← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051010.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051010.4 Rolnummer: C.05.0074.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-02-14 Raadplegingen: 621 - laatst gezien 2026-07-04 01:18 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De getroffenen van een arbeidsongeval in de overheidssector die tijdelijk arbeidsongeschikt zijn - ongeacht of ze dat volledig of gedeeltelijk zijn - genieten het voordeel van de bepalingen die voor algehele tijdelijke arbeidsongeschiktheid in de privé-sector zijn vastgesteld door de Arbeidsongevallenwet

(1).
(1)Cass., 8 okt. 2001, AR S.99.0187.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011008.12, nr 531. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - OVERHEIDSPERSONEEL. BIJZONDERE REGELS Vrije woorden: ARBEIDSONGEVAL - OVERHEIDSPERSONEEL. BIJZONDERE REGELS Vergoeding Arbeidsongeschiktheid Tijdelijke arbeidsongeschiktheid Algehele arbeidsongeschiktheid Artikel 3bis, eerste lid, Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel Overheidspersoneel Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Art.22 Fiche 2 Het personeelslid van de overheidssector waarop de wet van 3 juli 1967 van toepassing is, heeft tot de dag van zijn volledige hervatting van het werk of van de consolidatie recht op de vergoeding van tijdelijke algehele arbeidsongeschiktheid, wanneer vóór de consolidatiedatum de einddatum van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur bereikt is. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - OVERHEIDSPERSONEEL. BIJZONDERE REGELS Vrije woorden: ARBEIDSONGEVAL - OVERHEIDSPERSONEEL. BIJZONDERE REGELS Vergoeding Tijdelijke algehele arbeidsongeschiktheid Consolidatiedatum Werkhervatting Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd Einde vóór consolidatiedatum Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - Art.3bis Annotaties Publicaties: Chr.D.S./Soc.Kro. - Jean JACQMAIN, Indemnisation de l'incapacité temporaire due à un risque professionnel. - 2007, 531-533 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0074.N.- VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 15, Hendrik Consciencegebouw, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen WINTERTHUR-EUROPE VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Kunstlaan 56, verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 8 juni 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 12 september 2005 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ; - artikel 22, eerste lid, van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeids-ongevallen (hierna Arbeidsongevallenwet private sector genoemd), zoals van kracht vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 5 november 2002, bekrachtigd bij wet van 24 februari 2003 ; - de artikelen 1, eerste lid, 5°, 3bis, toenmalig enig lid, en 14, ,§3, derde lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidson-gevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, thans genoemd wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (hierna Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel genoemd), voornoemd artikel 1 in zijn versie zoals vervangen bij wet van 31 juli 1991 en vóór zijn wijziging bij wet van 20 december 1995, voornoemd artikel 3bis, zoals ingevoegd bij wet van 13 juli 1973 en vóór diens wijziging bij wet van 20 mei 1997, voornoemd artikel 14 in zijn versie, zoals gewijzigd bij wet van 31 juli 1991 en vóór diens wijziging door de wetten van 21 december 1994 en 20 december 1995 ; - artikel 1, enig lid, 4°, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk (hierna koninklijk besluit arbeidsongevallen overheidspersoneel genoemd), zoals het werd vervangen bij koninklijk besluit van 21 november 1991 en vóór diens wijziging bij koninklijk besluit van 20 september 1998. Bestreden beslissing De Rechtbank van Eerste Aanleg van Brussel verklaart in het bestreden vonnis van 8 juni 2004 het hoger beroep van verweerster ontvankelijk en gegrond, doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw rechtdoende, verklaart eiseres' subrogatoire vordering strekkende tot het bekomen van vergoeding lastens de verzekeraar van de aansprakelijke voor het ongeval van 30 mei 1991, voor de tijdens de arbeidsongeschiktheid van het getroffen personeelslid verder uitgekeerde wedden, slechts gedeeltelijk gegrond in zoverre hierbij de terugbetaling van de aan mevrouw V. uitgekeerde vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid in de periode tussen 30 mei 1991 en 30 juni 1991 werd beoogd, en veroordeelt verweerster tot betaling aan eiser van het bedrag van 681,56 euro te verhogen met de vergoedende intrest aan de wettelijk intrestvoet vanaf 30 mei 1991, de moratoire intresten vanaf de dagvaarding van 13 april 2000 en de gerechtskosten. De rechtbank van eerste aanleg stoelt haar beslissing op de volgende gronden : "Eigenlijk erkent (eiseres) dat zij op grond van de verkeerde redenering dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst geschorst werd door het arbeidsongeval, gewoon de volledige wedde verder uitbetaalde. (Eiseres) beweert dat ondanks de door haar toegestane voormelde vergissing inzake de juridische grondslag nopens het verder doorbetalen van de wedde, namelijk dat zij in de waan verkeerde dat de arbeidsovereenkomst voor tijdelijke duur (...) geschorst was, zij niettemin rechtens de verplichting had tot verder betaling van de wedde, maar op een andere rechtsgrond, zijnde op grond van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (en meer bepaald artikel 1, 3bis en 14, ,§3, ervan) en het op grond hiervan uitgevaardigd koninklijk besluit van 24 januari 1969 (de artikelen 1 en 32). Deze interpretatie berust echter op een verkeerde lezing van deze wetsbepalingen. Uit artikel 1 van deze wet van 3 juli 1967 blijkt dat deze inderdaad 'toepasselijk is op de leden van het vast, stagedoend, tijdelijk, hulppersoneel of het personeel dat wordt in dienst genomen door een arbeidsovereenkomst'. Deze wet en voormeld koninklijk besluit was inderdaad toepasselijk op mevrouw V., maar enkel voor de duur van haar arbeidsovereenkomst van tijdelijke aard zijnde tot en met 30 juni 1991. Nu (eiseres) erkent dat de arbeidsovereenkomst van bepaalde duur niet geschorst werd maar verder liep tot op de overeengekomen vervaldatum, was er in hoofde van (eiseres) geen wettelijke verplichting om over te gaan tot verdere betaling van haar wedde, ook niet aan 90 pct. voor de periode na 1 juli 1991. Ook de door (eiseres) ingeroepen verhaalsmogelijkheden tot terug-betaling van de uitgekeerde bezoldiging tijdens de tijdelijke ongeschiktheden en de subrogatie van rechtswege op grond van artikel 14, ,§3, van deze wet van 3 juli 1967 kan in dit geval niet spelen, nu er in hoofde van (eiseres) geen enkele wettelijke verplichting bestond tot verdere betaling van een wedde nadat de arbeidsovereenkomst van bepaalde duur verstreken was. In de mate (dat) de verdere betaling van het loon na het einde van de arbeidsovereenkomst op een eigen fout berustte kan (eiseres) zich uiteraard niet op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek beroepen om terugbetaling hiervan te bekomen vanwege (verweerster). De vordering is enkel gegrond ten belope van hetgeen betaald werd voorafgaandelijk aan het einde van deze arbeidsovereenkomst zijnde vanaf de datum van het ongeval van 30 mei 1991 tot en met 30 juni 1991. De beroepskosten vallen ten laste van eiseres". Grieven 1. Luidens artikel 1, eerste lid, 5°, van de Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel kan deze wet door een in (
  1. de)ministerraad overlegd koninklijk besluit op "het personeel dat wordt in dienst genomen door een arbeidsovereenkomst (dat behoort tot) de onderwijsinrichtingen georganiseerd door of namens de Gemeenschappen of de Gemeenschapscommissie" toepasselijk worden verklaard. Artikel 1, enig lid, 4°, van het koninklijk besluit arbeidsongevallen overheidspersoneel maakte de Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel effectief van toepassing op "de personeelsleden die bij een arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen, die behoren tot de onderwijsinrichtingen die door één van de Gemeenschappen (...) gesubsidieerd worden". Indien een door een arbeidsongeval getroffen ambtenaar zich op het ogenblik van het ongeval binnen de toepassingsvoorwaarden van de Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel bevindt, kan hij aanspraak maken op de in kwestieuze wet voorziene vergoedingen, zelfs indien hij op een later tijdstip niet meer aan deze toepassingsvoorwaarden voldoet. Aldus dienden de appèlrechters, nu aanvaard werd (in het bestreden vonnis, p. 6, tweede volledige alinea) dat mevrouw V. zich op het ogenblik van het ongeval (het weze op 30 mei 1991) binnen de toepassings? voorwaarden van de Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel bevond, op de aan het hof voorliggende zaak, kwestieuze wet toe te passen. Hoewel de appèlrechters oordeelden dat de Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel op het ogenblik van het ongeval op mevrouw V. toepasselijk was, beperkten zij de toepassing van deze wet tot de duur van de arbeidsovereenkomst waarmee mevrouw V. met eiseres was verbonden. 2. Overeenkomstig artikel 3bis, toenmalig enig lid, van de Arbeids-ongevallenwet overheidspersoneel geniet een door een arbeidsongeval getroffen ambtenaar "gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid, het voordeel van de bepalingen die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen of door de wetgeving op de beroepsziekten zijn vastgesteld". Aldus kan een door een arbeidsongeval getroffen ambtenaar gedurende de gehele periode waarin hij arbeidsongeschikt is, ongeacht of deze arbeidsongeschiktheid volledig of gedeeltelijk is, aanspraak maken op de in artikel 22, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet private sector voorziene vergoedingen voor tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid. Luidens artikel 22, van de Arbeidsongevallenwet private sector heeft de door een arbeidsongeval getroffene in geval van tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid, vanaf de tweede dag "recht op een dagelijkse vergoeding gelijk aan 90 pct. van het gemiddeld dagbedrag". De omstandigheid dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur afloopt vóór de consolidatiedatum of de datum van volledige wederte-werkstelling heeft geen invloed op de toepasselijkheid van de wetgeving inzake arbeidsongevallen, zodat de werkgever ook ná de stopzetting van de arbeidsovereenkomst de in de arbeidsongevallenwetgeving voorziene vergoedingen verschuldigd blijft. De door een arbeidsongeval getroffen werknemer heeft, wanneer de arbeidsovereenkomst buiten toedoen van de getroffene eindigt, inzonderheid wanneer de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd door verloop van die tijd eindigt, tot de dag van zijn volledige wedertewerkstelling of van de consolidatie recht op de vergoeding van tijdelijke algehele arbeidsongeschiktheid. Met toepassing van de hiervoren gehuldigde principes was eiseres, ondanks het feit dat de arbeidsovereenkomst van mevrouw V. ingevolge verloop van de termijn vóór de consolidatiedatum werd beëindigd, ook na het einde van de arbeidsovereenkomst, meer bepaald tot de consolidatiedatum, het weze 29 november 2004 vergoedingen verschuldigd voor de ingevolge het arbeidsongeval ondervonden tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Derhalve hebben de appèlrechters, door te stellen dat "nu (eiseres) erkent dat de arbeidsovereenkomst van bepaalde duur niet geschorst werd maar verder liep tot op de overeengekomen vervaldatum, er in hoofde van (eiseres) geen wettelijke verplichting (was) om over te gaan tot verdere betaling van haar wedde, ook niet aan 90 pct. voor de periode na 1 juli 1991" (bestreden vonnis, p. 6, derde volledige alinea), de artikelen 1, enig lid, 4°, van het koninklijk besluit arbeidsongevallen overheidspersoneel, 1, eerste lid, 5°, en 3bis, toenmalig enig lid, van de Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel en artikel 22 van de Arbeidsongevallenwet private sector, al deze bepalingen in hun versie, zoals in de aanhef van het middel aangegeven, geschonden. 3. Luidens artikel 14, ,§3, derde lid, van de Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel treedt het overheidsbestuur of de overheidsinstelling die de last van de renten draagt van rechtswege in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen die het door een arbeidsongeval getroffen personeelslid ten aanzien van de voor het ongeval aansprakelijke kan doen gelden. In overhavig geval wezen de appèlrechters de subrogatoire vordering van eiseres af omdat "er in hoofde van (eiseres) geen enkele wettelijke verplichting bestond tot verdere betaling van een wedde nadat de arbeids-overeenkomst van bepaalde duur verstreken was" (bestreden vonnis, p. 6, derde volledige alinea). Nu, zoals hiervoren werd uiteengezet, eiseres ook na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan mevrouw V. een vergoeding voor de ingevolge het ongeval ondervonden tijdelijke arbeidsongeschiktheid verschuldigd was, werd de beslissing tot afwijzing van de subrogatoire vordering niet naar recht verantwoord. De rechtbank schendt dienvolgens ook artikel 14, ,§3, derde lid, van de Arbeidsongevallenwet overheidspersoneel in zijn versie, zoals in de aanhef van het middel aangegeven. 4. Tenslotte oordeelden de appèlrechters dat "in de mate de verdere betaling van het loon na het einde van de arbeidsovereenkomst op een eigen fout berustte (eiseres) zich uiteraard niet op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek (kan) beroepen om terugbetaling hiervan te bekomen vanwege de verzekeraar van de heer S." (bestreden vonnis, p. 6, vierde volledige alinea). Nu moet worden aangenomen dat eiseres ook na het einde van de arbeidsovereenkomst aan mevrouw V. vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid verschuldigd was, konden de appèlrechters niet wettig beslissen dat eiseres zich niet op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek kan beroepen met het oog op de terugbetaling van de uitgekeerde vergoedingen, en schenden zij aldus artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 3bis van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, de personeelsleden op wie deze wet van toepassing werd verklaard, gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid, het voordeel genieten van de bepalingen die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen of door de wetgeving op de beroepsziekten zijn vastgesteld ; Dat dit artikel van toepassing is op de leden van dat personeel die tijdelijk arbeidsongeschikt zijn, ongeacht of ze dat volledig of gedeeltelijk zijn ; Overwegende dat, krachtens artikel 22 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, toepasselijk overeenkomstig voormeld artikel 3bis, de getroffene, vanaf de dag die volgt op het begin van die arbeidsongeschiktheid, recht heeft op een dagelijkse vergoeding gelijk aan 90 pct. van het gemiddelde dagloon ; Dat het personeelslid waarop de wet van 3 juli 1967 van toepassing is, wanneer voor de consolidatie de einddatum van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur bereikt is, overeenkomstig deze bepaling tot de dag van zijn volledige hervatting van het werk of van de consolidatie recht heeft op de vergoeding van tijdelijke algehele arbeidsongeschiktheid ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat : - de werkneemster van eiseres werkzaam was als tijdelijke contractuele onderhoudswerkvrouw in het Koninklijk Atheneum te Westerloo en dat haar loon werd betaald door de Vlaamse Gemeenschap ; - de werkneemster van eiseres op 30 mei 1991 het slachtoffer is geworden van een arbeidsongeval op de terugweg van deze school naar haar woonplaats ; - de werkneemster van eiseres in de periode van 30 mei 1991 tot en met 29 november 1994, dit is de datum van de consolidatie, tijdelijk volledig of gedeeltelijk arbeidsongeschikt was ; - de arbeidsovereenkomst van bepaalde duur verstreken was op 1 juli 1991 ; Dat zij op grond van deze vaststellingen niet wettig konden beslissen dat "er in hoofde van (eiseres) geen wettelijke verplichting (was) om over te gaan tot verdere betaling van haar wedde, ook niet aan 90 pct., voor de periode na 1 juli 1991" ; Dat het middel in zoverre gegrond is ; Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, zitting houdende in hoger beroep. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Dirk Debruyne, en in openbare terechtzitting van tien oktober tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051010.4 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140310.1 ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.165 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.132 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011008.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.