id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050927.2 Rolnummer: P.05.0371.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2005-12-20 Raadplegingen: 832 - laatst gezien 2026-07-04 12:01 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De bijzondere bewijsregeling van artikel 205, A.W.D.A. geldt onder meer inzake de accijnsgoederen, zoals gedefinieerd in artikel 1, 11°, A.W.D.A.
(1).
(1)Cass., 3 mei 2005, AR P.04.1704.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050503.4, nr ... Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Douane en accijnzenwet - Artikel 205, Douane en Accijnzenwet - Aankoop of verkoop van met rechten of accijnzen belaste goederen - Niet-overeenstemmende gegevens in boeken, geschriften of documenten - Bijzondere bewijsregeling - Toepassingsgebied Fiches 2 - 4 Artikel 205, A.W.D.A., krachtens hetwelk de niet-overeenstemmende gegevens die door de ambtenaren der douane en accijnzen worden vastgesteld in de handelsboeken, handelsgeschriften of handelsdocumenten van een handelaar, ingeroepen kunnen worden als bewijs van de vaststelling van een fraude van de rechten, zolang het tegendeel niet bewezen is, stelt geen wettelijk vermoeden van toerekenbaarheid van een misdrijf aan een welbepaalde persoon in, maar houdt enkel in dat een handelaar kan gehouden worden tot het leveren van het bewijs van het tegendeel
(1).
(1)Cass., 17 okt. 2001, AR P.01.1021.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011017.4, nr 551; 9 april 2002, AR P.00.1537.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020409.3, nr 217. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Bewijslast - Niet-overeenstemmende gegevens in boeken, geschriften of documenten - Bewijs van de vaststelling van de fraude van de rechten Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Bewijslast - Douane en accijnzen - Niet-overeenstemmende gegevens in boeken, geschriften of documenten - Bewijs van de vaststelling van de fraude van de rechten Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: Douane en accijnzen - Aankoop of verkoop van met rechten of accijnzen belaste goederen - Niet-overeenstemmende gegevens in boeken, geschriften of documenten - Bewijs van de vaststelling van de fraude van de rechten Fiches 5 - 6 Het is met de algemene beginselen van het strafrecht, dat voor elk misdrijf een moreel element vereist is en de bewijslast daarvan rust op het openbaar ministerie en eventueel de burgerlijke partij, bestaanbaar dat bij bepaalde misdrijven, omwille van de eigenheid van de strafbaar gestelde gedraging, het bewijs dat de dader het feit wetens en willens heeft gepleegd, voortvloeit uit de overtreding van het voorschrift zelf, met dien verstande evenwel dat de dader vrijuit gaat wanneer overmacht, onoverwinnelijke dwaling of een andere schulduitsluitingsgrond wordt aangetoond, minstens niet ongeloofwaardig is
(1).
(1)Zie Cass., 19 nov. 1997, AR P.97.1077.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971119.8, nr 490; 17 feb. 1998, AR P.96.1401.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980217.9, nr 97; 19 nov. 2002, AR P.01.1502.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021119.6, nr
- Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Moreel bestanddeel - Eigenheid van de strafbaar gestelde gedraging - Materiële overtreding van een wetsvoorschrift - Bewijs dat het feit wetens en willens werd gepleegd Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Moreel bestanddeel - Douane en accijnzen - Eigenheid van de strafbaar gestelde gedraging - Materiële overtreding van een wetsvoorschrift - Bewijs dat het feit wetens en willens werd gepleegd Tekst van de beslissing Nr. P.05.0371.N B. D. L. C., eiser, beklaagde, met als raadslieden Mr. Raf Verstraeten en Mr. Caroline De Baets, advocaten bij de balie te Brussel, ter terechtzitting bijgestaan door Mr. Wim Defoor, advocaat bij de balie te Brussel, tegen BELGISCHE STAAT (MINISTER VAN FINANCIËN), met kantoren te Brussel, Wetstraat 14, op vervolging en vordering van de directeur der Douane en Accijnzen te Hasselt, verweerder, vervolgende partij, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 16 februari 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen Overwegende dat eiser geen grieven aanvoert tegen zijn veroordeling op civielrechtelijk gebied tot betaling van de ontdoken accijns, bijzondere accijns en energiebijdrage op gelode benzine, ongelode benzine en dieselgasolie die de bvba NIO ter beschikking had zonder dat de daarvoor verschuldigde rechten waren voldaan;
- Eerste middel Overwegende dat artikel 205 AWDA bepaalt: "Wanneer de ambtenaren der douane en accijnzen vaststellen dat de handelsboeken, de handelsgeschriften of de handelsdocumenten van een handelaar gegevens bevatten die niet overeenstemmen wat betreft de aanen verkoop van met rechten of met accijns belaste goederen of goederen waarvoor bedragen bij invoer of bij uitvoer kunnen worden toegekend, kunnen die boeken, geschriften en documenten worden ingeroepen als bewijs van de vaststelling van een fraude der rechten zolang het tegendeel niet bewezen is"; Dat deze bijzondere bewijsregeling onder meer ook geldt inzake de accijnsgoederen, zoals gedefinieerd in artikel 1, 11°, AWDA; Overwegende dat artikel 205 AWDA geen wettelijk vermoeden van toerekenbaarheid van een misdrijf aan een welbepaalde persoon instelt; Dat deze wetsbepaling enkel inhoudt dat een handelaar kan gehouden worden tot het leveren van het bewijs van het tegendeel; Dat derhalve de veronderstelling dat artikel 205 AWDA een vermoeden van morele toerekenbaarheid instelt, faalt naar recht, zodat de desbetreffende opgeworpen prejudiciële vraag niet aan het Arbitragehof moet worden gesteld; Overwegende dat het met de algemene beginselen van het strafrecht dat voor elk misdrijf een moreel element is vereist en de bewijslast daarvan rust op het openbaar ministerie, eventueel de burgerlijke partij, bestaanbaar is dat bij bepaalde misdrijven, omwille van de eigenheid van de strafbaar gestelde gedraging, het bewijs dat de dader het feit wetens en willens heeft gepleegd, voortvloeit uit de overtreding van het voorschrift zelf, met dien verstande evenwel dat de dader vrijuitgaat wanneer overmacht, onoverwinnelijke dwaling of een andere schulduitsluitingsgrond wordt aangetoond, minstens niet ongeloofwaardig is; Dat derhalve de veronderstelling dat de artikelen 7 en 23 van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie, tot betaling van accijns bij de inverbruikstelling te lande van bepaalde minerale oliën, strijdig zijn met de algemene beginselen van het strafrecht, faalt naar recht, zodat de desbetreffende opgeworpen prejudiciële vraag niet aan het Arbitragehof moet worden gesteld; Overwegende dat het arrest in feite onaantastbaar oordeelt dat eiser in de geïncrimineerde periode de enige zaakvoerder van de bvba NIO was en dat hij de dagelijkse uitbating van die vennootschap leidde; dat het bovendien, op grond van de feitelijke omstandigheden die het vermeldt, eisers verweer betreffende zijn verantwoordelijkheid voor de hem ten laste gelegde, in het kader van de activiteiten van de bvba NIO gepleegde feiten, beantwoordt; Dat eisers schuldigverklaring, op grond van deze door het arrest onaantastbaar vastgestelde feiten, naar recht is verantwoord; Overwegende, voor het overige, dat het middel in zoverre het opkomt tegen overtollige redengevingen van het arrest, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is;
- Tweede middel 2.
- Eerste onderdeel Overwegende dat de eiser in zijn bij de appèlrechters genomen conclusie heeft aangevoerd dat de rechter bij de bestraffing op grond van artikel 23 van de wet van 22 oktober 1997 over een beoordelingsmarge of matigingsrecht beschikt; dat hij daarvoor verschillende argumenten deed gelden onder meer een vergelijking met het strafsysteem van artikel 239, ,§ 1 en 2, AWDA; Overwegende dat de verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden niet inhoudt dat de rechter moet antwoorden op argumenten die tot staving van een verweer zijn aangevoerd maar geen afzonderlijk verweer vormen; Overwegende dat het in het onderdeel aangevoerde verweer waarop de appèlrechters niet zouden geantwoord hebben, geen afzonderlijk verweer vormt maar enkel één van de argumenten ter staving van zijn middel was; Overwegende dat de appèlrechters met de redenen die het arrest vermeldt, dit verweer beantwoorden; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 2.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel drie aan het Arbitragehof te stellen prejudiciële vragen opwerpt; Dat er grond is deze vragen te stellen; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat, wat de schuldigverklaring betreft, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep in zoverre het de schuldigverklaring van eiser en diens veroordeling in betaling van de ontdoken rechten betreft; Schort de verdere uitspraak onder meer over de bestraffing op totdat het Arbitragehof bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vragen: - "Schendt artikel 23 van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie, samen gelezen met artikel 7 van dezelfde wet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6.1 EVRM, in de mate het aan de strafrechter geen enkele marge overlaat ter beoordeling van de erin bepaalde geldboete van tienmaal de ontdoken rechten, terwijl de strafbepalingen van gemeen recht, door te voorzien in een minimum en maximum of in de toepassing van verzachtende omstandigheden, aan de strafrechter de mogelijkheid bieden om in zekere mate de zwaarte van de straf zelf te bepalen op grond van de concrete omstandigheden van de zaak en van de algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel?" - "Schendt artikel 23 van de wet van 23 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie, samen gelezen met artikel 7 van dezelfde wet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.1 EVRM, in de mate het aan de strafrechter niet toelaat bij toepassing van verzachtende omstandigheden de erin bepaalde geldboete van tienmaal de ontdoken rechten te matigen, terwijl het wel die ruimte overlaat aan de administratie, die krachtens artikel 263 AWDA toegelaten wordt in aanwezigheid van verzachtende omstandigheden terzake te transigeren?" - "Schendt artikel 23 van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie, samen gelezen met artikel 7 van dezelfde wet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.
- E.V.R.M., in de mate het aan de strafrechter geen mogelijkheid biedt de erin bepaalde geldboete van tienmaal de ontdoken rechten te matigen op grond van de omvang van de vastgestelde fraude, terwijl artikel 239 AWDA bij vergelijkbare fraude voorziet in een geldboete van tienmaal of van tweemaal de ontdoken rechten, naargelang van de omvang van de fraude?" Houdt de kosten aan. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zevenentwintig september tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050927.2 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070213.1 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.020 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.081 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971119.8 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980217.9 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011017.4 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020409.3 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021119.6 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050503.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div