id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050926.3 Rolnummer: S.04.0163.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2006-02-14 Raadplegingen: 635 - laatst gezien 2026-07-04 10:23 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Met de term 'brutowedde' in de artikelen 38, 2°, en 46, van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantie is bedoeld : elk voordeel toegekend door de werkgever als tegenprestatie voor de arbeid verricht ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst, behoudens indien dit voordeel niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen
(2)eiser M. K. gevraagd zou hebben tot een etentje en tot gezoend te worden, feiten waarvan het arbeidshof het bewijs afleidt uit de verklaring dat M. K. tijdens een interview met de vertrouwenspersoon zeer gespannen was en letterlijk beefde, dat de toestand haar duidelijk had aangegrepen en het haar eerst niet lukte zich te ontspannen. Grieven 1. Artikel 1349 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat vermoedens gevolgtrekkingen zijn die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Vermoedens die niet bij wet zijn ingesteld, worden door artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter, die geen andere dan gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zal aannemen, en zulks alleen in de gevallen waarin de wet het bewijs door getuigen toelaat, behalve wanneer tegen een handeling uit hoofde van arglist of bedrog wordt opgekomen. De rechter kan feitelijke vermoedens slechts aannemen wanneer zij hem zekerheid geven omtrent het bestaan van het vast te stellen feit dat hij uit een bekend feit afleidt. Om uit een geheel van gegevens een feitelijk vermoeden af te leiden, moeten de feitelijke gegevens afzonderlijk of samen genomen voldoende zekerheid bieden. 2. In het bestreden arrest oordeelt het arbeidshof : "Alleen het feit reeds dat de tweede werkdag werd overgegaan tot het trekken aan de haarstaart en de derde dag naar het doen kijken van een bepaalde vlek op zijn hemd, wat (eiser) zich schijnbaar niet meer herinnert, wijst in dit geval (...) reeds op een vorm van onmiddellijke escalatie en misbruik van gezag waaruit de dubbelzinnige houding van (eiser) of zijn seksuele bedoeling in de zin van de ter zake geldende reglementering blijkt". (blz. 18, tweede alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof leidt dus een onmiddellijke escalatie en misbruik van gezag, waaruit de dubbelzinnige houding van eiser of zijn seksuele bedoeling in de zin van de ter zake geldende reglementering blijkt, af uit twee feiten, namelijk het feit dat reeds de tweede dag werd overgegaan tot het trekken aan de haarstaart, en het feit dat de derde dag werd overgegaan tot het doen kijken naar een bepaalde vlek op het hemd, wat eiser "zich schijnbaar niet meer herinnert". Die twee feitelijke gegevens bieden afzonderlijk noch samen genomen voldoende zekerheid om te besluiten tot een onmiddellijke escalatie en misbruik van gezag en evenmin vormen zij gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens die de gevolgtrekking van een onmiddellijke escalatie en misbruik van gezag rechtvaardigen (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek). 3. In het bestreden arrest leidt het arbeidshof voorts het bewijs van de beweerde vraag tot een etentje en tot gezoend te worden af uit de schriftelijke bevestiging door de vertrouwenspersoon M.J. L. dat M. K. tijdens het interview van 23 juni 1999 zeer gespannen was en letterlijk beefde, dat de toestand haar duidelijk had aangegrepen en het haar eerst niet lukte zich te ontspannen. Aldus leidt het arbeidshof dat bewijs enkel af uit de houding van M. K. en steunt het niet op een geheel van feitelijke gegevens. Die vaststellingen met betrekking tot de houding van M. K. bieden geen voldoende zekerheid omtrent de vraag tot een etentje en gezoend te worden. De vaststelling dat M. K. tijdens het interview van 23 juni 1999 zeer gespannen was en letterlijk beefde, dat de toestand haar duidelijk had aangegrepen en het haar eerst niet lukte zich te ontspannen, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat dit een voldoende bewijs vormt van twee feiten, met name de vraag tot een etentje en de vraag gezoend te worden (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek). 4. Aangezien het arbeidshof niet wettig beslist tot een onmiddellijke escalatie en misbruik van gezag waaruit de dubbelzinnige houding van eiser of zijn seksuele bedoeling in de zin van de ter zake geldende reglementering blijkt, en het arbeidshof evenmin wettig de vraag tot het etentje en de vraag gezoend te worden bewezen acht, wijst het arbeidshof het door eiser aangeboden getuigenbewijs ter weerlegging van de hem verweten feiten ook niet wettig af als overbodig (schending van de artikelen 915, 916 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). 5. Noch op de ene, noch op de andere en a fortiori noch op beide hierboven vermelde gevolgtrekkingen samen beslist het arbeidshof dan ook wettig dat aangezien eiser terecht wegens dringende reden werd ontslagen, hij niet gerechtigd is op een opzeggingsvergoeding (schending van artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten) noch a fortiori op een vergoeding wegen misbruik van ontslagrecht (schending van de artikelen 1134, 1135 en 1142 van het Burgerlijk Wetboek). Het arbeidshof zegt derhalve niet wettig dat eiser terecht wegens dringende reden werd ontslagen en niet gerechtigd is op een opzeggingsvergoeding noch op een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht en verklaart dan ook het hoger beroep van eiser niet wettig ongegrond (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen). 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ; - artikel 2, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij wet van 22 mei 2001, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers ; - artikel 14, ,§ 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, - artikel 23, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers ; - de artikelen 19, ,§ 2, zowel in de versie van toepassing vóór als in die van toepassing nà de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 5 oktober 1999, maar vóór de wijzigingen bij koninklijke besluiten van 20 juli 2000, 10 juni 2001, 11 december 2001, 28 februari 2002, 11 juli 2003 en 27 april 2004, en 19bis, ,§ 2, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 10 juni 2001, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, artikel 9, eerste lid, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij wet van 22 mei 2001 en koninklijk besluit van 5 november 2002, en tweede lid, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij wet van 22 mei 2001 en wet van 24 december 2002, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, - de artikelen 38, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 13 juni 2001, en 46, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij koninklijke besluiten van 10 juni 2001, 13 juni 2001 en 21 januari 2003, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van eiser, het hoger beroep van eiser ontvankelijk doch ongegrond, bevestigt het arbeidshof het vonnis van 7 december 2001 waarvan het bedrag van de veroordeling 1.178,93 euro bruto bedraagt ten titel van vakantiegeld op bonus meer de wettelijke en gerechtelijke interest op het nettobedrag, en zegt het arbeidshof voor recht dat eiser gerechtigd is op het vakantiegeld op het voordeel van het privé-gebruik van de bedrijfswagen bepaald op 371,00 euro per maand voor de periode van 8 mei 1995 tot en met 31 december 1996. Het arbeidshof beslist dat onder meer op grond van de volgende motieven : Vakantiegeld op de patronale bijdrage in de groepsverzekering en op de voordelen in natura : (Eiser) vordert hieromtrent een totaal bedrag gelijk aan 228.419 BEF bruto = 5.662,36 euro ; Volgens artikel 9 van de wet op de jaarlijkse vakantie dient het vakantiegeld te worden berekend op het loon dat als basis dient voor de berekening van de vestiging van sociale zekerheidsbijdragen; Het bij toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 december 1996 (B.S. 31 december 1996), houdende maatregelen met het oog op de invoering van een solidariteitsbijdrage voor het persoonlijk gebruik van een door de werkgever ter beschikking gesteld voertuig, in de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers ingevoegde artikel 38, ,§ 3, quater, bepaalt onder meer dat een solidariteitsbijdrage van 33 pct. verschuldigd is door de werkgever op het voordeel van het persoonlijk gebruik van een ter beschikking gesteld bedrijfsvoertuig, waaruit de (arbeidsrechtbank) terecht afleidt dat vanaf 1 januari 1997 met het privévoordeel van de bedrijfswagen geen rekening meer dient te worden gehouden bij de berekening van het vakantiegeld vermits dit niet langer onderworpen is aan de R.S.Z. bijdrage waarvan de solidariteitsbijdrage in de plaats komt, met verwijzing bovendien naar artikel 19, ,§ 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1989 waar bij toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit 20 december 1996 het voordeel van het privégebruik van een bedrijfswagen uit het loonbegrip van de R.S.Z. wordt gelicht, terwijl (eiser) wel gerechtigd is op het vakantiegeld op het privé voordeel van de firmawagen vóór 1 januari 1997 of vanaf 8 mei 1995, door hem echter in conreto niet begroot doch waarbij dient te worden rekening gehouden met een voordeel gelijk aan 371 euro (15.000 BEF) per maand ; Met betrekking tot het voordeel van GSM en autotelefoon, dient dit niet in de berekeningsbasis voor het vakantiegeld te worden opgenomen gezien dit voordeel zich niet uitstrekt over de vakantieperiode ; Wat de werkgeversbijdrage in de groepsverzekering betreft, die voorziet in extra legale voordelen bovenop de wettelijke sociale zekerheid, is hierop geen dubbel vakantiegeld verschuldigd gezien op deze premie, geen sociale zekerheidsbijdragen worden afgehouden". (blz. 20 en blz. 21, tweede en derde alinea, van het bestreden arrest). Grieven 1.1. Eerste onderdeel 1. Artikel 38, 2°, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, hieronder afgekort als uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet, bepaalt dat de werkgever aan de bediende die vakantie neemt, boven de normale bezoldiging in overeenkomst met de vakantiedagen, het zogenaamde enkel vakantiegeld, een toeslag betaalt gelijk aan een breuk van een percentage van de brutowedde van de maand waarin de vakantie ingaat. De berekeningsbasis van die toeslag, het zogenaamde dubbel vakantiegeld, wordt dus gevormd door "de brutowedde van de maand waarin de vakantie ingaat". Artikel 46 van het uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet bepaalt dat de werkgever aan de bediende wiens contract een einde neemt, een percentage betaalt van de bij hem tijdens het lopend vakantiedienstjaar verdiende brutowedde, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking. Heeft de bediende de op het vorig dienstjaar betrekking hebbende vakantie nog niet genoten, dan betaalt de werkgever hem bovendien eenzelfde percentage van de bij hem tijdens dat vakantiedienstjaar verdiende brutowedden, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking. Dat (enkel en dubbel) vakantiegeld pleegt vakantiegeld-einde dienstbetrekking te worden genoemd. In beide artikelen wordt met de term 'brutowedde' bedoeld : elk voordeel in geld of in geld waardeerbaar, toegekend door de werkgever als tegenprestatie voor de in het kader van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid. Aangezien in die wettelijke bepalingen geen onderscheid wordt gemaakt, moeten alle bestanddelen van de bezoldiging worden meegeteld om het in die bepalingen bedoelde vakantiegeld te berekenen. Uitkeringen, premies en voordelen in natura waarvan niet betwist wordt of vaststaat dat zij deel uitmaken van de bezoldiging van de bediende, moeten dus in aanmerking genomen worden. 2. Eiser voerde in de beroepsakte en in regelmatig ter griffie van het arbeidshof neergelegde conclusies aan dat hij gedurende de volledige periode van tewerkstelling geen dubbel vakantiegeld ontving op de werkgeversbijdrage in de groepsverzekering, noch op de hem toegekende voordelen in natura, zijnde GSM, privé-gebruik van een bedrijfswagen en autotelefoon (blz. 23-24 van het verzoekschrift tot hoger beroep, blz. 27-28 van de conclusie in hoger beroep, blz. 32-33 van de aanvullende conclusie in hoger beroep). Eiser vorderde op die voordelen eveneens vakantiegeld-einde dienstbetrekking (dagvaarding van 11 mei 2000, blz. 23-24 van het verzoekschrift tot hoger beroep, blz. 27-28 van de conclusie in hoger beroep, blz. 32-33 van de aanvullende conclusie in hoger beroep). Van de hierboven genoemde voordelen werd niet voorgehouden dat zij werden toegekend als vergoeding van werkelijke kosten die ten laste van de werkgever vallen, wegens een schorsing of het einde van de arbeidsovereenkomst of als gift. Zij zijn derhalve te beschouwen als tegenprestatie voor de in de uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, en maken dus deel uit van de bezoldiging. 2.1. Met betrekking tot het voordeel van het privé-gebruik van een bedrijfswagen, overweegt het arbeidshof, zonder daarbij een onderscheid te maken tussen het dubbel vakantiegeld en het vakantiegeld-einde dienstbetrekking, dat eiser gerechtigd is op vakantiegeld op dat voordeel voor de periode vóór 1 januari 1997 of vanaf 8 mei 1995 en wijst het aldus het meer gevorderde, meer bepaald het dubbel vakantiegeld op het privé-gebruik van een bedrijfswagen met betrekking tot de periode vanaf 1 januari 1997 en het vakantiegeld-einde dienstbetrekking op dat voordeel af. Het arbeidshof beslist zulks op de overweging dat het voordeel van het privé-gebruik van een bedrijfswagen sinds 1 januari 1997 niet meer onderworpen is aan socialezekerheidsbijdragen. Door aldus te oordelen, voegt het arbeidshof een voorwaarde toe aan artikel 38, 2°, en aan artikel 46 van het uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet, en beperkt het de 'brutowedde' tot de bezoldigingen die het voorwerp uitmaken van bijdragen aan de sociale zekerheid. Van het voordeel in natura bestaande in het privé-gebruik van een bedrijfswagen werd door de partijen niet betwist dat het deel uitmaakt van de bezoldiging en door verweerster aan eiser werd toegekend als tegenprestatie voor de in het kader van zijn arbeidsovereenkomst verrichte arbeid. Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat eiser (alleen) gerechtigd is op het vakantiegeld op het privé-voordeel van de bedrijfswagen vóór 1 januari 1997 of vanaf 8 mei 1995, en verklaart het hoger beroep op dat punt dan ook niet wettig ongegrond (schending van de artikelen 38, 2°, en 46 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoerings-modaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers). 2.2. Het arbeidshof overweegt voorts : "Met betrekking tot het voordeel van GSM en autotelefoon, dient dit niet in de berekeningsbasis voor het vakantiegeld te worden opgenomen gezien dit voordeel zich niet uitstrekt over de vakantieperiode". Door aldus te oordelen, voegt het arbeidshof een voorwaarde toe aan de wet. De toepasselijke wettelijke bepalingen vereisen inderdaad niet dat een voordeel zich over de vakantieperiode uitstrekt opdat het wordt opgenomen in de berekeningsbasis van de toeslag die de werkgever aan de bediende die vakantie neemt, moet betalen boven de normale bezoldiging in overeenstemming met de vakantiedagen. Die toeslag, het zogenaamde dubbel vakantiegeld, moet worden berekend op wat de werknemer tijdens zijn vakantie als loon zou hebben ontvangen indien hij wel gewerkt zou hebben. Het arbeidshof oordeelt dan ook niet wettig dat het voordeel van de GSM en de autotelefoon niet in de berekeningsbasis voor het vakantiegeld moet worden opgenomen, aangezien die voordelen zich niet uitstrekken over de vakantieperiode (schending van artikel 38, 2°, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers). Ook wat betreft het vakantiegeld-einde dienstbetrekking op het voordeel van de GSM en de autotelefoon, voegt het arbeidshof, door te oordelen dat zij niet in de berekeningsbasis van het vakantiegeld moeten opgenomen worden, aangezien die voordelen zich niet uitstrekken over de vakantieperiode, een voorwaarde toe aan de wet (schending van artikel 46 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers). 2.3. Ten slotte vorderde eiser dubbel vakantiegeld en vakantiegeld-einde dienstbetrekking op de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering. Van de werkgeversbijdrage in de groepsverzekering werd niet betwist dat zij deel uitmaakt van de bezoldiging. De werkgeversbijdrage in de groepsverzekering is een voordeel in geld of in geld waardeerbaar, toegekend door verweerster als tegenprestatie voor de door eiser in het kader van zijn arbeidsovereenkomst verrichte arbeid. Aangezien alle bestanddelen van de bezoldiging moeten worden meegeteld om het in de artikelen 38, 2°, en 46 van het uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet bedoelde vakantiegeld te berekenen, moet dat voordeel worden opgenomen in de berekeningsbasis van beide soorten vakantiegeld. Het arbeidshof oordeelt dat op de werkgeversbijdrage in de groepsverzekering geen dubbel vakantiegeld verschuldigd is, aangezien op die premie geen socialezekerheidsbijdragen worden afgehouden. Door aldus te oordelen, voegt het arbeidshof een voorwaarde toe aan artikel 38, 2°, van het uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet en schendt het die wettelijke bepaling aangezien het de 'brutowedde' beperkt tot de bezoldigingen die het voorwerp uitmaken van inhoudingen van bijdragen voor de sociale zekerheid. Het arbeidshof maakt in zijn overwegingen geen onderscheid tussen het dubbel vakantiegeld verschuldigd aan de bediende die vakantie neemt en het (enkel en dubbel) vakantiegeld verschuldigd bij het einde van de dienstbetrekking. Wat de werkgeversbijdrage in de groepsverzekering betreft, antwoordt het bestreden arrest dat daarop geen dubbel vakantiegeld verschuldigd is. Aangezien niet wordt geantwoord op het middel van eiser tot het verkrijgen van het (enkel en dubbel) vakantiegeld-einde dienstbetrekking op die werkgeversbijdrage, schendt het bestreden arrest tevens artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Het arbeidshof zegt niet wettig voor recht dat eiser (enkel) gerechtigd is op het vakantiegeld op het voordeel van het privé-gebruik van de bedrijfswagen bepaald op 371 euro per maand voor de periode van 8 mei 1995 tot en met 31 december 1996, beslist niet wettig dat het voordeel van de GSM en van de autotelefoon niet in de berekeningsbasis van het vakantiegeld moeten worden opgenomen en verklaart het hoger beroep van eiser met betrekking tot die onderdelen van zijn vordering niet wettig ongegrond (schending van de artikelen 38, 2°, en 46 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers en van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). 1.2. Tweede onderdeel Artikel 9, eerste lid, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, hieronder afgekort als Jaarlijkse Vakantiewet, in de versie die in deze zaak van toepassing is, bepaalt dat het bedrag van het vakantiegeld van de werknemer wordt vastgesteld op 15,18 pct. van het loon van het vakantiedienstjaar dat als basis diende voor de berekening van de tot vestiging van dat vakantiegeld verschuldigde bijdrage. Krachtens het tweede lid van datzelfde artikel mag de Koning voor de hoofdarbeiders in de door hem bepaalde gevallen en onder de door hem vastgestelde voorwaarden een andere basis of wijze van berekening voorschrijven dan die welke bepaald zijn in het eerste lid. Dit onderdeel gaat ervan uit dat daaruit volgt, zoals door het arbeidshof wordt aangenomen, dat ook het vakantiegeld voor bedienden moet berekend worden op het loon dat als basis diende voor de berekening van socialezekerheidsbijdragen aangezien de Koning voor bedienden geen andere basis heeft voorgeschreven. Het begrip loon wordt voor de berekening van de bijdragen voor de sociale zekerheid krachtens artikel 14, ,§ 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en artikel 23, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hieronder afgekort als Loonbeschermingswet. De Koning kan evenwel het loonbegrip voor de berekening van de bijdragen aan sociale zekerheid verruimen of beperken. De artikelen 19, ,§ 2, en 19bis, ,§ 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als uitvoeringsbesluit R.S.Z.-Wet, bevatten een opsomming van wat voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen niet als loon mag worden aangemerkt. 1. Artikel 38, 2°, van het uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet, bepaalt dat de werkgever aan de bediende die vakantie neemt, boven de normale bezoldiging in overeenkomst met de vakantiedagen, het zogenaamde enkel vakantiegeld, een toeslag betaalt gelijk aan een breuk van een percentage van de brutowedde van de maand waarin de vakantie ingaat. De berekeningsbasis van die toeslag, het zogenaamde dubbel vakantiegeld, wordt dus gevormd door 'de brutowedde van de maand waarin de vakantie ingaat'. Aangezien in die bepaling geen onderscheid wordt gemaakt, moeten alle bestanddelen van de bezoldiging waarop socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn, worden meegeteld om het in die bepaling bedoelde vakantiegeld te berekenen. In 'de brutowedde van de maand' zijn dan ook voordelen in natura begrepen waarvan niet wordt betwist of vaststaat dat zij deel uitmaken van de bezoldiging van de bediende en waarop socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn. 1 .1 . Eiser voerde in de beroepsakte en in regelmatig ter griffie van het arbeidshof neergelegde conclusies aan dat hij gedurende de volledige periode van tewerkstelling geen dubbel vakantiegeld ontving op de voordelen in natura, zijnde GSM, privé-gebruik van een bedrijfswagen en autotelefoon (blz. 23-24 van het verzoekschrift tot hoger beroep, blz. 27-28 van de conclusie in hoger beroep, blz. 32-33 van de aanvullende conclusie in hoger beroep). Van die voordelen werd niet voorgehouden dat zij werden toegekend als vergoeding van werkelijke kosten die ten laste van de werkgever vallen of dat zij werden toegekend wegens een schorsing of het einde van de arbeidsovereenkomst. Die voordelen zijn derhalve te beschouwen als tegenprestatie voor de in de uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid. Zij maken aldus deel uit van de bezoldiging en zijn loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet. Zij worden voor de berekening van de bijdragen verschuldigd aan de sociale zekerheid door de in deze zaak toepasselijke wettelijke bepalingen en meer bepaald door artikel 19, ,§ 2, of artikel 19bis, ,§ 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, niet uitgesloten uit dat loonbegrip. Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dienaangaande : "Met betrekking tot het voordeel van GSM en autotelefoon, dient dit niet in de berekeningsbasis voor het vakantiegeld te worden opgenomen gezien dit voordeel zich niet uitstrekt over de vakantieperiode". Door aldus te oordelen, voegt het arbeidshof een voorwaarde toe aan de wet. De toepasselijke wettelijke bepalingen vereisen inderdaad niet dat een voordeel in natura zich over de vakantieperiode uitstrekt opdat het wordt opgenomen in de berekeningsbasis van de toeslag die de werkgever aan de bediende die vakantie neemt, moet betalen boven de normale bezoldiging in overeenstemming met de vakantiedagen. Die toeslag, het zogenaamde dubbel vakantiegeld moet worden berekend op wat de werknemer tijdens zijn vakantie als loon zou hebben ontvangen indien hij wel gewerkt zou hebben. Het arbeidshof oordeelt dan ook niet wettig dat het voordeel van de GSM en de autotelefoon niet in de berekeningsbasis voor het vakantiegeld moet worden opgenomen, aangezien die voordelen zich niet uitstrekken over de vakantieperiode (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen, met uitzondering van artikel 46 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers en van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). 1.2. Wat de werkgeversbijdrage in de groepsverzekering betreft, oordeelt het arbeidshof dat daarop geen dubbel vakantiegeld verschuldigd is aangezien op die premie geen socialezekerheidsbijdragen worden afgehouden. Tot de inwerkingtreding, op 1 januari 2004, van het koninklijk besluit van 27 april 2004 tot wijziging van artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 maart 1990 tot uitvoering van artikel 2, ,§ 1, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, dat in artikel 19, ,§ 2, van het uitvoeringsbesluit R.S.Z.-Wet een 21° invoegde, waren de stortingen bedoeld in artikel 38, ,§ 3ter, eerste lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, verricht door de werkgevers met het oog op de toekenning aan hun personeelsleden of aan hun rechtverkrijgende(
- n)van buitenwettelijke voordelen inzake ouderdom of vroegtijdig overlijden, de premies voor aanvullende hospitalisatieverzekering zoals bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 april 1993 betreffende de bijdrage op de premies terzake van een aanvullende verzekering voor hospitalisatie, die door de werkgever in het voordeel van zijn personeel worden ten laste genomen, alsmede de premies voor aanvullende voordelen in geval van arbeidsongeschiktheid, niet uitgesloten uit het begrip loon voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen. Geldsommen die aan derden worden uitbetaald door de werkgever, maken wanneer de werknemer aanspraak kan maken op de betaling ervan en hij zijn recht stoelt op de arbeidsovereenkomst, deel uit van het loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet, als krachtens de arbeidsovereenkomst verworven verdiensten, in geld waardeerbare voordelen die betaald worden als tegenprestatie van de in het kader van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid. De werkgeversbijdragen in de groepsverzekering die verweerster betaalde, maken dus deel uit van de bezoldiging en zijn loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet. Volgens de vaststellingen van het arbeidshof dagtekent het ontslag van eiser van 25 juni 1999. De door eiser gevorderde bedragen aan dubbel vakantiegeld hebben dan ook betrekking op werkgeversbijdragen van verweerster aan een groepsverzekering in een periode van vóór de inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit van 27 april 2004, op 1 januari 2004. Zij worden door de in deze zaak toepasselijke wettelijke bepalingen en meer bepaald door artikel 19, ,§ 2, of artikel 19bis, ,§ 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders niet uitgesloten uit het loonbegrip voor de berekening van de bijdragen aan de sociale zekerheid. Bijgevolg is op die bijdragen dubbel vakantiegeld verschuldigd (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen, met uitzondering van artikel 46 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie en van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). 2. Artikel 46 van het uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet bepaalt dat de werkgever aan de bediende wiens contract een einde neemt, een percentage betaalt van de bij hem tijdens het lopend vakantiedienstjaar verdiende brutowedde, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking. Heeft de bediende de op het vorig dienstjaar betrekking hebbende vakantie nog niet genoten, dan betaalt de werkgever hem bovendien eenzelfde percentage van de bij hem tijdens dat vakantiedienstjaar verdiende brutowedden, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking. In die bepaling wordt geen onderscheid gemaakt, zodat alle bestanddelen van de bezoldiging waarop socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn, moeten worden meegeteld om het in die bepaling bedoelde vakantiegeld te berekenen. Tot de tijdens het lopend vakantiedienstjaar verdiende brutowedde behoren de voordelen in natura waarvan niet wordt betwist dat zij deel uitmaken van de bezoldiging. Eiser vorderde vakantiegeld-einde dienstbetrekking op de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering, de GSM en de autotelefoon (dagvaarding van 11 mei 2000, blz. 23-24 van het verzoekschrift tot hoger beroep, blz. 27-28 van de conclusie in hoger beroep, blz. 32-33 van de aanvullende conclusie in hoger beroep). Geldsommen zoals een bijdrage in de groepsverzekering die aan derden worden uitbetaald door de werkgever maken, wanneer de werknemer aanspraak kan maken op de betaling ervan en hij zijn recht stoelt op de arbeidsovereenkomst, deel uit van het loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet, als krachtens de arbeidsovereenkomst verworven verdiensten, in geld waardeerbare voordelen die betaald worden als tegenprestatie voor de in het kader van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid. Van de voordelen van de GSM en de autotelefoon werd niet voorgehouden dat zij werden toegekend als vergoeding voor werkelijke kosten of dat zij werden toegekend wegens een schorsing of het einde van de arbeidsovereenkomst. Die voordelen zijn derhalve te beschouwen als tegenprestatie voor de in het kader van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid. Die drie voordelen maken dan ook deel uit van de bezoldiging en zijn loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet. Zij worden door de in deze zaak toepasselijke wettelijke bepalingen en meer bepaald door artikel 19, ,§ 2, of artikel 19bis, ,§ 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, niet uitgesloten uit het loonbegrip voor de berekening van de bijdragen aan de sociale zekerheid. Bijgevolg moeten die voordelen worden opgenomen in de berekeningsbasis van het vakantiegeld dat de werkgever op grond van artikel 46 van het uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet verschuldigd is aan een bediende wiens contract een einde neemt. Wat betreft het vakantiegeld-einde dienstbetrekking op het voordeel van de GSM en de autotelefoon, voegt het arbeidshof, door te oordelen dat zij niet in de berekeningsbasis van het vakantiegeld moeten opgenomen worden aangezien die voordelen zich niet uitstrekken over de vakantieperiode, een voorwaarde toe aan de wettelijke bepalingen (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen, met uitzondering van artikel 38 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers en van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Het arbeidshof maakt in zijn overwegingen geen onderscheid tussen het dubbel vakantiegeld verschuldigd aan de bediende die vakantie neemt en het (enkel en dubbel) vakantiegeld verschuldigd bij het einde van de dienstbetrekking. Wat de werkgeversbijdrage in de groepsverzekering betreft, antwoordt het bestreden arrest dat daarop geen dubbel vakantiegeld verschuldigd is. Aangezien niet wordt geantwoord op het middel van eiser tot het verkrijgen van het (enkel en dubbel) vakantiegeld-einde dienstbetrekking op die werkgeversbijdrage, schendt het bestreden arrest artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Het arbeidshof zegt niet wettig voor recht dat eiser (enkel) gerechtigd is op het vakantiegeld op het voordeel van het privé gebruik van de bedrijfswagen bepaald op 371 euro per maand voor de periode van 8 mei 1995 tot en met 31 december 1996, beslist niet wettig dat het voordeel van de GSM en van de autotelefoon niet in de berekeningsbasis van het vakantiegeld moeten worden opgenomen en verklaart het hoger beroep van eiser met betrekking tot die onderdelen van zijn vordering niet wettig ongegrond (schending van alle in de aanhef van het middel opgegeven wetsbepalingen). IV. Beslissing van het Hof 1. Eerste middel Overwegende dat de rechter de feiten die hij als feitelijke vermoedens beschouwt, onaantastbaar vaststelt en de wet aan het oordeel en het beleid van de rechter overlaat welke gevolgtrekking hij daaruit maakt als gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens, mits hij het wettelijk begrip vermoeden niet miskent ; Overwegende dat de appèlrechters uit de door hen aangehaalde feiten het bewijs konden afleiden enerzijds dat eiser blijk gaf van een vorm van onmiddellijke escalatie en misbruik van gezag waaruit zijn dubbelzinnige houding of zijn seksuele bedoeling in de zin van de wet blijken en anderzijds van het feit dat hij de seksueel geviseerde werkneemster had gevraagd voor een etentje en om hem te zoenen ; Overwegende dat de overige in het middel aangehaalde wetsschendingen volledig zijn afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; 2. Tweede middel 2.1. Eerste onderdeel 2.1.1. Overwegende dat, overeenkomstig artikel 38, 2°, van het uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet, de werkgever aan de bediende die vakantie neemt, boven de normale bezoldiging in overeenkomst met de vakantiedagen, een toeslag betaalt die gelijk is aan een breuk van de brutowedde van de maand waarin de vakantie ingaat ; Dat, krachtens artikel 46, eerste en tweede lid, van dit uitvoeringsbesluit, wanneer het contract van een bediende een einde neemt, de werkgever hem bij zijn vertrek een percentage betaalt van de bij hem tijdens het lopend vakantiedienstjaar verdiende brutowedde en, wanneer de bediende de op het vorig dienstjaar betrekking hebbende vakantie nog niet heeft genoten, een percentage van de bij hem tijdens dat vakantiedienstjaar verdiende brutowedde, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking ; Overwegende dat artikel 38bis van dit uitvoeringsbesluit, ingevoerd bij koninklijk besluit van 18 februari 2003, bepaalt dat voor de toepassing van deze afdeling, het deel van de bezoldiging dat niet als basis dient voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld ; Dat, blijkens het verslag aan de Koning, het koninklijk besluit van 18 februari 2003 beoogt een verduidelijking aan te brengen aan de bestaande onzekere reglementering inzake de berekeningsbasis voor het vakantiegeld van de bedienden, teneinde de rechtszekerheid te herstellen ; Dat deze bepaling een interpretatieve rechtsregel is ; Overwegende dat, overeenkomstig het beginsel neergelegd in artikel 7 van het Gerechtelijk Wetboek, de rechters gehouden zijn zich naar de interpretatieve rechtsregels te gedragen in alle zaken waarin het rechtspunt niet definitief is berecht op het tijdstip waarop die regel bindend wordt ; Dat het koninklijk besluit van 18 februari 2003 in het Belgisch Staatsblad is verschenen op 6 maart 2003 en in werking is getreden op 16 maart 2003 ; Overwegende dat uit artikel 38bis van voormeld uitvoeringsbesluit volgt dat loonvoordelen die niet aan sociale zekerheidsbijdragen zijn onderworpen, niet in aanmerking komen voor de berekening van het vakantiegeld voor bedienden ; Dat, behoudens deze verduidelijking, artikel 38bis echter niet bepaalt welk loonbegrip geldt voor de berekening van het vakantiegeld voor bedienden ; Dat uit dit artikel niet volgt dat elk loonvoordeel in de zin van de Loonbeschermingswet waarop sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn, in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van het vakantiegeld voor bedienden ; Dat, bij gebrek aan andersluidende omschrijving, het algemeen arbeidsrechtelijk loonbegrip in aanmerking moet worden genomen ; Overwegende dat hieruit volgt dat met de term "brutowedde" in de artikelen 38, 2°, en 46, van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantie is bedoeld: elk voordeel toegekend door de werkgever als tegenprestatie voor de arbeid verricht ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst, behoudens indien dit voordeel niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen ; Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het met betrekking tot het privé-gebruik van een bedrijfswagen en de werkgeversbijdragen voor de groepsverzekering ervan uitgaat dat het vakantiegeld bedoeld in artikel 38, 2°, en in artikel 46 van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet, berekend wordt op elk voordeel toegekend door de werkgever als tegenprestatie voor de in het kader van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, ongeacht of dit voordeel in aanmerking komt voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen, op een onjuiste rechtsopvatting berust, mitsdien faalt naar recht ; 2.1.2. Overwegende dat, krachtens artikel 38, 2°, van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet, het in die bepaling bedoelde vakantiegeld berekend wordt op basis van "de brutowedde der maand waarin de vakantie ingaat" ; Dat hieruit volgt dat alleen de loonbestanddelen die deel uitmaken van de wedde van die maand, in aanmerking komen voor de berekening van het in dit artikel bedoelde vakantiegeld ; Overwegende dat het arrest, door te overwegen dat het voordeel van GSM en autotelefoon "zich niet uitstrekt over de vakantieperiode", vaststelt dat dit voordeel geen deel uitmaakt van de wedde van de maand waarin de vakantie ingaat ; Dat het arrest op grond van deze vaststelling, zonder schending van voormeld artikel 38, 2°, vermocht te oordelen dat het voordeel van GSM en autotelefoon niet in de berekeningsbasis voor het vakantiegeld dient te worden opgenomen ; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen ; 2.1.3. Overwegende dat, overeenkomstig artikel 46 van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet, het vakantiegeld verschuldigd aan de bediende wiens contract een einde neemt, berekend wordt op de tijdens het lopend vakantiedienstjaar verdiende brutowedde ; Dat voornoemd artikel 46 niet vereist dat een voordeel zich over de vakantieperiode uitstrekt om te worden opgenomen in de berekeningsbasis van het vakantiegeld dat de werkgever moet betalen aan de bediende wiens contract een einde neemt ; Dat het arrest, door te oordelen dat het voordeel van GSM en autotelefoon niet in de berekeningsbasis voor het vakantiegeld-einde dienstbetrekking dient te worden opgenomen "gezien dit voordeel zich niet uitstrekt over de vakantieperiode", een voorwaarde toevoegt aan artikel 46 van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet, mitsdien deze bepaling schendt ; Dat het onderdeel in zoverre gegrond is ; 2.1.4. Overwegende dat eiser in de beroepsakte en in zijn conclusies voor de appèlrechters dubbel vakantiegeld en vakantiegeld-einde dienstbetrekking vorderde op onder meer de werkgeversbijdrage in de groepsverzekering ; Overwegende dat het arrest het gevorderde vakantiegeld-einde dienst verwerpt ; Dat het middel in zoverre het schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, niet aangeeft welke redenen van de beroepsakten en conclusies niet werden beantwoord ; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen ; 2.2. Tweede onderdeel 2.2.1. Overwegende dat, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, het arrest, zonder schending van artikel 38, 2°, van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantiewet vermocht te oordelen dat het voordeel van GSM en autotelefoon niet in de berekeningsbasis voor het vakantiegeld dient te worden opgenomen gezien de vaststelling dat "dit voordeel zich niet uitstrekt over de vakantieperiode" ; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen ; 2.2.3 Overwegende dat tot de inwerkingtreding op 1 januari 2004 van het koninklijk besluit van 27 april 2004 tot wijziging van artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 november 1969, de door de werkgever in uitvoering van een reglement dat deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst betaalde premies voor een groepsverzekering, "die voorziet in extra legale voordelen bovenop de wettelijke sociale zekerheid", loon zijnde, zowel in arbeidsrechtelijk zin, te weten, tegenprestatie voor de bedongen arbeid, als in de zin van de Loonbeschermingswet, niet uitgesloten waren uit het begrip loon voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen ; Overwegende dat het arrest, door te oordelen, dat geen dubbel vakantiegeld verschuldigd is op de tot het ontslag van 25 juni 1999 betaalde werkgeversbijdragen in de groepsverzekering omdat op deze premies geen sociale zekerheidsbijdragen werden afgehouden, artikel 19, ,§2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals alsdan van toepassing en artikel 38, 2°, van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantie schendt ; Dat het onderdeel in zoverre gegrond is ; 2.2.4. Overwegende dat, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, het onderdeel in zoverre het de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, niet kan worden aangenomen ; 3. Overige grieven Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ; OM DIE REDENEN, HET HOF Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over het voordeel van GSM en de autotelefoon als berekeningsbasis voor het vakantiegeld-einde dienstbetrekking, in zoverre het oordeelt dat de premies groepsverzekering niet in de berekeningsbasis voor het dubbel vakantiegeld dienen te worden opgenomen en uitspraak doet over de kosten ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van zesentwintig september tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050926.3 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060118.11 ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20120330.1 ECLI:BE:TTLIE:2007:JUG.20070123.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020204.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060228.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div