeft uitgemaakt van besprekingen tussen partijen en de beslissing van het bestuur minder dan drie maanden voor het verstrijken of helemaal niet binnen deze termijnen werd betekend, worden deze verlengd tot op het einde van de derde maand die deze van de betekening van de beslissing volgt" ; Dat met betekening in de zin van ,§3 van dit artikel bedoeld wordt de kennisgeving door het bestuur van zijn beslissing aan de aannemer, kennisgeving die niet noodzakelijk bij aangetekend schrijven moet gebeuren ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat waar eiseres zelf spreekt van betekening, de gewone brief van 23 januari 1990 niet volstond om de termijn van drie maand te doen lopen, en dit des te meer waar is daar het schrijven van 29 november 1984 aangetekend werd verzonden ; Dat het arrest dat op die grond beslist dat de vordering van de eerste verweerster tijdig is ingesteld en niet is vervallen, artikel 18, ,§3, schendt ; Dat het middel in zoverre gegrond is ;
- Overige grieven Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vordering van de NV Legroe Building Company tegen de Regie der Gebouwen en uitspraak doet over de kosten ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig september tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050922.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div