← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050929.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art.7

,derdeli Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Vrije woorden: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Onteigening ten algemenen nutte Spoedprocedure Vonnis dat de onteigenaar afwijst Hoger beroep Te late uitspraak Wettelijke bepalingen:

Art.7,derdeli Fiches 3 - 4 Er is geen aanleiding om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen die berust op een onjuiste juridische stelling

(1).
(1)Cass., 8 juni 1999, AR P.97.1105.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990608.2, nr 336. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Cassatiemiddel gegrond op een onjuiste juridische stelling Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art.26,§1,3° Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Arbitragehof Cassatiemiddel gegrond op een onjuiste juridische stelling Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art.26,§1,3° Fiche 5 Het vonnis dat de vordering van de onteigenaar inwilligt is niet vatbaar voor cassatieberoep
(1).
(1)Cass., 20 juni 1985, AR 7260, nr 637; 2 dec. 1993, AR 9235 en 9316, nr 498. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Spoedprocedure Vordering tot onteigening Vonnis dat de vordering inwilligt Vonnis niet vatbaar voor beroep Wettelijke bepalingen:

Art.8,tweedel Tekst van de beslissing Nr.

C.03.0500.N

  1. GIJBELS PATRIMMO, met zetel te 3511 Hasselt, Strokrooiweg 62A, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt, nummer 84.763,
  2. G.P.
  3. J.H. eisers, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president van de Vlaamse regering, en namens wie optreedt de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, handelend door de tussenkomst van het aankoopcomité te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 31 maart 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 7, derde lid, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte. Aangevochten beslissingen Nadat de vrederechter in zijn vonnis van 5 februari 2003 heeft beslist dat de voorgeschreven pleegvormen niet vervuld zijn zodat de onteigening niet kan plaatsvinden, nadat verweerder als onteigenaar hiertegen een verzoekschrift tot hoger beroep ter griffie heeft neergelegd op 19 februari 2003, en nadat de inleidende terechtzitting betreffende dit hoger beroep plaatsvond op 4 maart 2003, verklaart de rechtbank in een vonnis van 31 maart 2003 het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, zegt voor recht dat de voorgeschreven pleegvormen vervuld zijn, spreekt de onteigening uit en verwijst de zaak terug naar de eerste rechter teneinde de voorlopige onteigeningsvergoedingen te laten vaststellen. Grieven Artikel 7, derde lid, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte bepaalt dat op het hoger beroep tegen het vonnis, waarbij de rechter de vordering van de onteigenaar afwijst en beslist dat er geen aanleiding bestaat om de procedure voort te zetten, wordt beschikt op de inleidende terechtzitting of uiterlijk acht dagen later. Deze termijn is voorgeschreven op straffe van nietigheid. De inleidende terechtzitting vond plaats op 4 maart
  4. Het bestreden vonnis dateert van 31 maart 2003, zodat over het hoger beroep niet werd beschikt op de inleidende terechtzitting of uiterlijk acht dagen later. IV. Beslissing van het Hof
  5. Het in ondergeschikte orde gestelde verzoek van de eisers om een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof, dit alvorens recht te doen over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep : Overwegende dat, krachtens artikel 7, derde lid, van de voornoemde wet van 26 juli 1962, het hoger beroep tegen het vonnis waarbij de rechter de vordering van de onteigenaar afwijst en beslist dat er derhalve geen aanleiding bestaat om de procedure voort te zetten, wordt ingesteld binnen vijftien dagen na de uitspraak en dat op het hoger beroep wordt beschikt op de inleidende terechtzitting of uiterlijk acht dagen later ; Dat die termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven ; Dat, nu de juridische stelling waarop het middel berust onjuist is gebleken, er geen aanleiding bestaat tot het stellen van een daarop gegronde vraag aan het Arbitragehof ;
  6. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep : Over het door het openbaar ministerie ambtshalve opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep waarvan overeenkomstig artikel 1097 van het Gerechtelijk Wetboek kennis is gegeven aan de advocaat van de eisers : het bestreden vonnis is krachtens artikel 8 van de wet van 26 juli 1962 niet vatbaar voor cassatieberoep : Overwegende dat het bestreden vonnis het verzoek van de onteigenende overheid, verweerder, inwilligt ; Dat, overeenkomstig artikel 8, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemeen nutte, dergelijk vonnis niet vatbaar is voor enig beroep en dus niet door cassatieberoep kan worden bestreden ; Dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van honderd negenendertig euro negenenvijftig cent jegens de eisende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Jean-Pierre Frère, Ghislain Londers, Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van negenentwintig september tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050929.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180222.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990608.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.