← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051011.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051011.10 Rolnummer: P.05.1002.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2006-02-23 Raadplegingen: 182 - laatst gezien 2026-07-03 11:07 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het antwoord van de jury dat met schending van artikel 345 Wetboek van Strafvordering het aantal stemmen omtrent het bijkomende feit vermeldt, is niet nietig

(1).
(1)Cass., 4 jan. 1971, A.C., 1971, nr
  1. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hof van assisen Vrije woorden: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Verklaring van de jury Schuldigverklaring Verklaring omtrent het bijkomend feit Vermelding van het aantal stemmen Fiche 2 De omstandigheid dat de voorzitter van het hof van assisen toelaat dat de procureur-generaal een proces-verbaal van ondervraging van een persoon die reeds onder eed ter terechtzitting van het hof was gehoord, doet voegen houdt geen schending in van artikel 267 Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Behandeling ter zitting Voorzitter van het hof van assisen Voeging van een proces-verbaal van verhoor van een reeds eerder onder ede verhoord persoon Fiche 3 De omstandigheid dat de voorzitter van het hof van assisen, ingevolge zijn discretionaire macht, de voeging bij het strafdossier beveelt van een polygraaftest afgenomen bij een beschuldigde vóór de aanvang van de behandeling van de zaak door het hof van assisen, houdt geen schending in van de artikelen 267, 268 en 269 Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Behandeling ter zitting Voorzitter van het hof van assisen Discretionaire macht Voeging van een polygraaftest afgenomen bij de beschuldigde voor de aanvang van de behandeling van de zaak Annotaties Publicaties: R.W. - A.VANDEPLAS; De knelpunten bij de assisenprocedure. - 2007-2008, 1238-1241 Tekst van de beslissing Nr. P.05.1002.N
  2. B G, eiser, beschuldigde, gedetineerd, met als raadslieden Mr. Jef Vermassen, en Mr. An Govers, advocaten bij de balie te Dendermonde,
  3. B A, eiser, beschuldigde, gedetineerd, met als raadslieden Mr. Viktor Van Aelst en Mr. Els Gauquie, advocaten bij de balie te Antwerpen, ter terechtzitting bijgestaan door Mr. Katrien Van Der Straeten, advocaat bij de balie te Dendermonde. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 13 juni 2005 gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen; II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers stellen elk in een memorie vijf gelijkluidende middelen voor. Die memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen
  4. Eerste middel Overwegende dat de verklaring van de rechtsprekende jury betreffende de beide eisers zowel op de vraag betreffende het hoofdfeit als op deze betreffende de voorbedachtheid vermeldt: "Ja met 7 stemmen tegen 5"; Overwegende dat artikel 345 Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Na iedere stemming neemt het hoofd van de jury de stemmen op in tegenwoordigheid van de gezworenen en tekent de beslissing onmiddellijk aan naast de vraag, zonder het aantal stemmen te vermelden, behalve in het geval de bevestigende verklaring omtrent het hoofdfeit slechts bij eenvoudige meerderheid is tot stand gekomen"; Dat, anders dan het middel aanvoert, het antwoord van de jury dat met schending van artikel 345 Wetboek van Strafvordering het aantal stemmen omtrent het bijkomende feit vermeldt, niet nietig is; Dat het middel faalt naar recht;
  5. Tweede middel Overwegende dat artikel 267, eerste lid, Wetboek van Strafvordering de voorzitter van het hof van assisen gelast met de leiding van de gezworenen bij de uitoefening van hun taak; Dat de omstandigheid dat de voorzitter toelaat dat de procureur-generaal een proces-verbaal van de ondervraging van een persoon die reeds onder eed ter terechtzitting van het hof was gehoord, doet voegen, geen schending van artikel 267 Wetboek van Strafvordering inhoudt; Dat het middel in zoverre faalt naar recht; Overwegende dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat op 13 juni 2005 de substituut-procureur-generaal voorlezing heeft gegeven van het proces-verhaal van verhoor van een bepaald persoon, en dat Mr. J. Vermassen, raadsman van de eerste eiser, op interpellatie van de voorzitter, geen bezwaar heeft gemaakt tegen de voeging van dit proces-verbaal bij het dossier maar wel tegen het feit dat dit proces-verbaal werd neergelegd na de getuigenverklaring onder eed ter terechtzitting van deze persoon; (54e blad van het proces-verbaal van de terechtzitting); dat verder uit het proces-verbaal blijkt dat de partijen, hierover geïnterpelleerd, geen opmerkingen meer hebben gemaakt; Dat de eisers niet voor het eerst voor het Hof het bezwaar kunnen maken dat ze niet bij het hof van assisen gemaakt hebben; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is;
  6. Derde middel Overwegende dat artikel 267, eerste lid, 268 en 269, eerste lid, Wetboek van Strafvordering respectievelijk de voorzitter van het hof van assisen gelast met de leiding van de gezworenen bij de uitoefening van hun taak, hem discretionaire macht verleent alles te doen wat hij nuttig acht om de waarheid te vinden en hem toelaat in de loop van het debat getuigen te doen horen of zich alle nuttige stukken te doen brengen; Dat de omstandigheid dat de voorzitter ingevolge zijn discretionaire macht de voeging bij het strafdossier beveelt van een polygraaftest afgenomen bij een beschuldigde vóór de aanvang van de behandeling van de zaak door het hof van assisen, geen schending van de artikelen 267, 268 en 269 Wetboek van Strafvordering inhoudt; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen; Overwegende dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat op 6 juni 2005, bij de aanvang van de behandeling van de zaak, de voorzitter ingevolge zijn discretionaire macht en zonder verzet vanwege de partijen bevolen heeft het proces-verbaal van 27 mei 2005 betreffende de polygraaftest afgenomen bij de eerste eiser bij het strafdossier te voegen (11e blad, nr. 34, en 13e blad van het proces-verbaal van de terechtzitting); Dat de eisers niet voor het eerst voor het Hof het verweer kunnen voeren dat het afnemen op 27 mei 2005, dit is vóór de aanvang van de behandeling van de zaak, van een polygraaftest van de eerste eiser in aanwezigheid van de procureur-generaal maar buiten de aanwezigheid van de raadslieden van de beide eisers, hun recht op wapengelijkheid zoals gewaarborgd door de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR miskent; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is;
  7. Vierde middel Overwegende dat artikel 86bis, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van de getuigen, de onderzoeksrechter hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, in voorkomend geval op verzoek van de persoon tegen wie een opsporingsonderzoek loopt, hetzij op verzoek van de getuige of van de persoon tegen wie de strafvordering wordt ingesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek, de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij of hun raadslieden, de macht verleent te bevelen dat de identiteit van de getuige, onder bepaalde in dat artikel vermelde voorwaarden, verborgen zal worden gehouden op de wijze bepaald in artikel 86ter Wetboek van Strafvordering, eveneens ingevoegd bij artikel 12 van de voornoemde wet van 8 april 2002; Overwegende dat artikel 341, derde lid, Wetboek van Strafvordering gewijzigd bij artikel 16 van de voornoemde wet van 8 april 2002, bepaalt: "In voorkomend geval waarschuwt de voorzitter de gezworenen dat getuigenverklaringen die ingevolge de toepassing van de artikelen 86bis en 86ter werden verkregen slechts in aanmerking kunnen genomen worden als bewijs op voorwaarde dat zij in afdoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen"; Overwegende dat de eisers niet voor het eerst voor het Hof kunnen aanvoeren dat hun recht van verdediging werd miskend doordat het tegen hen voor het hof van assisen aangevoerde bewijs in overheersende mate zou gegrond zijn op verklaringen van anonieme getuigen die niet door de onderzoeksrechter werden gehoord; Dat het middel niet ontvankelijk is;
  8. Vijfde middel Overwegende dat artikel 189bis, derde lid, Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 14 van de voornoemde wet van 8 april 2002 bepaalt: "De veroordeling van een persoon mag niet uitsluitend of zelfs in overheersende mate gegrond zijn op anonieme getuigenverklaringen die met toepassing van de artikelen 86bis en 86ter zijn verkregen. Die laatste moeten in afdoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen"; Overwegende dat het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt: "(...), substituut-procureur-generaal met opdracht, wordt gehoord en zet zijn middelen tot staving van de beschuldiging uiteen. Tijdens de uiteenzetting verzoekt (...) substituut-procureur-generaal met opdracht, akte te nemen met betrekking tot de bewijskracht van anonieme getuigen die informatie verstrekten aan de politie. Door de overige partijen worden hieromtrent geen opmerkingen geformuleerd. Mr. (...), voornoemd advocaat, raadsman van eerste (eiser), heeft vervolgens op de hierboven middelen tot staving van de beschuldiging geantwoord en heeft zijn middelen van verdediging ontwikkeld. Tijdens zijn pleidooi verzoekt meester (...), advocaat voornoemd, akte te nemen van: 'De derde anonieme getuigenis is onwettig'; Het hof (van assisen) neemt hiervan akte. Door de overige partijen worden hieromtrent geen opmerkingen geformuleerd"(54e en 55e blad van het proces-verbaal van de terechtzitting) Dat, naar de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet kan worden uitgemaakt om welke precieze reden de raadsman van de eerste eiser in zijn pleidooi het door hem bedoelde derde anonieme getuigenis onwettig achtte; Overwegende dat de eisers niet voor het eerst voor het Hof kunnen aanvoeren dat hun recht van verdediging werd miskend doordat het tegen hen voor het hof van assisen aangevoerde bewijs in overheersende mate gegrond zou zijn op de derde anonieme getuigenis; Dat het middel niet ontvankelijk is; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen die door de onderzoeksrechter niet worden gehoord; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van zesennegentig euro achtendertig cent, waarvan
  9. op het cassatieberoep van B.G.: achtenveertig euro negentien cent verschuldigd en
  10. op het cassatieberoep van B.A.: achtenveertig euro negentien cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van elf oktober tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051011.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.