← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050929.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050929.6 Rolnummer: C.03.0317.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2006-05-23 Raadplegingen: 581 - laatst gezien 2026-07-04 01:42 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het gerechtsdeurwaardersexploot waarbij de betrokkene, zonder gewag te maken van een vordering om schadevergoeding te bekomen op grond van een onrechtmatige daad, verzet aantekent tegen een dwangbevel waarbij beweerdelijk ten onrechte uitbetaald loon wordt teruggevorderd, is geen in gebreke stellend gerechtsdeurwaardersexploot in de zin van art. 101 gec. wetten op de Rijkscomptabiliteit. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Stuiting Vrije woorden: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Stuiting Schuldvordering ten laste van de Staat In gebreke stellend gerechtsdeurwaardersexploot Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 17-07-1991 - Artt.1382en13 Fiches 2 - 3 In geval van een onrechtmatige overheidsdaad ontstaat de schuldvordering in de regel op het ogenblik waarop de schade ontstaat of waarop haar toekomstige verwezenlijking naar redelijke verwachting vaststaat, zonder dat vereist is dat op dat tijdstip de omvang van de schade reeds precies kan worden bepaald

(1).
(1)Zie P.-J. Defoort, "Het toepassingsgebied van de vijfjarige verjaringstermijn van schuldvorderingen ten laste van de staat m.b.t. schuldvorderingen op grond van artikel 1382 B.W.", P. & B. 1995
(29), 33 nr 11; J. Ronse, Schade en schadeloosstelling, I, in A.P.R., Story Scientia 1984, nr 94 e.v. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Onrechtmatige overheidsdaad Ontstaan van schuldvordering Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet - 17-07-1991 - Artt.1382en13 Thesaurus CAS: STAAT Vrije woorden: STAAT Onrechtmatige overheidsdaad Benadeelde Schuldvordering Tijdstip van ontstaan Wettelijke bepalingen: Wet - 17-07-1991 - Artt.1382en13 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0317.N VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming, gevestigd te 1210 Sint-Joost-Ten-Noode, Koning Albert II-laan 15, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.W., verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 december 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Feiten Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat :
  1. de vooroverleden echtgenote van verweerder, vastbenoemde lerares, bij koninklijk besluit van 29 juli 1980 met terugwerkende kracht en zonder vooropzegging ontslagen werd ;
  2. haar op 18 november 1982 een dwangbevel werd betekend tot terugbetaling van de wedde die van 1 september 1975 tot 31 maart 1980 was doorbetaald, waartegen zij op 7 oktober 1986 verzet aantekende, dat op 21 juni 1989 gedeeltelijk ongegrond werd verklaard ;
  3. het Hof van Beroep te Gent het eerste vonnis op 6 oktober 1997 heeft tenietgedaan en voor recht heeft gezegd dat het dwangbevel nietig en van onwaarde is wegens de onwettigheid van het koninklijk besluit van 29 juli 1980 en van de andere daarop geënte bestuurshandelingen waarop het is gesteund ;
  4. de rechtsvoorganger van verweerder eiseres op 22 april 1998 dagvaardde op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek tot vergoeding van schade, bestaande in de wedde vanaf 1 april 1980 en de terugbetaling van de bedragen die in uitvoering van het dwangbevel waren betaald, dit wegens het onwettig koninklijk besluit van 29 juli 1980 ;
  5. de rechtsvoorganger van verweerder tijdens het geding is overleden ;
  6. het beroepen vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge van 7 december 1999 de vordering niet ontvankelijk heeft verklaard op grond van verjaring ;
  7. het bestreden arrest dat beroepen vonnis, in zoverre het de vordering van verweerder niet ontvankelijk heeft verklaard, vernietigt voor wat betreft de schade opgelopen door zijn rechtsvoorganger vanaf de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van het inleidend exploot van 22 april
  8. IV. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 100 en 101 van de bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 samengeordende wetten op de Rijkscomptabiliteit (vormend artikel 1 respectievelijk artikel 2 van de Wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën) ; de artikelen 1382, 2219, 2242 en 2244 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep verklaart in het arrest van 11 december 2002 het hoger beroep van de heer V. toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond. Het arrest veroordeelt eiseres tot betaling van 2.231,04 euro verhoogd met intrest. Daarenboven doet het arrest de beslissing van de eerste rechter teniet, waar de vordering van verweerder onontvankelijk verklaard werd, voor wat betreft de schade opgelopen door wijlen zijn rechtsvoorganger vanaf de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van het inleidend exploot. Omdat de rechter oordeelt de omvang van de schade niet te kunnen begroten, worden partijen verzocht bepaalde stukken over te leggen en bepaalde berekeningen te maken. Het hof (van beroep) steunt zijn beslissing op volgende motieven : "Een schuldvordering op grond van art. 1382 B.W. ten laste van de Staat, de gemeenschappen of de gewesten valt, anders dan (verweerder) voorhoudt, in principe wel degelijk onder het toepassingsgebied van de vijfjarige verjaringstermijn bedoeld in de artikelen 100 e.v. van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 (voorheen art. 1 e.v. van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën). De artikelen 100 e.v. van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit beheersen dan ook ten volle de door de rechtsvoorganger van (verweerder) ingestelde vordering. Met betrekking tot vorderingen op grond van de artikelen 1382 -1383 B.W. is het vertrekpunt van de verjaringstermijn de dag waarop het recht om een vordering te stellen ontstaat. Naar Belgisch recht wordt algemeen aanvaard dat het recht op schadevergoeding ontstaat vanaf het ogenblik dat alle bestanddelen welke art. 1382 B.W. vereist samen verenigd zijn, d.w.z. op het ogenblik dat de schade zich manifesteert. Dat is meteen het ogenblik dat de verjaring begint te lopen. Aangezien de rechtsvoorganger van (verweerder) moet worden geacht, bij kennisname van het koninklijk besluit waardoor zij met terugwerkende kracht ambtshalve en zonder vooropzeg werd ontslagen, te hebben geweten of minstens te hebben kunnen weten dat die overheidsbeslissing door nietigheid was aangetast en dat zij daardoor schade zou lijden, situeert de aanvang van de vijfjarige verjaring zich ongetwijfeld ten tijde van het koninklijk besluit van 1 september
  9. De schade manifesteerde zich immers reeds op dat ogenblik en alleszins niet, zoals (verweerder) onterecht voorhoudt, pas op de datum van het overlijden van diens rechtsvoorganger. (Verweerder) verwart hierbij het tijdstip waarop de schade reeds onmiddellijk een aanvang nam met het tijdstip waarop de omvang van de schade met zekerheid kon worden vastgesteld. Wanneer op het ogenblik van een onrechtmatige daad, ten deze een onrechtmatig ontslag, de uiteindelijke schade onmogelijk kan worden vastgesteld aangezien die zich in de toekomst voor onbepaalde duur zal voordoen telkens wanneer de verschuldigde maandelijkse wedde niet ontvangen wordt, moet tevens rekening worden gehouden met de verplichting tot 'overlegging' van de schuldvordering bedoeld in art. 100, 1°, van de gecoördineerde wetten. Alle schuldvorderingen ten laste van de Staat welke geen vaste uitgaven (zoals bezoldigingen, pensioenen enz ...) uitmaken en derhalve ook die welke gesteund zijn op art. 1382 B.W., moeten immers het voorwerp uitmaken van een aangifte, staat of rekening, waarop behoorlijk ondertekend een formule voorkomt dat de opgave deugdelijk en onvergolden is (...). In het geval dat de schade veroorzaakt door de fout van de overheid zich over vele jaren uitstrekt en bijgevolg niet onmiddellijk kan worden berekend, zal de betrokkene dan ook noodgedwongen periodiek, bijvoorbeeld jaarlijks, een aangifte, staat of rekening aan die overheid moeten overmaken, teneinde verjaring te vermijden (..). Hieruit vloeit ten dezen voort dat, bij gebrek aan voormelde 'overlegging' of in voorkomend geval aan een daad van stuiting bedoeld in art. 101, lid 1, van de gecoördineerde wetten, alle schade welke de rechtsvoorganger van (verweerder) heeft geleden voorafgaand aan de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van haar inleidend exploot (22 april 1998) verjaard is. Krachtens het 2e lid van laatstgenoemd artikel wordt de verjaring tevens geschorst door het instellen van een rechtsvordering totdat een definitieve beslissing is gewezen" (arrest p. 2, onderaan en p. 5, vanaf de vierde alinea). Grieven Overeenkomstig artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek is eenieder door wiens schuld schade aan een ander wordt veroorzaakt, verplicht deze te vergoeden. Overeenkomstig artikel 2219 van het Burgerlijk Wetboek is verjaring een middel om, door verloop van een zekere tijd en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden. De verjaringstermijn kan gestuit worden, in de zin van artikel 2242 van het Burgerlijk Wetboek, op één van de gronden bepaald in artikel 2244 van hetzelfde wetboek. Aldus kan degene door wiens schuld aan een ander schade werd veroorzaakt, bevrijd zijn van de verplichting deze schade te vergoeden wanneer de vergoedingsgerechtigde nalaat binnen de door de wet bepaalde verjaringstermijn zijn vordering tot het bekomen van vergoeding te stellen. Overeenkomstig artikel 100 van de bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 samengeordende wetten op de Rijkscomptabiliteit (vormend artikel 1 van de Wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën) zijn verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen (onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen), 1° de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan. Deze verjaringstermijn kan, afgezien van de gemeenrechtelijke stuitingsgronden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 101 van dezelfde gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 gestuit worden (eerste lid) of geschorst (tweede lid). De bevrijdende verjaring begint pas te lopen vanaf de dag waarop voor de schuldeiser het recht om de vordering in te stellen, ontstaat, zoals door het hof van beroep vastgesteld (arrest p. 5, punt 6, eerste alinea). Terzake van vorderingen tot schadeloosstelling wegens een onrechtmatige daad loopt de verjaring derhalve, voor vorderingen ingeleid voor het in werking treden van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd bij wet van 10 juni 1998, vanaf het ogenblik waarop de fout, de schade en het oorzakelijk verband tussen deze beide componenten, vaststaan, zoals door het hof van beroep vastgesteld (arrest p. 5, punt 6, tweede alinea). Het hof van beroep stelt vast dat de rechtsvoorganger van verweerder moet worden geacht bij de kennisname van het koninklijk besluit waardoor zij met terugwerkende kracht ambtshalve en zonder vooropzeg werd ontslagen, te hebben geweten of minstens te hebben kunnen weten dat die overheidsbeslissing door nietigheid was aangetast en dat zij daardoor schade zou lijden. Het hof (van beroep) erkent vervolgens dat "de aanvang van de vijfjarige verjaring zich ongetwijfeld ten tijde van het koninklijk besluit van 1 september 1980 (situeert)" (arrest p. 5, punt 6, derde alinea). Wanneer, zoals te dezen, de onrechtmatige daad een schade veroorzaakt die progressief in de toekomst evolueert en zich aldus over een langere tijd uitstrekt, zal de benadeelde dienvolgens erover moeten waken dat hij zijn vordering stelt binnen de verjaringstermijn die aanvangt bij het zich manifesteren van de eerste schade en dat hij voor de schade die zich nog later zal manifesteren, hetzij een schuldbekentenis bekomt van de aansprakelijke, hetzij de vordering tot het bekomen van aanvullende vergoeding stelt binnen de verjaringstermijn te rekenen van de laatste stuiting van de verjaring, hetzij een rechterlijke beslissing bekomt waarin hij gerechtigd wordt verklaard op vergoeding voor de schade die zich in de toekomst zou manifesteren of waarin een voorbehoud wordt erkend voor de toekomstige schade. Het verjaren van de vordering voor het bekomen van schadevergoeding lastens de Belgische Staat, voor schade uit onrechtmatige daad die zich progressief in de tijd voordoet, kan aldus verhinderd worden door het repetitief, vóór het bereiken van de verjaring, overleggen van een "aangifte, staat of rekening". Het hof van beroep stelt te dezen niet vast dat een schuldbekentenis lastens de Belgische Staat voorlag, noch dat verweerder vóór zijn dagvaarding van 22 april 1998 enige aanspraak op vergoeding had gemaakt voor schade die zich reeds rond 1 september 1980 had gemanifesteerd, noch dat verweerder door enige rechtshandeling de lopende verjaringstermijn had gestuit of geschorst, noch dat verweerder hiervoor reeds enige "aangifte, staat of rekening" had ingediend. Hieruit volgt dat het hof dienvolgens niet wettig kon oordelen dat verweerders vordering, ingeleid door zijn dagvaarding van 22 april 1998, betrekkelijk schade die reeds rond 1 september 1980 was ontstaan, niet verjaard was voor de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van dagvaarding. Het hof van beroep schendt bijgevolg alle in de aanhef van het middel tot cassatie vermelde wetsbepalingen. IV. Beslissing van het Hof Middelen van niet-ontvankelijkheid Over de door de verweerder opgeworpen gronden van niet-ontvankelijkheid :
  10. eiseres bekritiseert niet een reden waarop het arrest zijn beslissing laat steunen om met ingang van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de gedinginleidende akte schadevergoeding toe te kennen ;
  11. het verzet tegen het dwangbevel bij gerechtsdeurwaardersexploot stuit de verjaring bepaald in artikel 101 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat de rechtsvoorganger van verweerder reeds ten tijde van haar verzet op 7 oktober 1986 tegen een door eiseres op 18 november 1982 aan haar betekend dwangbevel om de verschuldigde uitbetaalde wedde sinds 1 september 1975 terug te betalen, zich beroepen heeft op de nietigheid van het koninklijk besluit van 29 juli 1980 ; Dat dit oordeel niet de verjaring van de aansprakelijkheidsvordering betreft maar enkel een antwoord is op het verweer van eiseres dat de pas op 22 april 1998 door de rechtsvoorganger van verweerder ingestelde rechtsvordering rechtsmisbruik uitmaakte ; Overwegende dat een gerechtsdeurwaardersexploot waarbij verzet wordt aangetekend tegen een dwangbevel waarbij beweerdelijk ten onrechte uitbetaald loon wordt teruggevorderd, geen in gebreke stellende gerechtsdeurwaardersexploot is in de zin van artikel 101 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit waarbij de verjaring van een vordering om schadevergoeding te bekomen op grond van een onrechtmatige daad, waarvan in het exploot geen gewag wordt gemaakt, wordt gestuit ; Dat de gronden van niet-ontvankelijkheid niet kunnen worden aangenomen ; Middel zelf Overwegende dat artikel 1, eerste lid, a, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën en artikel 100, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit bepalen dat verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, de schuldvorderingen waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet is geschied binnen een termijn van vijf jaren te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij ontstaan ; Dat, behoudens andersluidende wettelijke bepalingen, die verjaringstermijn van vijf jaar voor alle schuldvorderingen ten laste van de Staat geldt ; Dat deze bijzondere verjaringstermijn voor schuldvorderingen op de Staat een aanvang neemt op de eerste januari van het begrotingsjaar waarin de schuldvordering ontstaan is ; Dat de schuldvordering, in geval van een onrechtmatige overheidsdaad, in de regel ontstaat op het ogenblik waarop de schade ontstaat of waarop haar toekomstige verwezenlijking, naar redelijke verwachting, vaststaat ; dat de omstandigheid dat de omvang van de schade op dat tijdstip nog niet precies kan worden bepaald, hieraan geen afbreuk doet ; Overwegende dat het arrest, zonder deswege te worden bekritiseerd, oordeelt dat de rechtsvoorganger van verweerder geacht moet worden bij het kennisnemen van het koninklijk besluit waardoor zij met terugwerkende kracht ambtshalve en zonder vooropzegging werd ontslagen, geweten te hebben of minstens te hebben kunnen weten dat die overheidsbeslissing door nietigheid was aangetast en zij daardoor schade zou kunnen lijden en dat de aanvang van de vijfjarige verjaring zich ongetwijfeld ten tijde van het koninklijk besluit van 1 september 1980, bedoeld wordt 29 juli 1980, situeert ; Overwegende dat het arrest, hoewel het vaststelt dat de schade ontstaan is en zich manifesteerde vanaf 1 september 1980, bedoeld wordt 29 juli 1980, niet vaststelt dat de rechtsvoorganger van verweerder binnen de vijf jaar na 1 januari 1980 de lopende verjaringstermijn had gestuit of dat zij haar schuldvordering op de door de wet bepaalde wijze had overgelegd ; Dat het arrest aldus zijn beslissing, dat de vordering slechts verjaard is in zoverre zij betrekking heeft op de schade geleden in de periode voorafgaand aan de termijn van vijf jaar voor de gedinginleidende dagvaarding van 22 april 1998, niet naar recht verantwoordt ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de rechtsvoorganger van verweerder tot vergoeding van schade ontvankelijk verklaart voor de periode van vijf jaren voorafgaand aan de datum van de inleidende dagvaarding van 22 april 1998 ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van negenentwintig september tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050929.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150430.9 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210122.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.