← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.15 Rolnummer: C.03.0226.N-C.03.0382.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-16 Raadplegingen: 433 - laatst gezien 2026-07-04 13:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer voor een inrichting zowel een bouwvergunning als een milieuvergunning is vereist, is de bouwvergunning niet meer geschorst als de milieuvergunning is verleend en vangt de termijn van een jaar voor het begin van de werken aan op de dag dat de milieuvergunning wordt verleend

(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Vrije woorden: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Schorsing Milieuvergunning Fiche 2 De enkele omstandigheid dat een annulatieberoep tegen een milieuvergunning voor de Raad van State wordt ingesteld, heeft niet tot gevolg dat de termijn bepaald in artikel 52 van de Stedenbouwwet geschorst is zolang de Raad van State hierover geen uitspraak heeft gedaan
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: MILIEURECHT Milieuvergunning Annulatieberoep Wettelijke bepalingen: Wet - 29-03-1962 - Art.52 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. m.o. CORNELIS, Cass., 6 okt. 2005, AR C.03.0226.N - C.03.0382.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Vrije woorden: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Schorsing Milieuvergunning Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: MILIEURECHT Milieuvergunning Annulatieberoep Nota: C. 03.0226.N C.3.0382.N Advocaat-generaal met opdracht P. Cornelis heeft in substantie gezegd: Volgens het tweede onderdeel van het enig middel in de twee zaken is het ten onrechte dat het bestreden arrest heeft besloten dat zolang de procedure in nietigverklaring van de milieuvergunning voor de Raad van State hangende was, de geldigheidstermijn van drie jaar voor deze vergunning nog niet aan het lopen was en pas een aanvang heeft genomen op de datum van de laatste uitspraak door de Raad van State ten gronde. Het hof van beroep beschouwde dat de koppeling tussen de bouwvergunning en de milieu vergunning tot gevolg had dat de geldigheidsduur van de bouwvergunning ook vanaf de beslissing van de Raad van State begon te lopen. De bouwvergunning komt hier ter sprake, in verband met het bevel tot stopzetting. Het valt niet te betwijfelen dat er een koppeling bestaat tussen de bouw- en de milieuvergunning: Artikel 5, ,§ 1 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt dat de bouwvergunning voor een inrichting waarvoor een milieuvergunning nodig is, wordt geschorst zolang de milieuvergunning niet is verleend. De wederkerigheid tussen de twee vergunningen werd onderstreept in het advies van de Raad van State in verband met het ontwerp van het decreet VLAREM I
(1). Omtrent de bouwvergunning heeft Uw Hof bij een arrest van 2 april 1998
(2)beslist dat de enkele omstandigheid dat een derde een annulatieberoep tegen de vergunning instelt voor de Raad van State, niet tot gevolg heeft dat de termijn in artikel 52 van de Stedenbouwwet bepaald geschorst is zolang de Raad van State hierover geen uitspraak heeft gedaan. Dit arrest moet bekeken worden in de lijn van een ander arrest van 7 mei 1980
(3)waar U besliste dat die termijn niet voor schorsing vatbaar is, ook niet wegens overmacht. Gelet op het parallellisme tussen de wetsbepalingen betreffende de twee vergunningen, meen ik dat U dezelfde interpretatie zou moeten hebben inzake de vervaltermijn voor de milieuvergunning. Het middel in dit onderdeel lijkt me gegrond. Ik concludeer tot de cassatie met verwijzing. _________
(1)Parl. St. Vl. R. 291 (1984-1985) nr.17, 3).
(2)Cass., 2 april 1998, A.R. C.95.0017.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.14 (A.C., 1998, nr. 189).
(3)Cass., 7 mei 1980, (A.C., 1979-80, nr. 566). C. 03.0226.N C.3.0382.N Advocaat-generaal met opdracht P. Cornelis heeft in substantie gezegd: Volgens het tweede onderdeel van het enig middel in de twee zaken is het ten onrechte dat het bestreden arrest heeft besloten dat zolang de procedure in nietigverklaring van de milieuvergunning voor de Raad van State hangende was, de geldigheidstermijn van drie jaar voor deze vergunning nog niet aan het lopen was en pas een aanvang heeft genomen op de datum van de laatste uitspraak door de Raad van State ten gronde. Het hof van beroep beschouwde dat de koppeling tussen de bouwvergunning en de milieu vergunning tot gevolg had dat de geldigheidsduur van de bouwvergunning ook vanaf de beslissing van de Raad van State begon te lopen. De bouwvergunning komt hier ter sprake, in verband met het bevel tot stopzetting. Het valt niet te betwijfelen dat er een koppeling bestaat tussen de bouw- en de milieuvergunning: Artikel 5, ,§ 1 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt dat de bouwvergunning voor een inrichting waarvoor een milieuvergunning nodig is, wordt geschorst zolang de milieuvergunning niet is verleend. De wederkerigheid tussen de twee vergunningen werd onderstreept in het advies van de Raad van State in verband met het ontwerp van het decreet VLAREM I
(1). Omtrent de bouwvergunning heeft Uw Hof bij een arrest van 2 april 1998
(2)beslist dat de enkele omstandigheid dat een derde een annulatieberoep tegen de vergunning instelt voor de Raad van State, niet tot gevolg heeft dat de termijn in artikel 52 van de Stedenbouwwet bepaald geschorst is zolang de Raad van State hierover geen uitspraak heeft gedaan. Dit arrest moet bekeken worden in de lijn van een ander arrest van 7 mei 1980
(3)waar U besliste dat die termijn niet voor schorsing vatbaar is, ook niet wegens overmacht. Gelet op het parallellisme tussen de wetsbepalingen betreffende de twee vergunningen, meen ik dat U dezelfde interpretatie zou moeten hebben inzake de vervaltermijn voor de milieuvergunning. Het middel in dit onderdeel lijkt me gegrond. Ik concludeer tot de cassatie met verwijzing. _________
(1)Parl. St. Vl. R. 291 (1984-1985) nr.17, 3).
(2)Cass., 2 april 1998, A.R. C.95.0017.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.14 (A.C., 1998, nr. 189).
(3)Cass., 7 mei 1980, (A.C., 1979-80, nr. 566). Tekst van de beslissing I. Nr. C.03.0226.N GEMEENTE KRUISHOUTEM, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoren gevestigd te 9970 Kruishoutem, Markt 1, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. CNOPOL, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 9042 Sint-Kruis-Winkel, Albert De Smetstraat 69, 2. P.L., verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en ten aanzien van VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president van de Vlaamse Regering, en namens wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, wiens kantoor gevestigd is te 1210 Sint-Joost-Ten-Noode, Koning Albert II-laan 19, elfde verdieping, in bindendverklaring opgeroepen partij. II. C.03.0382.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president van de Vlaamse Regering, en namens wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, wiens kantoor gevestigd is te 1210 Sint-Joost-Ten-Noode, Koning Albert II-laan 19, elfde verdieping, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. CNOPOL, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 9042 Sint-Kruis-Winkel, Albert De Smetstraat 69, 2. P.L., verweerders, en ten aanzien van GEMEENTE KRUISHOUTEM, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoren gevestigd te 9970 Kruishoutem, Markt 1, in bindendverklaring opgeroepen partij. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest, op 12 februari 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. III. Middel De zaak C.03.0226.N Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 5, ,§1 en ,§2, 17, tweede en derde lid, en 28, ,§1, 1°, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning ; artikel 52 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, opgenomen in de coördinatie als artikel 50 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan bij artikel 171 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening ; artikel 154, zesde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening. Aangevochten beslissingen Het arrest maakt eerst de volgende vaststellingen : "(De verweerders) hebben een bouwvergunning op 9 januari 1995 bekomen. Op 2 december 1995 werd hun een milieuvergunning toegekend. Volgens het milieuvergunningsdecreet vangt de geldigheidstermijn van de bouwvergunning pas aan vanaf het ogenblik dat de hiermee samenhangende milieuvergunning is verleend. Aldus begon de geldigheidstermijn van de bouwvergunning in beginsel te lopen vanaf 2 december 1995. De milieuvergunning werd evenwel het voorwerp van schorsings- en vernietigingsberoepen vanwege de Gemeente Kruishoutem (verzoekschriften 5 februari 1996) respectievelijk zekere VZW Stichting Omer Wattez (verzoekschriften 8 februari 1996). De schorsingsverzoeken werden afgewezen door de Raad van State op 6 juni 1996 respectievelijk 25 april 1996. Bij arresten van de Raad van State d.d. 8 februari en 7 juni 2001 wordt omtrent de respectieve vernietigingsverzoeken de afstand van het geding vastgesteld met toepassing van art. 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (...). Aldus wordt vastgesteld dat de procedures inzake de vernietiging van de voormelde milieuvergunning van 2 december 1995 pas op 7 juni 2001 een definitief uitsluitsel hebben bekomen", Hierop bevestigt het arrest de in eerste aanleg bevolen opheffing van het bevel tot stopzetting van de bouwwerken, en verwerpt het daartoe op grond van volgende motieven de argumenten van eiseres en het Vlaams Gewest ter rechtvaardiging van het stopzettingsbevel dat (
  1. a)de bouwvergunning van de verweerders van 9 januari 1995 vervallen is, zodat de uitvoering van de werken niet op deze bouwvergunning kan gesteund worden, en dat (
  2. b)in elk geval de milieuvergunning van de verweerders van 2 december 1995 vervallen is zodat de bouwwerken minstens werden uitgevoerd op grond van een bouwvergunning die bij gebreke aan een milieuvergunning voor hetzelfde project geschorst was : "De stelling van (eiseres en het Vlaams Gewest) komt er in feite hierop neer dat de Raad van State uitspraak heeft gedaan over een milieuvergunning die al lang verstreken was, aangezien de milieuvergunning slechts geldig was op voorwaarde dat de vergunde inrichting in gebruik zou worden genomen binnen de drie jaar na de verlening van de milieuvergunning. In die hypothese was de milieuvergunning vervallen op 3 december 1998. In de gehele context, met name zeer concreet de voormelde annulatieberoepen voor de Raad van State, is het goed te begrijpen dat de titularis van de kwestieuze milieuvergunning heeft geaarzeld om het bouwwerk aan te vatten. De terechte vraag rijst in hoofde van de titularis wat de correcte houding van de 'goede huisvader' in dergelijke gevallen dient te zijn ... : wat als de milieuvergunning wordt vernietigd ? Rechtsonzekerheid is in dezen troef. Achteraf is het uiteraard gemakkelijk te beweren dat de titularis van de milieuvergunning (en bouwvergunning) geen rekening moest houden met de annulatieberoepen. Hierbij mag ook niet uit het oog worden verloren dat de Gemeente Kruishoutem in wiens hoofde (de verweerders) geen lichtzinnigheid mochten vermoeden, ook een verzoeker in vernietiging voor de Raad van State was. Voor diegene die de verzoeken tot vernietiging van de milieuvergunning voor de Raad van State brengen, kan het een strategie van intimidatie zijn. Hierbij kunnen zij gebruik maken van de tijd die gaat over een procedure bij de Raad van State. Uit wat voorafgaat volgt (dat) niet anders dan in redelijkheid dient te worden besloten dat, zolang de procedure in nietigverklaring van de milieuvergunning voor de Raad van State hangende was, de termijn van drie jaar (waarvan hierboven sprake) nog niet aan het lopen was en pas een aanvang heeft genomen op datum van de (laatste) uitspraak ten gronde door de Raad van State, nl. 7 juni 2001. Anderzijds is er de koppeling van de bouwvergunning en de milieuvergunning, in die zin dat de bouwvergunning geschorst is, zolang de milieuvergunning niet definitief is verleend. Hieruit volgt dat pas vanaf 7 juni 2001 de termijnen verbonden respectievelijk aan de bouwvergunning respectievelijk aan de milieuvergunning (één jaar respectievelijk drie jaar) zijn begonnen te lopen". Grieven 1. Eerste onderdeel Artikel 28, ,§1, 1°, juncto 17, tweede en derde lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt dat de milieuvergunning van rechtswege vervalt wanneer zij betrekking heeft op een inrichting die niet in gebruik werd genomen binnen de in de vergunning bepaalde termijn, die geen drie jaar mag overschrijden. Artikel 5, ,§2, van hetzelfde decreet bepaalt verder dat voor inrichtingen waarvoor eveneens een bouwvergunning vereist is, voormelde vervaltermijn voor de ingebruikname van de vergunde inrichting slechts ingaat op de dag dat de bouwvergunning definitief is verleend. Artikel 5, ,§1, van hetzelfde (decreet) bepaalt ten slotte dat de bouwvergunning voor een inrichting waarvoor een milieuvergunning nodig is, geschorst is zolang de milieuvergunning niet is verleend. Uit deze bepalingen volgt dat wanneer een milieuvergunning voor een inrichting waarvoor eveneens een bouwvergunning nodig is, van rechtswege vervallen is, de bouwvergunning voor die inrichting geschorst wordt zolang er geen nieuwe milieuvergunning is verleend. Uit het bestreden arrest blijkt dat de verweerders op 2 december 1995 een milieuvergunning hebben verkregen, waarin werd bepaald dat de daarin vergunde inrichtingen binnen de drie jaar in gebruik moesten worden genomen. Uit het arrest blijkt eveneens dat zij reeds voorheen op 9 januari 1995 voor hetzelfde project een bouwvergunning hebben verkregen en dat zij ook nadien op 8 november 2000 nogmaals een bouwvergunning voor hetzelfde project hebben verkregen. Uit deze feitelijke gegevens blijkt aldus dat de verweerders op 2 december 1995 voor hetzelfde project zowel een bouw- als een milieuvergunning hadden verkregen. Uit de toepassing van voorgaande regels volgt dan ook dat de termijn van drie jaar die in de milieuvergunning werd bepaald op 2 december 1995 is ingegaan, zodat de milieuvergunning op 2 december 1998 van rechtswege is vervallen. De omstandigheid dat de milieuvergunning werd bestreden voor de Raad van State, doet hieraan geen afbreuk. Geen enkele wettelijke bepaling laat de rechter toe om de voormelde vervaltermijn pas te laten ingaan vanaf de dag dat de beroepen tegen de milieuvergunning definitief werden verworpen. De appèlrechter kan aldus niet steunen op het redelijkheidsbeginsel, noch op het rechtszekerheidsbeginsel, om afbreuk te doen aan het in voormeld artikel 28, ,§1, 1°, bepaalde verval van rechtswege van de milieuvergunning. Ook de omstandigheid dat de vergunninghouder door de inrichting niet in gebruik te nemen als een goede huisvader zou hebben gehandeld, kan er niet aan in de weg staan dat de milieuvergunning krachtens voormelde decretale bepaling van rechtswege vervalt na het verstrijken van de in de vergunning bepaalde termijn. Tenslotte belet de eventuele omstandigheid dat de beroepen bij de Raad van State tegen de milieuvergunningen werden ingediend vanuit een strategie van intimidatie en met het doel om te speculeren op het tijdsverloop van een procedure bij de Raad van State, evenmin dat de milieuvergunning van rechtswege vervalt na het verstrijken van de in de vergunning bepaalde termijn. Door niet vast te stellen dat de milieuvergunning van 2 december 1995 vervallen is, en aldus niet te oordelen dat de door de verweerders aangevatte bouwwerken wegens ontstentenis van een niet-vervallen milieuvergunning niet konden steunen op een uitvoerbare bouwvergunning, doch integendeel te oordelen dat de in de milieuvergunning bepaalde termijn voor ingebruikname pas is beginnen te lopen vanaf de datum van verwerping van de vernietigingsberoepen die tegen de milieuvergunning werden ingediend bij de Raad van State, heeft het hof van beroep de artikelen 5, ,§1 en ,§2, 17, tweede en derde lid, en 28, ,§1, 1°, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning geschonden, en aldus zijn bevoegdheid tot toezicht op het stopzettingsbevel krachtens artikel 154, zesde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, op onwettige wijze uitgeoefend. 2. Tweede onderdeel Uit artikel 52 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, opgenomen in de coördinatie als artikel 50 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, dat van toepassing is op de bouwvergunning die op 9 januari 1995 aan de verweerders werd verleend, volgt dat de bouwvergunning vervallen is wanneer de vergunninghouder binnen een jaar na afgifte niet met de werken is begonnen, tenzij wanneer deze termijn met één jaar werd verlengd door het schepencollege op verzoek van de betrokkene. Artikel 5, ,§1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt dat de bouwvergunning voor een inrichting waarvoor eveneens een milieuvergunning nodig is, geschorst is zolang de milieuvergunning niet is verleend. In dat geval gaat de termijn van voormeld artikel 52 pas in op de dag dat de milieuvergunning wordt verleend. Uit het bestreden arrest blijkt dat de verweerders op 9 januari 1995 een bouwvergunning verkregen, en vervolgens op 2 december 1995 voor hetzelfde project eveneens een milieuvergunning verkregen. Hieruit volgt dat de bouwvergunning van 9 januari 1995 geschorst was tot 2 december 1995 en dat op die dag de in voormeld artikel 52 bepaalde termijn van één jaar is ingegaan. De omstandigheid dat bij de Raad van State beroepen werden ingesteld tot schorsing en vernietiging van de bouw- en de milieuvergunning, heeft niet tot gevolg dat de termijn van een jaar waarbinnen de vergunninghouder moet begonnen zijn, geschorst is zolang de Raad van State hierover geen uitspraak heeft gedaan. Hieruit volgt dat de bouwvergunning van 9 januari 1995 vervallen is na het verstrijken van een jaar na het verkrijgen van de milieuvergunning, te weten op 2 december 1996. Door niet vast te stellen dat de bouwvergunning van 9 januari 1995 vervallen is, en aldus niet te oordelen dat de door de verweerders aangevatte bouwwerken niet op deze bouwvergunning kunnen steunen, doch integendeel te oordelen dat de termijn van een jaar slechts is beginnen lopen vanaf de datum van verwerping van de vernietigingsberoepen die tegen de milieuvergunning voor dezelfde inrichting werden ingediend bij de Raad van State, heeft het hof van beroep artikel 5, ,§1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en artikel 52 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (opgenomen in de coördinatie als artikel 50 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996) geschonden, en aldus zijn bevoegdheid tot toezicht op het stopzettingsbevel krachtens artikel 154, zesde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, op onwettige wijze uitgeoefend. De zaak C.03.0382.N Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 5, ,§ 1 en ,§2, 17, tweede en derde lid, en 28, ,§1, 1° van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning ; artikel 52 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, opgenomen in de coördinatie als artikel 50 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan bij artikel 171 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening ; artikel 154, zesde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening. Aangevochten beslissingen Het arrest maakt eerst de volgende vaststellingen : "(De verweerders) hebben een bouwvergunning op 9 januari 1995 bekomen. Op 2 december 1995 werd hun een milieuvergunning toegekend. Volgens het milieuvergunningsdecreet vangt de geldigheidstermijn van de bouwvergunning pas aan vanaf het ogenblik dat de hiermee samenhangende milieuvergunning is verleend. Aldus begon de geldigheidstermijn van de bouwvergunning in beginsel te lopen vanaf 2 december 1995. De milieuvergunning werd evenwel het voorwerp van schorsings- en vernietigingsberoepen vanwege de Gemeente Kruishoutem (verzoekschriften 5 februari 1996) respectievelijk zekere VZW Stichting Omer Wattez (verzoekschriften 8 februari 1996). De schorsingsverzoeken werden afgewezen door de Raad van State op 6 juni 1996 respectievelijk 25 april 1996. Bij arresten van de Raad van State d.d. 8 februari en 7 juni 2001 wordt omtrent de respectieve vernietigingsverzoeken de afstand van het geding vastgesteld met toepassing van art. 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (...). Aldus wordt vastgesteld dat de procedures inzake de vernietiging van de voormelde milieuvergunning van 2 december 1995 pas op 7 juni 2001 een definitief uitsluitsel hebben bekomen", Daarna bevestigt het arrest de in eerste aanleg bevolen opheffing van het bevel tot stopzetting van de bouwwerken, en verwerpt het daartoe op grond van volgende motieven de argumenten van eiser en de gemeente Kruishoutem ter rechtvaardiging van het stopzettingsbevel dat (
  3. a)de bouwvergunning van de verweerders van 9 januari 1995 vervallen is, zodat de uitvoering van de werken niet op deze bouwvergunning kan gesteund worden, en dat (
  4. b)in elk geval de milieuvergunning van de verweerders van 2 december 1995 vervallen is zodat de bouwwerken minstens werden uitgevoerd op grond van een bouwvergunning die bij gebreke aan een milieuvergunning voor hetzelfde project geschorst was : "De stelling van (de gemeente Kruishoutem en eiser) komt er in feite hierop neer dat de Raad van State uitspraak heeft gedaan over een milieuvergunning die al lang verstreken was, aangezien de milieuvergunning slechts geldig was op voorwaarde dat de vergunde inrichting in gebruik zou worden genomen binnen de drie jaar na de verlening van de milieuvergunning. In die hypothese was de milieuvergunning vervallen op 3 december 1998. In de gehele context, met name zeer concreet de voormelde annulatieberoepen voor de Raad van State, is het goed te begrijpen dat de titularis van de kwestieuze milieuvergunning heeft geaarzeld om het bouwwerk aan te vatten. De terechte vraag rijst in hoofde van de titularis wat de correcte houding van de 'goede huisvader' in dergelijke gevallen dient te zijn ... : wat als de milieuvergunning wordt vernietigd ? Rechtsonzekerheid is in dezen troef Achteraf is het uiteraard gemakkelijk te beweren dat de titularis van de milieuvergunning (en bouwvergunning) geen rekening moest houden met de annulatieberoepen. Hierbij mag ook niet uit het oog worden verloren dat de Gemeente Kruishoutem in wiens hoofde (de verweerders) geen lichtzinnigheid mochten vermoeden, ook een verzoeker in vernietiging voor de Raad van State was. Voor diegene die de verzoeken tot vernietiging van de milieuvergunning voor de Raad van State brengen, kan het een strategie van intimidatie zijn. Hierbij kunnen zij gebruik maken van de tijd die gaat over een procedure bij de Raad van State. Uit wat voorafgaat volgt (dat) niet anders dan in redelijkheid dient te worden besloten dat, zolang de procedure in nietigverklaring van de milieuvergunning voor de Raad van State hangende was, de termijn van drie jaar (waarvan hierboven sprake) nog niet aan het lopen was en pas een aanvang heeft genomen op datum van de (laatste) uitspraak ten gronde door de Raad van State, nl. 7 juni 2001. Anderzijds is er de koppeling van de bouwvergunning en de milieuvergunning, in die zin dat de bouwvergunning geschorst is, zolang de milieuvergunning niet definitief is verleend. Hieruit volgt dat pas vanaf 7 juni 2001 de termijnen verbonden respectievelijk aan de bouwvergunning respectievelijk aan de milieuvergunning (één jaar respectievelijk drie jaar) zijn begonnen met lopen". Grieven 1. Eerste onderdeel Artikel 28, ,§1, 1°, juncto 17, tweede en derde lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt dat de milieuvergunning van rechtswege vervalt wanneer zij betrekking heeft op een inrichting die niet in gebruik werd genomen binnen de in de vergunning bepaalde termijn, die geen drie jaar mag overschrijden. Artikel 5, ,§2, van hetzelfde decreet bepaalt verder dat voor inrichtingen waarvoor eveneens een bouwvergunning vereist is, voormelde vervaltermijn voor de ingebruikname van de vergunde inrichting slechts ingaat op de dag dat de bouwvergunning definitief is verleend. Artikel 5, ,§1, van hetzelfde (decreet) bepaalt ten slotte dat de bouwvergunning voor een inrichting waarvoor een milieuvergunning nodig is, geschorst is zolang de milieuvergunning niet is verleend. Uit deze bepalingen volgt dat wanneer een milieuvergunning voor een inrichting waarvoor eveneens een bouwvergunning nodig is, van rechtswege vervallen is, de bouwvergunning voor die inrichting geschorst wordt zolang er geen nieuwe milieuvergunning is verleend. Uit het bestreden arrest blijkt dat de verweerders op 2 december 1995 een milieuvergunning hebben verkregen, waarin werd bepaald dat de daarin vergunde inrichtingen binnen de drie jaar in gebruik moesten worden genomen. Uit het arrest blijkt eveneens dat zij reeds voorheen op 9 januari 1995 voor hetzelfde project een bouwvergunning hebben verkregen en dat zij ook nadien op 8 november 2000 nogmaals een bouwvergunning voor hetzelfde project hebben verkregen. Uit deze feitelijke gegevens blijkt aldus dat de verweerders op 2 december 1995 voor hetzelfde project zowel een bouw- als een milieuvergunning hadden verkregen. Uit de toepassing van voorgaande regels volgt dan ook dat de termijn van drie jaar die in de milieuvergunning werd bepaald op 2 december 1995 is ingegaan, zodat de milieuvergunning op 2 december 1998 van rechtswege is vervallen. De omstandigheid dat de milieuvergunning werd bestreden voor de Raad van State, doet hieraan geen afbreuk. Geen enkele wettelijke bepaling laat de rechter toe om de voormelde vervaltermijn pas te laten ingaan vanaf de dag dat de beroepen tegen de milieuvergunning definitief werden verworpen. De appèlrechter kan aldus niet steunen op het redelijkheidsbeginsel, noch op het rechtszekerheidsbeginsel, om afbreuk te doen aan het in voormeld artikel 28, ,§1, 1°, bepaalde verval van rechtswege van de milieuvergunning. Ook de omstandigheid dat de vergunninghouder door de inrichting niet in gebruik te nemen als een goede huisvader zou hebben gehandeld, kan er niet aan in de weg staan dat de milieuvergunning krachtens voormelde decretale bepaling van rechtswege vervalt na het verstrijken van de in de vergunning bepaalde termijn. Tenslotte belet de eventuele omstandigheid dat de beroepen bij de Raad van State tegen de milieuvergunningen werden ingediend vanuit een strategie van intimidatie en met het doel om te speculeren op het tijdsverloop van een procedure bij de Raad van State, evenmin dat de milieuvergunning van rechtswege vervalt na het verstrijken van de in de vergunning bepaalde termijn. Door niet vast te stellen dat de milieuvergunning van 2 december 1995 vervallen is, en aldus niet te oordelen dat de door de verweerders aangevatte bouwwerken wegens ontstentenis van een niet-vervallen milieuvergunning niet konden steunen op een uitvoerbare bouwvergunning, doch integendeel te oordelen dat de in de milieuvergunning bepaalde termijn voor ingebruikname pas is beginnen te lopen vanaf de datum van verwerping van de vernietigingsberoepen die tegen de milieuvergunning werden ingediend bij de Raad van State, heeft het hof van beroep de artikelen 5, ,§1 en ,§2, 17, tweede en derde lid, en 28, ,§1, 1°, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning geschonden, en aldus zijn bevoegdheid tot toezicht op het stopzettingsbevel krachtens artikel 154, zesde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, op onwettige wijze uitgeoefend. 2. Tweede onderdeel Uit artikel 52 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, opgenomen in de coördinatie als artikel 50 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, dat van toepassing is op de bouwvergunning die op 9 januari 1995 aan de verweerders werd verleend, volgt dat de bouwvergunning vervallen is wanneer de vergunninghouder binnen een jaar na afgifte niet met de werken is begonnen, tenzij wanneer deze termijn met één jaar werd verlengd door het schepencollege op verzoek van de betrokkene. Artikel 5, ,§1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt dat de bouwvergunning voor een inrichting waarvoor eveneens een milieuvergunning nodig is, geschorst is zolang de milieuvergunning niet is verleend. In dat geval gaat de termijn van voormeld artikel 52 pas in op de dag dat de milieuvergunning wordt verleend. Uit het bestreden arrest blijkt dat de verweerders op 9 januari 1995 een bouwvergunning verkregen, en vervolgens op 2 december 1995 voor hetzelfde project eveneens een milieuvergunning verkregen. Hieruit volgt dat de bouwvergunning van 9 januari 1995 geschorst was tot 2 december 1995 en dat op die dag de in voormeld artikel 52 bepaalde termijn van één jaar is ingegaan. De omstandigheid dat bij de Raad van State beroepen werden ingesteld tot schorsing en vernietiging van de bouw- en de milieuvergunning, heeft niet tot gevolg dat de termijn van een jaar waarbinnen de vergunninghouder moet begonnen zijn, geschorst is zolang de Raad van State hierover geen uitspraak heeft gedaan. Hieruit volgt dat de bouwvergunning van 9 januari 1995 vervallen is na het verstrijken van een jaar na het verkrijgen van de milieuvergunning, te weten op 2 december 1996. Door niet vast te stellen dat de bouwvergunning van 9 januari 1995 vervallen is, en aldus niet te oordelen dat de door de verweerders aangevatte bouwwerken niet op deze bouwvergunning kunnen steunen, doch integendeel te oordelen dat de termijn van een jaar slechts is beginnen lopen vanaf de datum van verwerping van de vernietigingsberoepen die tegen de milieuvergunning voor dezelfde inrichting werden ingediend bij de Raad van State, heeft het hof van beroep artikel 5, ,§1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en artikel 52 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (opgenomen in de coördinatie als artikel 50 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996) geschonden, en aldus zijn bevoegdheid tot toezicht op het stopzettingsbevel krachtens artikel 154, zesde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, op onwettige wijze uitgeoefend. IV. Beslissing van het Hof A. Voeging Overwegende dat de zaken C.03.0226.N en C.03.0382.N cassatieberoepen betreffen tegen hetzelfde arrest ; Dat ze dienen te worden gevoegd ; B. C.03.0226.N Middel van niet ontvankelijkheid van het cassatieberoep Over het door de verweerder opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep : de voorziening is "onontvankelijk tenzij eiseres de vereiste machtiging op grond van artikel 270 van de Nieuwe Gemeentewet regelmatig bijbrengt" : Overwegende dat dit hypothetisch verwoorde middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen ; 1. Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel Over de door de verweerder opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid : het arrest is verantwoord door de niet aangevochten reden dat de verweerders over een niet vervallen bouwvergunning van 8 november 2000 beschikten ; de verweerders beschikten over een uitvoerbare milieu- en bouwvergunning en op 10 juli 2001 was er derhalve geen verval van een van beide vergunningen : Overwegende dat het arrest oordeelt dat noch de bouwvergunning van 9 januari 1995, noch de milieuvergunning van 2 december 1995 bij de aanvang van de werken waren vervallen en het bevel tot stopzetting van de werken en de daaraan verbonden bekrachtingen onterecht waren ; Dat het arrest zijn beslissing niet steunt op de bouwvergunning van 8 november 2000 ; Dat de grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen ; 2. Middel zelf 3.1. Tweede onderdeel Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijk artikel 52 van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962, de bouwvergunning vervallen is indien de vergunninghouder binnen een jaar na afgifte van de vergunning niet met de werken is begonnen ; Dat, krachtens artikel 5, ,§1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, de bouwvergunning in de zin van artikel 44 van de Stedenbouwwet voor een inrichting waarvoor een milieuvergunning nodig is, wordt geschorst zolang de milieuvergunning niet is verleend ; dat in dit geval de termijn bepaald in artikel 52 van de Stedenbouwwet pas ingaat op de dag dat de milieuvergunning wordt verleend ; Dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de milieuvergunning is verleend wanneer ze in eerste aanleg werd verleend en niet geschorst ingevolge een beroep zoals bedoeld in hoofdstuk IV van voormeld decreet en wanneer ze in beroep is verleend ; Dat uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat wanneer voor een inrichting zowel een bouwvergunning als een milieuvergunning is vereist, de bouwvergunning niet meer geschorst is als de milieuvergunning is verleend en dat op de dag dat de milieuvergunning wordt verleend de termijn van een jaar voor het begin van de werken aanvangt ; Overwegende dat de enkele omstandigheid dat een annulatieberoep tegen de milieuvergunning voor de Raad van State wordt ingesteld, niet tot gevolg heeft dat de termijn bepaald in voormeld artikel 52 geschorst is zolang de Raad van State hierover geen uitspraak heeft gedaan ; Overwegende dat het arrest vaststelt : 1. de verweerders hebben op 9 januari 1995 een bouwvergunning verkregen ; 2. aan de verweerders werd op 2 december 1995 een milieuvergunning toegekend ; de beroepen tot schorsing tegen die vergunning werden afgewezen bij de arresten van de Raad van State van 25 april 1995 en 6 juni 1996 ; bij arresten van de Raad van State van 8 februari 2001 en 7 juni 2001 werd de afstand van geding vastgesteld van de beroepen tot nietigverklaring ; Overwegende dat het arrest oordeelt : 1. niet anders dan in redelijkheid moet worden besloten dat zolang de procedure in nietigverklaring van de milieuvergunning voor de Raad van State hangende was, de termijn van drie jaar, vermits de milieuvergunning slechts geldig was op voorwaarde dat de vergunde inrichting in gebruik zou worden genomen binnen de drie jaar na het verlenen van de milieuvergunning, nog niet aan het lopen was en pas een aanvang heeft genomen op datum van de uitspraak ten gronde door de Raad van State, namelijk 7 juni 2001 ; 2. uit de koppeling van de bouwvergunning en de milieuvergunning volgt dat pas vanaf 7 juni 2001 de termijn van een jaar verbonden aan de bouwvergunning en van drie jaar verbonden aan de milieuvergunning is beginnen lopen ; Overwegende dat het arrest beslist dat de bouwvergunning van 9 januari 1995 noch de milieuvergunning van 2 december 1995 bij de aanvang van de werken door de verweerders niet waren vervallen en dat het bevel tot stopzetting en de daaraan verbonden bekrachtigingen onterecht waren ; Dat het arrest zodoende zijn beslissing niet naar recht verantwoordt ; Dat het onderdeel gegrond is ; B. C.03.0382.N Overwegende dat gelet op de beslissing die genomen is over het cassatieberoep C.03.0226.N, het cassatieberoep in deze zaak geen belang meer vertoont ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Voegt de zaken C.03.0226.N en C.03.0382.N ; Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van zes oktober tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.15 Gerelateerde publicatie(
  5. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.