id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051010.5 Rolnummer: S.05.0031.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-02-14 Raadplegingen: 700 - laatst gezien 2026-07-04 11:47 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De vaste rechtsplegingsvergoeding wordt begroot voor elke aanleg en wordt verdubbeld wanneer de ingestelde eis er toe strekt een veroordeling van meer dan 2500 EUR te doen uitspreken; als ingestelde eis moet worden begrepen de eis zoals hij gesteld is in de inleidende akte of in laatste conclusie genomen in de aanleg waarvan een rechtspleginsvergoeding wordt gevraagd. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Rechtsplegingsvergoeding Begroting voor elke aanleg Verdubbeling Ingestelde eis Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 30-11-1970 - Art.3 Fiche 2 De rechter neemt een neergelegde conclusie inhoudende "repliek op het advies van het openbaar ministerie" slechts in aanmerking in zoverre ze antwoordt op het advies van het openbaar ministerie
(1)Cass., 20 sept. 2004, AR S.04.0009.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040920.5, nr 421. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Vrije woorden: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Schriftelijke conclusie van het O.M. Repliekconclusie Inhoudelijke beperking Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.767,§3 Tekst van de beslissing Nr. S.05.0031.N LANDSBOND DER LIBERALE MUTUALITEITEN, met zetel te 1050 Brussel, Livornostraat 25, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen W. V., verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 20 december 2004 gewezen door het Arbeidshof te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 557, 618, 767, ,§3, 1017, 1018, eerste lid, 6°, en tweede lid, 1022 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ; - de artikelen 1, 2, 3 en 8 van het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. Bestreden beslissing De zesde kamer van het Arbeidshof te Gent verklaart in het thans bestreden arrest van 20 december 2004 verweersters hoger beroep ontvankelijk, doch principieel ongegrond. Het arbeidshof bevestigt het bestreden vonnis van 10 februari 2004 van de vierde kamer van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, behalve met betrekking tot de kosten. De vierde kamer van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde had in haar vonnis van 10 februari 2004 verweersters oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en de door verweerster bestreden administratieve beslissing van 27 maart 2003 van de adviserend geneesheer van eiser, waarbij geoordeeld werd dat zij met ingang van 31 maart 2002 niet meer arbeidsongeschikt zou zijn zoals bedoeld in artikel 100 van de op 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, bevestigd. Opnieuw wijzend met betrekking tot de gerechtskosten veroordeelt het arbeidshof eiser, in toepassing van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, tot de kosten van beide aanleggen die het vereffent als volgt (arrest p. 8) : "aan de zijde van (verweerster) : - in eerste aanleg : - rechtsplegingsvergoeding 205,26 euro - in hoger beroep : - uitgavenvergoeding : 57,02 euro - rechtsplegingsvergoeding : 273,67 euro aan de zijde van (eiser) : - in eerste aanleg : - rechtsplegingsvergoeding : 205,26 euro - in hoger beroep : - rechtsplegingsvergoeding: 273,67 euro". Het arbeidshof grondt zijn beslissing dienaangaande op volgende motieven (arrest pp. 6 e.v., litera C) : "C. Nopens de gerechtskosten : 1. (Verweerster) vordert de veroordeling van (eiser) tot het betalen van de ziekte-uitkeringen vanaf 31 maart 2003 tot heden en verder, hetzij een bedrag van 11.164,40 euro, dus meer dan 2.500 euro. Zij berekent dit bedrag door het dagbedrag van 22,6 euro (...) te vermenigvuldigen met het aantal dagen tussen 31 maart 2003 en 12 november 2004, hetzij 19 maanden in de zesdagenweek. 2. Zij haalt aan dat haar vordering een vordering is tot uitkering tot onderhoud in de zin van artikel 561 van het Gerechtelijk wetboek, zodat de annuïteit dient vermenigvuldigd met 10. In die optiek, en zelfs in het geval sub 1. hierboven vermeld, bereikt de waarde van de vordering meer dan 2.500 euro. 3. (Eiser), en niet (verweerster) zoals door (eiser) gevorderd, dient verwezen in de kosten van het geding conform artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. 4. De artikelen 1018 tot en met 1022 van dit wetboek vermelden een niet exhaustieve opsomming van de uitgaven die als gedingkosten worden beschouwd. Het koninklijk besluit van 30 november 1970 voert artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek uit. (Verweerster) wordt bijgestaan door een advocaat. 5. De vraag die zich hier stelt betreft de begroting van de rechtsplegingsvergoeding in geschillen over repetitieve uitkeringen zoals bij arbeidsongeschiktheid, pensioenen, enz. Anders dan (verweerster) meent het Arbeidshof dat het hier niet gaat om een uitkering tot onderhoud, van een altijddurende rente of een lijfrente zodat de waarde van de vordering niet wordt bepaald door het bedrag van de annuïteit of van twaalf maandelijkse termijnen te vermenigvuldigen met 10. Ziekte-uitkeringen kunnen, net als pensioenen, niet als een uitkering tot onderhoud worden beschouwd. 6. Anderzijds wordt vastgesteld dat (verweerster), zij het in haar repliek, de veroordeling vordert van (eiser) tot betaling van de ziekte-uitkeringen ten bedrage van 11.164,40 euro. Het bedrag werd immers aanvankelijk niet gespecifieerd (evenmin in eerste aanleg). Eveneens was het dagbedrag niet gekend. De discussie betreft derhalve niet alleen de erkenning van het recht maar ook de vordering van een bedrag dat hoog genoeg ligt om de dubbele rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. De rechtsplegings-vergoeding in eerste aanleg en in graad van beroep dient dan ook vereffend op respectievelijk 205,26 euro en 273,67 euro, bedragen die, terloops gezegd, ook door (eiser) worden gehanteerd en gevorderd. Er dient opgemerkt dat de eerste rechter een rechtsplegingsvergoeding van 102,63 euro toekende omdat (verweerster) dit toen zo had gevraagd. Thans is zij het daarmede niet meer eens". Grieven Artikel 1017, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk wetboek bepaalt : "Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. Behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, wordt de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 580, 1° tot 17°, 581 en 582, 1° en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de gerechtigden, steeds in de kosten verwezen". Luidens artikel 1018, eerste lid, 6°, van het Gerechtelijk wetboek omvatten de kosten de sommen die bepaald zijn in artikel 1022. Overeenkomstig het tweede lid van artikel 1018 worden de bedragen die als basis dienen voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde kosten omgerekend in euro de dag dat het vonnis of het arrest dat in de kosten verwijst, wordt uitgesproken. Naar luid van artikel 1022 van hetzelfde wetboek stelt de Koning, na het advies van de in artikel 488 bedoelde overheden te hebben ingewonnen, een tarief vast van de sommen die invorderbare kosten zijn wegens het verrichten van bepaalde materiële akten. Het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, bevat de regels inzake rechtsplegingsvergoeding en uitgavever-goeding. Als principe geldt dat de vergoedingen worden begroot voor elke aanleg en ten aanzien van elke partij die door een advocaat bijgestaan wordt en een eigen belang heeft (artikel 1, tweede lid). De vaste rechtsplegingsvergoeding voor de onderscheidene materiële handelingen die in elke aanleg moeten worden verricht wordt, voor de verschillende rechtsplegingen, bepaald in artikel 2. Voor een procedure voor de arbeidsrechtbank is dit 900 BEF ; voor een procedure voor het arbeidshof is dit 1200 BEF. Het tweede lid van artikel 3 van dit besluit bepaalt dat de in artikel 2 bedoelde vergoedingen worden verdubbeld wanneer de ingestelde eis er toe strekt "een veroordeling tot de betaling van een geldsom van meer dan 2500 euro te doen uitspreken". Aldus is vereist, opdat de gewone rechtsplegingsvergoeding zou kunnen worden verdubbeld, dat aan de rechter de veroordeling van de tegenpartij tot betaling van een geldsom van meer dan 2500 euro wordt gevraagd. Luidens het vierde lid van dit artikel 3 wordt voor de toepassing van (het eerste
- en)het tweede lid van dit artikel het bedrag van de vordering bepaald overeenkomstig de regelen vastgesteld in de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek tot bepaling van de bevoegdheid en de aanleg (met een afwijking wat de toepassing van artikel 561 betreft). Aldus wordt onder het bedrag van de vordering verstaan de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten alsook van de dwangsommen (artikel 557 van het Gerechtelijk wetboek) en wordt, indien de vordering in de loop van het geding gewijzigd is, het bedrag van de vordering bepaald door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd (artikel 618, tweede lid, van het Gerechtelijk wetboek). Artikel 8 van het genoemde koninklijk besluit van 30 november 1970 bepaalt de wijze waarop het tarief wordt gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen. Eerste onderdeel Het in artikel 2 van het genoemde koninklijk besluit van 30 november 1970 bedoelde basisbedrag van de (enkelvoudige) rechtsplegingsvergoeding voor een rechtspleging voor de arbeidsrechtbank (900 BEF) bedroeg op 10 februari 2004, datum waarop de arbeidsrechtbank in deze zaak vonnis wees, geïndexeerd en naar euro omgezet 102,63 euro. De in artikel 3, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit van 30 november 1970 bedoelde verdubbelde rechtsplegingsvergoeding (1800 BEF) bedroeg op dezelfde datum, geïndexeerd en naar euro omgezet 205,26 euro. In het gedinginleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde op 11 april 2003 stelde verweerster zich niet akkoord te kunnen verklaren met de beslissing van 27 maart 2003 van de adviserend geneesheer waarbij zij vanaf 31 maart 2003 werd uitgesloten van het recht op ziekte-uitkeringen ; verweerster wenste "(
- de)vernietiging van deze beslissing, alsook veroordeling van (eiser) tot betaling van de ingevolge deze vernietiging verschuldigde uitkeringen, verhoogd met de moratoire en gerechtelijke intresten en de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding" (p. 1). Aldus vorderde verweerster niet de betaling van een geldsom van meer dan 2500 euro. Verweersters vraag tot veroordeling tot betaling van uitkeringen was immers niet nader gepreciseerd, zoals overigens door het arbeidshof zelf vastgesteld (arrest p. 7, nr. 6, derde en vierde regel). Het arbeidshof kent het verdubbelde bedrag van de rechtsplegings-vergoeding toe omdat de eis betrekking had op de veroordeling tot betaling van een bepaald bedrag aan "ziekte-uitkeringen" (arrest p. 7, nr. 6), te weten (in hoger beroep) 11.164,40 euro. Waar het arbeidshof ervan uitgaat dat "de discussie (...) niet alleen de erkenning van het recht (betreft) maar ook de vordering van een bedrag dat hoog genoeg ligt om de dubbele rechtsplegingsvergoeding toe te kennen" kon de eerste rechter nochtans niet gehouden zijn, op grond van deze vaststelling in hoger beroep, een verdubbelde rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. De toekenning van een verdubbelde rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg kan niet worden gerechtvaardigd door het feit dat de eis in hoger beroep de drempelwaarde voor de verdubbeling van de rechtsplegingsvergoeding mogelijk overschreed. Het arbeidshof kon dienvolgens niet wettig de voor de onderscheiden materiële handelingen die in eerste aanleg dienden te worden verricht, lastens eiser opgelegde, enkelvoudige rechtsplegingsvergoeding verdubbelen (en indexeren) en schendt dienvolgens de artikelen artikelen 557, 618, 1017, inzonderheid tweede lid, 1018, eerste lid, 6°, en tweede lid en 1022 van het Gerechtelijk wetboek en 1, 2, 3 en 8 van het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het gerechtelijk wetboek. Tweede onderdeel Het in artikel 2 van het genoemde koninklijk besluit van 30 november 1970 bedoelde basisbedrag van de (enkelvoudige) rechtsplegingsvergoeding voor een rechtspleging voor het arbeidshof (1200 BEF) bedroeg op 13 mei 2004, datum van de appèlconclusie van verweerster, geïndexeerd en naar euro omgezet 136,84 euro. De in artikel 3, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit van 30 november 1970 bedoelde verdubbelde rechtsplegingsvergoeding (2400 BEF) bedroeg op dezelfde datum, geïndexeerd en naar euro omgezet 273,67 euro. Verweerster vorderde in haar verzoekschrift tot hoger beroep (p. 3, dispositief) de bestreden administratieve beslissing te vernietigen, voor recht te zeggen dat zij sedert 31 maart 2003 verder arbeidsongeschikt was gebleven voor meer dan 66 pct. in de zin van de toepasselijke wetgeving, en eiser "te veroordelen in betaling van de uitkeringen vanaf de datum van de verdere erkenning als arbeidsongeschikt (...)". Verweerster herhaalde in haar "besluiten" in hoger beroep, gedateerd op 13 mei 2004, dat de letstels waarvan zij gewag maakte wel degelijk een arbeidsongeschiktheid van meer dan 66 pct. opleverden. Zij voerde tevens, inzake de betaling van uitkeringen aan dat, "gelet op de tussen te komen vernietiging van de bestreden administratieve beslissing de mutualiteit gehouden is de arbeidsongeschiktheidsvergoedingen uit te betalen aan (verweerster), en dit vanaf de datum van erkenning als arbeidsongeschiktheid voor meer dan 66 pct. in de zin van artikel 100 van (de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen)" (p. 3, II), zonder dienaangaande enige verdere precisering te verstrekken. Slechts met betrekking tot de gerechtskosten liet zij gelden dat "aangezien de achterstallige uitkeringen een bedrag van 2500 euro overtreffen, in toepassing van artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 30 november 1970 de rechtsplegingsvergoeding (dient) verdubbeld te worden" (p. 4, IV). In het dispositief van deze conclusie van verweerster (pp. 4-5) wordt gevorderd : - de administratieve beslissing te vernietigen en voor recht te zeggen dat tegenpartij op 31 maart 2003 verder arbeidsongeschikt was voor meer dan 66 pct., - eiser te veroordelen tot betaling van de uitkeringen vanaf de datum van de verdere erkenning van de arbeidsongeschiktheid, - eiser te veroordelen tot de kosten, aan de zijde van verweerster begroot als : "Rechtsplegingsvergoeding Eerste Aanleg 205,26 euro Rechtsplegingsvergoeding Hoger Beroep 273,67 euro Aanvullende vergoeding 57,02 euro 535,95 euro" Aldus streefde verweerster de veroordeling van eiser na tot betaling van een niet nader omschreven bedrag aan uitkeringen, waarvan slechts werd beweerd dat deze een bedrag van 2500 euro zouden overtreffen. Het is pas nadat het openbaar ministerie dienaangaande in zijn schriftelijke conclusie enige opmerkingen formuleerde (zie pp. 5-6, rand-nummer 5-6.) en besloot dat de waarde van de vordering niet bepaalbaar was bij gebrek aan preciseringen over het maandbedrag van de uitkeringen en de periode waarover de betwisting ging, dat verweerster in haar repliekconclusie deze beide elementen preciseerde, voorhoudend dat de dagvergoeding 22,60 euro beliep en over de reeds verlopen periode van 19 maanden derhalve 11.164,40 euro zou bedragen (bedrag waarop zij, minimaal, gerechtigd zou moeten worden verklaard). Overeenkomstig artikel 767, ,§3, van het Gerechtelijk wetboek, ingevolge artikel 1042 van hetzelfde wetboek toepasselijk in hoger beroep, kunnen partijen repliceren op de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie. Luidens de tweede alinea, in fine van deze bepaling geldt dit schriftelijk repliekrecht echter "uitsluitend met betrekking tot de inhoud van dat advies", zodat luidens artikel 767, ,§3, derde lid, van hetzelfde wetboek "de conclusie alleen in aanmerking (wordt) genomen in zoverre ze antwoordt op het advies van het openbaar ministerie". Aldus treden de aanvoeringen in de repliekconclusie van verweerster (inhoudende een berekening van de eigen, voorheen niet-gepreciseerde, aanspraken op uitkeringen) de aanvoeringen in het advies van het openbaar ministerie te buiten nu daarin alleen de vraag aan de orde was of verweerster voorheen haar vordering voldoende had gepreciseerd. Door deze vordering alsnog in de repliekconclusie nader te berekenen, met voeging van een nieuw stavingsstuk, hervatte verweerster eigenlijk het debat dat tussen de partijen was gevoerd en dat gesloten was op 18 oktober 2004 (arrest p. 1, in fine). Het arbeidshof kon deze precisering en berekening bijgevolg niet in aanmerking nemen om te besluiten dat de discussie "de vordering van een bedrag (betrof) dat hoog genoeg ligt om de dubbele rechtsplegingsvergoeding toe te kennen" (arrest p. 7, nr. 6). Bijgevolg strekte de regelmatig bij het arbeidshof aanhangige eis van verweerster er niet toe een veroordeling te bekomen lastens eiser tot de betaling van een geldsom van meer dan 2500 euro. Het arbeidshof kon dienvolgens niet wettig verweerster voor de onderscheidene materiële handelingen in hoger beroep een verdubbelde rechtsplegingsvergoeding toekennen lastens eiser en schendt dienvolgens de artikelen 557, 618, 767, ,§3, 1017, inzonderheid tweede lid, 1018, eerste lid, 6°, en tweede lid, 1022 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek en 1, 2, 3 en 8 van het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. IV. Beslissing van het Hof 1. Eerste onderdeel Overwegende dat de rechtsplegingsvergoeding wordt begroot voor elke aanleg ; Dat zij, krachtens artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 november 1970, wordt verdubbeld wanneer de ingestelde eis er toe strekt een veroordeling tot betaling van een geldsom van meer dan 2500 euro te doen uitspreken ; Dat als ingestelde eis moet worden begrepen, de eis zoals hij gesteld is in de inleidende akte of in de laatste conclusie genomen in de aanleg waarvoor een rechtsplegingsvergoeding wordt gevraagd of toegekend ; Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat verweerster voor de arbeidsrechtbank in het inleidende verzoekschrift de vernietiging heeft gevorderd van de beslissing van de adviserend geneesheer van eiser en tevens de veroordeling vroeg van eiser "tot betaling van de ingevolge deze vernietiging verschuldigde uitkeringen, verhoogd met de moratoire en gerechtelijke interesten en de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding" en die vordering achteraf in conclusies niet heeft gewijzigd ; Dat derhalve niet blijkt dat verweerster in eerste aanleg een eis heeft ingesteld die er toe strekte een veroordeling tot de betaling van een geldsom van meer dan 2.500 euro te doen uitspreken ; Dat de appèlrechters die de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg begroot op het dubbele van de op het ogenblik van zijn uitspraak geldende vaste rechtsplegingsvergoeding op grond dat verweerster in een repliekconclusie genomen in hoger beroep een bedrag van 11.1164,40 euro in hoofdsom heeft gevorderd, hun beslissing niet naar recht verantwoorden ; Dat het onderdeel gegrond is ; 2. Tweede onderdeel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 767, ,§3, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, tenzij zij mondeling hebben gerepliceerd na de voorlezing van het advies of hebben afgezien van hun recht op repliek, de partijen, met ingang van de kennisgeving van het advies van het openbaar ministerie, over de termijn beschikken bepaald overeenkomstig artikel 766, eerste lid, van hetzelfde wetboek, om ter griffie conclusie neer te leggen uitsluitend met betrekking tot de inhoud van dat advies ; Dat, naar luid van het derde lid van die wettelijke bepaling, de conclusie alleen in aanmerking wordt genomen in zoverre ze antwoordt op het advies van het openbaar ministerie ; Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat : 1. het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies, met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding, vaststelt dat "(verweerster) op geen enkel ogenblik van het geding de gevorderde som (heeft) begroot, en in haar laatste conclusie (stelt), zonder enige verduidelijking, dat de achterstallige uitkeringen een bedrag van 2.500 euro overtreffen" en op grond hiervan besluit dat "enkel de vaste rechtsplegingsvergoeding van artikel 2 (kan) toegekend worden" ; 2. verweerster in "besluiten houdende een repliek op het advies van het openbaar ministerie", de dagvergoeding waarop zij aanspraak maakt sedert 31 maart 2003 bepaalt op 22,60 euro en de veroordeling vordert van eiser tot betaling van een bedrag van 11.164,40 euro wegens achterstallige uitkeringen ; Overwegend dat het voor het eerst in een repliekconclusie zoals bedoeld in artikel 767, ,§3, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepalen van de dagvergoeding waarop verweerster aanspraak maakt en van het bedrag dat zij op basis hiervan ten laste van eiser vordert, geen repliek uitmaakt op het advies van het openbaar ministerie, maar neerkomt op een hervatting van het debat tussen de partijen na het sluiten ervan door de rechter ; Dat de appèlrechters die aan verweerster de dubbele vaste rechtsplegingsvergoeding toekennen omdat zij in haar repliek op het advies van het openbaar ministerie "de veroordeling vordert van (eiser) tot betaling van ziekte-uitkeringen ten bedrage van 11.164, 10 euro" hetzij een bedrag "dat hoog genoeg ligt om de dubbele rechtsplegingsvergoeding toe te kennen", hun beslissing niet naar recht verantwoorden ; Dat het onderdeel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest voor zover het uitspraak doet over de rechtsplegingsvergoedingen ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Veroordeelt eiser in toepassing van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. De kosten begroot op de som van driehonderd dertien euro negentig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Dirk Debruyne, en in openbare terechtzitting van tien oktober tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051010.5 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090213.9 ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091223.9 ECLI:BE:CTBRL:2011:ARR.20110606.12 ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20120110.2 ECLI:BE:CTBRL:2013:ARR.20130603.4 ECLI:BE:CTBRL:2013:ARR.20130603.5 ECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230517.1 ECLI:BE:CTLIE:2009:ARR.20090225.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040920.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div