← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050927.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050927.3 Rolnummer: P.05.0878.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht Invoerdatum: 2006-02-06 Raadplegingen: 201 - laatst gezien 2026-07-03 11:20 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 In artikel 58, Grondwet, dat bepaalt dat geen lid van een van beide Kamers kan worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht, houden de woorden "vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen" in dat de vervolging of het onderzoek, met name of in feite, tegen het parlementslid moet zijn gericht

(1).
(1)Zie Cass., 30 sept. 1992, AR 248, nr 638 met concl. van toenmalig eerste advocaat-generaal VELU. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 58 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 58 Immuniteit Parlementaire onschendbaarheid Mening of stem uitgebracht in de uitoefening van de parlementaire functie Vervolging of onderwerping aan enig onderzoek Thesaurus CAS: IMMUNITEIT Vrije woorden: IMMUNITEIT Parlementaire onschendbaarheid Artikel 58, Grondwet Mening of stem uitgebracht in de uitoefening van de parlementaire functie Vervolging of onderwerping aan enig onderzoek Tekst van de beslissing Nr. P.05.0878.N I. D. F. D. F., eiser, inverdenkinggestelde, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie. II. V. E. S. L. R., eiser, inverdenkinggestelde, met als raadsman Mr. Guy Umans, advocaat bij de balie te Mechelen. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 12 mei 2005 gewezen door het Hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eerste eiser stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De tweede eiser stelt in een memorie een middel voor. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van de memories Overwegende dat de memorie van de tweede eiser die ter griffie van het Hof is ontvangen op 15 september 2005, dit is buiten de termijn van twee maanden bepaald bij artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, de zaak op de algemene rol ingeschreven zijnde op 20 juni 2005, niet ontvankelijk is; B. Afstand van het cassatieberoep van de eerste eiser Overwegende dat de eerste eiser afstand doet van zijn cassatieberoep in de mate de bestreden beslissing en de grieven die er kunnen tegen aangevoerd worden, onontvankelijk zijn om reden dat de bestreden beslissing geen definitieve beslissing is in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en geen van de uitzonderingen op die regel, bepaald in voormeld artikel 416, tweede lid, van hetzelfde wetboek, van toepassing zijn; C. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eerste eiser Overwegende dat het cassatieberoep in de mate het opkomt tegen de beslissing van het bestreden arrest dat het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de buitenvervolgingstelling van eiser voor het feit C.II ontvankelijk maar ongegrond is, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is; D. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de tweede eiser Overwegende dat het cassatieberoep in de mate het opkomt tegen de beslissing van het bestreden arrest dat het hoger beroep in verband met het middel betreffende het niet-bestaan van voldoende bezwaren niet ontvankelijk is, omdat het middel niet beantwoordt aan de door de artikelen 135 en 539 Wetboek van Strafvordering gestelde beperkende voorwaarden voor een hoger beroep, om die zelfde reden niet ontvankelijk is; E. Onderzoek van het middel van de eerste eiser
  1. Eerste onderdeel Overwegende dat eiser in zijn bij de kamer van inbeschuldigingstelling genomen conclusie ten betoge van de ontvankelijkheid van zijn hoger beroep aanvoerde dat hij bij de raadkamer een conclusie had neergelegd die uitdrukkelijk melding maakte van de schending van de artikelen 58 en 59 Grondwet en artikel 158 Wetboek van Strafvordering en dat de raadkamer uitsluitend had geantwoord op zijn verweer betreffende de schending van artikel 58 Grondwet; dat eiser vervolgens betreffende de gegrondheid van zijn hoger beroep de schending van artikel 59, tweede en derde lid, Grondwet aanvoerde; dat eiser ten slotte onder meer concludeerde tot de nietigheid van de in het parlement uitgevoerde huiszoekingen; Dat door dit verweer eiser bij de kamer van inbeschuldigingstelling niet de schending van artikel 58 Grondwet heeft aangevoerd; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
  2. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel uitgaat van de onderstelling dat te dezen, in strijd met artikel 58 Grondwet, een lid van beide kamers werd vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht; Dat "vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen" inhoudt dat de vervolging of het onderzoek, met name of in feite, tegen het parlementslid moet zijn gericht; Overwegende dat het arrest op grond van de feitelijke omstandigheden van het gevoerde gerechtelijk onderzoek onaantastbaar oordeelt dat de huiszoekingen niet tegen een lid van beide kamers waren gericht; dat de overweging van het arrest "Voor zover de huiszoekingen zouden zijn geschied in strijd met de voorschriften van genoemd artikel 59 (Grondwet) kunnen die enkel ten aanzien van het parlementslid nietig worden verklaard (...)"overtollig is; Overwegende dat de redengeving van de raadkamer, die het arrest overneemt, dat de handelingen van het parlementslid W. "een uiting (vormt) van een mening of een stem over het al dan niet goedkeuren van een naturalisatievraag door dit parlementslid uitgebracht binnen het kader van de uitoefening van haar parlementair mandaat, zodat dit cf. artikel 58 G.W. geen aanleiding kan geven tot vervolging (...)", niet inhoudt dat de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling vaststellen dat bij de huiszoekingen dit parlementslid werd vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van haar functie uitgebracht; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
  3. Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel uitgaat van de onderstelling dat aan de op 3 januari 2001 en 9 oktober 2001 in het parlement verrichte huiszoekingen "niet volstrekt vreemd was de bedoeling een parlementslid naderhand te vervolgen nu het verder onderzoek van de resultaten onder meer nu ook die gewraakte huiszoekingen, het gezochte voorwerp of de gedane vaststellingen ervan tenminste aanwijzingen van schuld opleverden tegen voormeld parlementslid"; Overwegende dat het onderdeel een onderzoek van feiten vraagt waarvoor het Hof niet bevoegd is; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is; F. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verleent de eerste eiser akte van de door hem gedane afstand en verwerpt voor het overige zijn cassatieberoep; Verwerpt het cassatieberoep van de tweede eiser; Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoepen. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van honderd negenenvijftig euro negen cent, waarvan I. op het cassatieberoep van F.D.: negenenzeventig euro vijfenvijftig cent verschuldigd en II. op het cassatieberoep van S. V. E.: negenenzeventig euro vierenvijftig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zevenentwintig september tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050927.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.