← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.12 Rolnummer: C.04.0594.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-02-14 Raadplegingen: 298 - laatst gezien 2026-07-03 11:11 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 In het geval van meerdere pogingen tot verzoening heeft, wat de termijnen betreft, elk verzoek om de toekomstige verweerder tot minnelijk schikking te doen oproepen, bedoeld in artikel 1345, eerste lid, Ger.W., de gevolgen van een gerechtelijke dagvaarding, mits deze wordt uitgebracht binnen een maand na de datum van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de partijen niet tot een minnelijke schikking zijn gekomen

(1).
(1)In casu had de eerste poging plaatsgevonden voor een onbevoegde vrederechter (Kapellen), de tweede voor de bevoegde vrederechter (Antwerpen, elfde kanton). Door het gebruik van de ruime bewoording "elke poging" en het specifieke geval, lost het Hof de betwisting op van de oproeping voor de bevoegde en onbevoegde vrederechter, gevolgd door een dagvaarding binnen de maand. (Zie: C. BUELENS, "Knelpunten bij de verplichte voorafgaande oproeping inzake pacht kritisch bekeken", T.Agr.R. 2000, p. 8082, punt 3c; R. VANCRAENENBROECK, "Art. 1345 Ger.W.", Comm. Ger. 1998, p. 13-14, nr 15 en de verwijzingen aldaar; P. HEURTERRE, "De minnelijke schikking", T.P.R. 1980, p. 213, nr 27). Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Algemeen Vrije woorden: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Algemeen Rechtsvordering Oproeping ter minnelijke schikking Stuitende werking van het verzoek tot oproeping bij elke poging Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1345 Vrije woorden: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Algemeen Rechtsvordering Oproeping ter minnelijke schikking Vroegere verzoeningspoging Stuitende werking Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1345 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0594.N
  1. V.M.,
  2. C.S.,
  3. C.C.,
  4. C.L.,
  5. C.L.,
  6. C.M.,
  7. C.M., eisers, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.J., verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 22 november 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. III. Middelen De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 731 en 1345 van het Gerechtelijk Wetboek ; de artikelen 2244 en 2262bis, ,§1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appèlrechters beslissen in het vonnis van 22 november 2004 dat de vordering van verweerder niet verjaard is op grond van de volgende overwegingen : "De vorderingen tot nietigverklaring van de clausule van de notariële akten, verleden voor notaris D.B. op 1 mei 1992, waarbij (verweerder) en zijn voormalige echtgenote afstand deden van ieder recht op vergoeding is onderworpen aan de verjaringstermijn van artikel 2262bis, ,§1, Burgerlijk Wetboek. In casu wordt door (de eisers) niet betwist dat zij tweemaal werden opgeroepen in verzoening op grond van artikel 1345 Gerechtelijk Wetboek, de eerste maal voor het Vredegerecht van Kapellen op 8 augustus 2000 en de tweede maal voor het Vredegerecht van Antwerpen op 23 mei
  8. De verzoekschriften tot oproeping in minnelijke schikking van respectievelijk 17 juli 2000 en 30 april 2002 hadden hetzelfde voorwerp. Op 8 augustus 2000 en op 23 mei 2002 werd door de vrederechter een proces-verbaal van niet minnelijke schikking opgesteld. Het proces-verbaal van 8 augustus 2000 werd niet gevolgd door een dagvaarding. Het proces-verbaal van niet minnelijke schikking van 23 mei 2002 werd gevolgd door de gedinginleidende dagvaarding van 21 juni
  9. De rechtbank is van oordeel dat de tekst van artikel 1345 Gerechtelijk Wetboek, noch enig andere wettelijke bepaling zich er tegen verzet dat een zelfde verzoek het voorwerp uitmaakt van meerdere oproepingen in verzoening op grond van artikel 1345 Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1345 van het Gerechtelijk Wetboek kent aan de oproeping in verzoening dezelfde stuitende werking als de dagvaarding toe, op voorwaarde dat deze wordt uitgebracht binnen de maand na de datum van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de partijen niet tot minnelijke schikking zijn gekomen. Het staat vast dat de stuiting van de verjaring door dagvaarding bepaald in artikel 2244 van het Gerechtelijk Wetboek tot doel heeft de aangesproken partij zijn wil kenbaar te maken om het recht waarop hij aanspraak maakt niet te verliezen. Elk van de oproepingen tot verzoening op grond van artikel 1345 van het Gerechtelijk Wetboek is een uiting van het inzicht het recht niet te verliezen, maar zal slechts leiden tot een onderbreking van de verjaring indien ze gevolgd wordt door een dagvaarding binnen de maand na het proces-verbaal van niet minnelijke schikking. De tekst van artikel 1345 van het Gerechtelijk Wetboek laat niet anders toe dan te besluiten dat het verzoek van (verweerder) tot oproeping ter minnelijke schikking van 30 april 2002, de gevolgen heeft van een gerechtelijke dagvaarding, aangezien ze werd uitgebracht binnen een maand na het proces-verbaal van niet minnelijke schikking van 23 mei
  10. Het verzoek tot minnelijke schikking van (verweerder) van 30 april 2002 heeft bijgevolg de verjaring gestuit, zodat de oorspronkelijke vordering van (verweerder) niet verjaard is" (blz. 4 en 5 van het bestreden vonnis). Grieven Artikel 2262bis, ,§1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat "Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar". Artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt "Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting". Artikel 1345, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt "Inzake pacht, recht van voorkoop ten gunste van de huurders van landeigendommen, recht van uitweg en, tenzij bij tussenvordering, inzake uitgesteld loon in land- en tuinbouw wordt geen enkele rechtsvordering toegelaten, indien de eiser niet tevoren aan de rechter een schriftelijk of mondeling verzoek heeft gedaan om de toekomstige verweerder ter minnelijke schikking te doen oproepen. De griffie stelt van die vordering proces-verbaal op. Binnen acht dagen na het verzoek roept de rechter de partijen op ter minnelijke schikking ; van het verschijnen wordt proces-verbaal opgemaakt. Indien overeenkomst wordt bereikt, worden de bewoordingen ervan vastgesteld in het proces-verbaal en de uitgifte wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging. Wat de termijnen betreft, die bij de wet verleend worden heeft het verzoek, ingediend zoals hiervoren wordt gezegd, de gevolgen van een gerechtelijke dagvaarding, mits deze wordt uitgebracht binnen een maand na de datum van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de partijen niet tot een minnelijke schikking zijn gekomen". Artikel 2262bis, ,§1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek schrijft voor dat persoonlijke vorderingen verjaren na 10 jaar. Een vordering tot nietigverklaring van clausules van een notariële akte is een persoonlijke vordering. Ingevolge artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek stuit een dagvaarding de verjaring. Ingevolge artikel 1345 van het Gerechtelijk Wetboek heeft het verzoekschrift waarbij de verplichte oproeping in minnelijke schikking inzake pacht geschiedt, de gevolgen van een gerechtelijke dagvaarding wanneer de dagvaarding wordt uitgebracht binnen de maand na de datum van het opgestelde proces-verbaal. Zodoende stuit het verzoekschrift waarmee de verplichte oproep tot minnelijke schikking in pachtzaken wordt aangevat, de verjaring voor zover de dagvaarding wordt uitgebracht binnen de maand. De verplichting van artikel 1345 van het Gerechtelijk Wetboek is evenwel eenmalig. Hieruit vloeit voort dat een tweede oproeping in verzoening geen verplichte oproeping in verzoening kan zijn in de zin van artikel 1345 van het Gerechtelijk Wetboek, doch louter een bijkomende en dus facultatieve poging tot minnelijke schikking is. Ingevolge artikel 731 van het Gerechtelijk Wetboek kan een partij in beginsel altijd een facultatieve poging tot minnelijke schikking ondernemen, zonder dat zulks verplicht is. De oproep waarmee een facultatieve poging tot minnelijk schikking wordt aangevat, heeft geen stuitende werking. Door vooraf te oordelen dat de vorderingen tot nietigverklaring van de op 1 mei 1992 opgestelde authentieke akten onderworpen zijn aan de verjaringstermijn van artikel 2262bis, ,§2, van het Burgerlijk Wetboek, doch vervolgens te beslissen dat ook het tweede verzoek tot oproeping ter minnelijke schikking dat dateert van 30 april 2002 de gevolgen heeft van een gerechtelijke dagvaarding, aangezien de dagvaarding werd betekend binnen een maand na het tweede proces-verbaal van niet minnelijke schikking van 23 mei 2002 en door op grond hiervan te beslissen dat de vordering van verweerder niet verjaard is, schendt het bestreden vonnis ambtshalve de artikelen 731 en 1345 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 2244 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 14, tweede lid, en 45 van de Pachtwet die Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling III, van het Burgerlijk Wetboek vormt. Aangevochten beslissingen De appèlrechters verklaren in het vonnis van 22 november 2004 dat de vordering van verweerder gegrond is op grond van de volgende overwegingen : "(Verweerder) beroept zich eveneens en terecht op artikel 56 van de Pachtwet als rechtsgrond voor de nietigverklaring van de clausule waarop hij afstand deed op enige vergoeding. Artikel 56 van de Pachtwet bedingt inderdaad dat voor niet bestaande worden gehouden alle overeenkomsten waarbij de pachter afstand doet van de rechten die limitatief opgesomde artikelen van de Pachtwet hem verlenen. De clausules van de respectieve notariële akten zijn bijgevolg nietig voor zover (verweerder) afstand deed van vergoedingen waarop hij krachtens bepalingen van dwingend recht van de Pachtwet gerechtigd was. De rechtbank is van oordeel dat (verweerder) bij de ondertekening van de notariële akten wel aanspraak kon maken op een vergoeding ex artikel 45.1 van de Pachtwet maar niet op een vergoeding ex artikel 46 van de Pachtwet. De vergoeding ex artikel 45.1 van de Pachtwet is immers verschuldigd in alle gevallen waar de pacht wordt beëindigd, in welke vorm of om welke reden dat deze pachtbeëindiging ook gebeurde. Zij is bijgevolg ook verschuldigd in geval van minnelijke beëindiging van de pachtovereenkomst, zoals in casu het geval is. (De eisers) werpen ten onrechte op dat in casu afstand plaatsvond na de beëindiging van de pacht en de nietigheid bijgevolg is gedekt. Dit standpunt is strijdig met de inhoud van de notariële akten zelf waarin tegelijkertijd de beëindiging bij onderling overleg van de pachtovereenkomsten en de afstand van enige vergoeding werd geacteerd. De inhoud van artikel 56 van de Pachtwet verzet er zich tegen dat de afstand van enige vergoeding gelijktijdig met de minnelijke beëindiging gebeurt. De rechtbank besluit dat de clausule waarbij (verweerder) afstand doet van de prijzijvergoeding conform artikel 56 van de Pachtwet nietig is en dat (verweerder) bijgevolg terecht aanspraak maakt op de betaling van de uittredingsvergoeding bepaald in artikel 45, eerste lid, van de Pachtwet" (blz. 7 en 8 van het bestreden vonnis). Grieven Artikel 45 van de Pachtwet bepaalt "
  11. Afgezien van de vergoedingen die aan de pachter krachtens de voorgaande artikelen kunnen toekomen uit hoofde van gebouwen, aanplantingen en werken, moet de afgaande pachter van de verpachter een vergoeding ontvangen voor het stro, de mest en navetten die hij bij zijn vertrek achterlaat voor de bebouwing die hij reeds heeft verricht, alsmede voor de verbeteringen aangebracht aan de gronden, wat hun staat van zuiverheid betreft (...).
  12. Afstand van de vergoeding bij het verlaten van het gepachte goed kan slechts gebeuren na de opzegging en moet blijken uit een authentieke akte of uit een verklaring voor de vrederechter afgelegd op diens ondervraging". Artikel 56, eerste en tweede lid, van de Pachtwet bepaalt "Voor niet bestaande worden gehouden alle overeenkomsten waarbij de pachter uitdrukkelijk of stilzwijgend geheel of gedeeltelijk afstand doet van de rechten die de artikelen 1720, lid 2, 1721, 1722 en 1755 hem verlenen, en alle gebruiken in strijd met die bepalingen. Dit is ook het geval wat betreft de rechten die de artikelen 3 tot 15, 17, 19 tot 28, 31, 32, 34, 35, 37, 38, 40, 41, 43, 45 tot 51, 55 hem verlenen". Artikel 56 van de Pachtwet bepaalt dat overeenkomsten waarbij de pachter afstand doet van de rechten die ondermeer artikel 45 van de Pachtwet hem verlenen, voor niet bestaande worden gehouden. Artikel 45 van de Pachtwet bepaalt dat de pachter recht heeft op een vergoeding ontvangen voor het stro, de mest en de navetten die hij bij zijn vertrek achterlaat, voor de bebouwing die hij reeds heeft verricht en voor de verbeteringen aangebracht aan de gronden, wat hun staat van zuiverheid betreft, doorgaans omschreven als de "prijzij vergoeding" of gewone uittredingsvergoeding. In afwijking op artikel 56 van de Pachtwet, bepaalt artikel 45 dat de pachter afstand kan doen van de gewone uittredingsvergoeding na de opzegging van de pachtovereenkomst, voor zover die afstand blijkt uit een authentieke akte. Artikel 14, tweede lid, van de Pachtwet bepaalt dat partijen in onderlinge overeenstemming een pacht kunnen beëindigen wanneer zulks bij authentieke akte wordt vastgelegd. Wanneer een pachtovereenkomst wordt beëindigd in onderlinge overeenstemming, is er geen "opzegging" in de zin van artikel 45 van de Pachtwet. Wanneer een pachtovereenkomst wordt beëindigd in onderlinge overeenstemming, is afstand van de uittredingsvergoeding bijgevolg mogelijk op grond van artikel 45 van de Pachtwet voor zover die afstand blijkt uit een authentieke akte. In casu stelden de appèlrechters vast dat uit de inhoud van de notariële akten zelf blijkt dat de beëindiging bij onderling overleg van de pachtovereenkomst en de afstand van enige vergoeding, tegelijkertijd werden geacteerd en de inhoud van artikel 56 van de Pachtwet er zich tegen verzet dat de afstand van enige vergoeding tegelijkertijd met de minnelijke beëindiging gebeurt. Door de clausules van de respectieve notariële akten waarin verweerder afstand deed van de vergoedingen waarop hij krachtens de bepalingen van dwingend recht van de Pachtwet gerechtigd was, nietig te verklaren op grond van artikel 56 van de Pachtwet, schenden de appèlrechters artikelen 14, tweede lid, en 45 van de Pachtwet. IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat, krachtens artikel 1345, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, inzake pacht geen enkele rechtsvordering wordt toegelaten, indien de eiser niet tevoren aan de rechter een schriftelijk of mondeling verzoek heeft gedaan om de toekomstige verweerder tot minnelijke schikking te doen oproepen ; dat van deze poging tot minnelijke schikking een proces-verbaal wordt opgemaakt ; Dat, krachtens het tweede lid van dit artikel, wat de bij wet verleende termijnen betreft, het in het eerste lid bedoelde verzoek de gevolgen heeft van een gerechtelijke dagvaarding, mits deze wordt uitgebracht binnen een maand na de datum van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de partijen niet tot een minnelijke schikking zijn gekomen ; Dat uit deze bepalingen volgt dat, wat de bij wet verleende termijnen betreft, voor elke poging tot minnelijke schikking, het daartoe gedane verzoek de gevolgen heeft van een gerechtelijke dagvaarding, mits deze wordt uitgebracht binnen een maand na de datum van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de partijen niet tot een minnelijke schikking zijn gekomen ; Dat aldus in het geval een dagvaarding wordt uitgebracht binnen een maand na het proces-verbaal waaruit blijkt dat de partijen niet tot een minnelijke schikking zijn gekomen, het gedane verzoek, wat de termijnen betreft, de gevolgen heeft van een gerechtelijke dagvaarding, ook al is een andere verzoeningspoging daaraan voorafgegaan ; Overwegende dat het middel er van uitgaat dat de verplichting van artikel 1345 van het Gerechtelijk Wetboek eenmalig is en dat hieruit voortvloeit dat een tweede poging tot minnelijke schikking geen poging is in de zin van deze bepaling, derwijze dat het verzoek daartoe geen stuitende werking kan hebben ; Dat het middel faalt naar recht ; Tweede middel Overwegende dat het middel ervan uitgaat dat artikel 45.5 van de Pachtwet zowel toepasselijk is als niet toepasselijk in geval van minnelijke beëindiging van de pacht ; Dat het middel wegens innerlijke tegenstrijdigheid niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd achtenvijftig euro zevenenvijftig cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd zevenenzestig euro zevenenveertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van zes oktober tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.12 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210212.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.