id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.14 Rolnummer: C.03.0377.N-C.03.0411.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Overige Invoerdatum: 2006-02-14 Raadplegingen: 676 - laatst gezien 2026-07-04 10:08 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer de verzekeraar van het motorrijtuig, die in de rechten is getreden van het slachtoffer dat hij overeenkomstig art. 29bis, W.A.M.-wet vergoed heeft, een verhaalsvordering instelt tegen de in gemeen recht aansprakelijke derde is deze laatste gerechtigd het bewijs te leveren van de eigen fout van het slachtoffer, ook wanneer dit jonger is dan 14 jaar
(1)Zie Cass., 3 sept. 1987, AR 5485, nr 2. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: VORDERING IN RECHTE Gevorderde zaak Punt van de vordering Tekst van de beslissing I. Nr. C.03.0377.N 1. AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, met ondernemingsnummer 0404.483.367, 2. KSJ KSA VKSJ, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 1030 Schaarbeek, Gaucheretstraat 205, eiseressen, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. ING INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1140 Evere, Henri Matisselaan 16, 2. S.L., 3. G.L., 4. FB VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Wolvengracht 48, verweerders, 5. C.K. 6. B.G., 7. FIDEA, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Van Eycklei 14, 8. FORTIS AG, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, verweerders, de verwerende partijen sub 5, 6, 7 en 8 minstens tot bindendverklaring opgeroepen. II. Nr. C.03.411.N 1. B.G., 2. FORTIS AG, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, 3. C.K., 4. FIDEA, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Van Eycklei 14, eisers, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. ING-INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1140 Evere, Henri Matisselaan 16, 2. DE KATHOLIEKE STUDERENDE JEUGD KATHOLIEKE STUDENTENACTIE VROUWELIJKE KATHOLIEKE STUDERENDE JEUGD, LANDELIJK VERBOND, vereniging zonder winstoogmerk, afgekort KSJ-KSA-VKSJ, met zetel te 1030 Schaarbeek, Vooruitgangstraat 225, 3. AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, 4.
- a)S.L., en zijn echtgenote
- b)G.L., 5. FB VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Wolvengracht 48, verweerders. III. Nr. C.03.0623.N 1.
- a)S.L.
- b)G.L., eisers, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. ING-INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1140 Evere, Henri Matisselaan 16, 2. AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, verweersters. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen een vonnis, op 19 maart 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middelen A. Het cassatieberoep C.03.0377.N : De eiseressen voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. B. Het cassatieberoep C.03.0411.N : De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. C. Het cassatieberoep C.03.0623.N : De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. IV. Beslissing van het Hof A. Samenvoeging Overwegende dat de cassatieberoepen C.03.0377.N, C.03.0411.N en C.03.0623.N tegen hetzelfde vonnis zijn gericht zodat zij dienen gevoegd. B. Cassatieberoep C.03.0377.N 1. Eerste middel Overwegende dat artikel 29bis, ,§1, zevende lid, van de Wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat het bewijs van een onverschoonbare fout niet is toegelaten ten aanzien van slachtoffers, jonger dan 14 jaar ; dat deze regel enkel betrekking heeft op het recht op vergoeding van de slachtoffers tegenover de verzekeraar van het betrokken motorrijtuig ; dat indien het slachtoffer jonger dan 14 jaar is, de verzekeraar van het betrokken motorrijtuig zich niet op de onverschoonbare fout van het slachtoffer kan beroepen, om zich te onttrekken aan zijn vergoedingsplicht ; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 29bis, ,§4, van de voormelde wet, de verzekeraar of het gemeenschappelijk waarborgfonds in de rechten treden van het slachtoffer tegen de in gemeen recht aansprakelijke derden ; Dat dit subrogatoir verhaalsrecht van de verzekeraar beperkt is tot wat het slachtoffer naar gemeen recht had kunnen vorderen van de aansprakelijke derde, in de hypothese dat de verzekeraar niet was tussengekomen in de vergoeding ; Dat derhalve, wanneer het slachtoffer mede aansprakelijk is voor de schade, het verhaalsrecht van de verzekeraar beperkt is tot het bedrag van de vergoeding waarop het slachtoffer naar gemeen recht aanspraak had kunnen maken, rekening houdend met de verdeling van de aansprakelijkheid ; Dat bijgevolg, de derde tegen wie de verzekeraar een verhaalsvordering instelt, gerechtigd is te bewijzen dat het slachtoffer een fout heeft begaan die mede oorzaak is van de schade ; Dat die derde het bewijs van de eigen fout van het slachtoffer ook mag leveren wanneer het slachtoffer jonger is dan 14 jaar ; Overwegende dat het bestreden vonnis beslist dat eiseressen het bewijs van enige objectief onrechtmatige daad in hoofde van het slachtoffer kunnen noch mogen leveren, op grond dat het slachtoffer slecht negen jaar oud was en het bewijs van een onverschoonbare fout niet is toegelaten ten aanzien van slachtoffers jonger dan 14 jaar ; Dat het vonnis, door op deze grond de eiseressen samen met de vijfde en zesde verweerders te veroordelen tot betaling van het volledige door de eerste verweerster gevorderde bedrag, de in het middel aangewezen wettelijke bepalingen schendt ; Dat het middel in zoverre gegrond is ; Overwegende voorts dat het bestreden vonnis de beslissing de vordering van de eerste verweerster ten aanzien van de eiseressen volledig toe te kennen niet grondt, zoals in het middel aangevoerd, op het oordeel dat "de verzekeraar of het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds hun subrogatierecht niet (kunnen) uitoefenen tegen de voor de schade aansprakelijk persoon of rechthebbende, die zij krachtens artikel 29bis van de Wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen hebben betaald" ; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist ; 2. Tweede middel 2.1. Tweede onderdeel Overwegende dat de tweede en derde verweerders in hun appèlconclusie vragen dat hen akte zou worden verleend van het voorbehoud dat zij formuleerden om een vordering in te stellen tegen de eerste verweerster bij toepassing van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 ; Overwegende dat het vragen van zulk voorbehoud geen gevorderde zaak betreft in de zin van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 2.2. Overige onderdelen Overwegende dat, gelet op het antwoord op het tweede onderdeel, de overige onderdelen geen belang meer vertonen, mitsdien niet ontvankelijk zijn ; C. Cassatieberoep C.03.0411.N 1. Eerste middel Tweede onderdeel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 29bis, ,§4, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, de verzekeraar of het gemeenschappelijk waarborgfonds in de rechten treden van het slachtoffer tegen de in gemeen recht aansprakelijke derden ; Dat dit subrogatoir verhaalsrecht van de verzekeraar beperkt is tot wat het slachtoffer naar gemeen recht had kunnen vorderen van de aansprakelijke derde, in de hypothese dat de verzekeraar niet was tussengekomen in de vergoeding ; Dat derhalve, wanneer het slachtoffer mede aansprakelijk is voor de schade, de aansprakelijke derde niet kan worden verplicht tot vergoeding van de volledige schade aan de gesubrogeerde verzekeraar ; Dat de omstandigheid dat het slachtoffer jonger is dan 14 jaar hieraan geen afbreuk doet ; Overwegende dat het bestreden vonnis de eerste en derde eisers, samen met de tweede en derde verweersters, veroordeelt tot betaling van het volledige door de eerste verweerster gevorderde bedrag, zonder na te gaan of het slachtoffer mede aansprakelijk was voor de schade, op grond dat het slachtoffer slechts negen jaar oud was en het bewijs van een onverschoonbare fout niet is toegelaten ten aanzien van slachtoffers jonger dan 14 jaar ; Dat het vonnis aldus, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste middel in zake C.03.0377.N, de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen schendt ; Dat het onderdeel gegrond is ; 2. Tweede middel Overwegende dat het niet tegenstrijdig is, enerzijds, te oordelen dat de familiale verzekeraars gehouden zijn dekking te verlenen, anderzijds, te oordelen dat, nu de vordering van de derde verweerster tot terugbetaling van vergoedingen zou neerkomen op het vragen van een veroordeling voor het eerst in hoger beroep, het vonnis slechts gemeen kan worden verklaard aan de tweede en vierde eiseressen ; Dat het middel, in zoverre het een motiveringsgebrek aanvoert, feitelijke grondslag mist ; Overwegende voorts dat, anders dan het middel aanvoert, het bestreden vonnis de tweede en vierde eiseressen niet veroordeelt tot betaling van vergoedingen van schade ; Dat het middel, in zoverre het schending aanvoert van artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek, feitelijke grondslag mist ; D. Cassatieberoep C.03.0623.N 1. Tweede onderdeel Overwegende dat de eisers in hun appèlconclusie vragen dat hen akte zou worden verleend van het voorbehoud dat zij formuleerden om een vordering in te stellen tegen de eerste verweerster bij toepassing van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 ; Overwegende dat het vragen van zulk voorbehoud geen punt van de vordering is, in de zin van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, noch een gevorderde zaak in de zin van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ; Dat het onderdeel, in zoverre het schending aanvoert van deze wetsbepalingen, niet kan worden aangenomen ; 2. Eerste en derde onderdeel Overwegende dat de appèlrechters, nu het gevraagde voorbehoud geen punt van de vordering uitmaakt, hierop niet dienden in te gaan ; Dat de onderdelen, in zoverre zij een motiveringsgebrek aanvoeren, niet kunnen worden aangenomen ; Overwegende verder dat, gelet op het antwoord op het tweede onderdeel, de overige grieven geen belang meer vertonen ; Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Voegt de cassatieberoepen C.03.0377.N, C.03.0411.N en C.03.0623.N ; Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het G.B., K.C., KSJ-KSA-VKSJ VZW en Axa Belgium samen veroordeelt tot het betalen aan N.V. ING INSURANCE van het bedrag van 110.275,93 euro, met de gerechtelijke interest en uitspraak doet over de kosten ; Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren, zitting houdende in hoger beroep. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Jean-Pierre Frère, Ghislain Londers, Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van zes oktober tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.14 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080508.10 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100607.1 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170622.6 ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20250902.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140120.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div