← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051011.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art.7Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.

100 TOT EINDE) - Artikel 191 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 191 Vreemdeling op Belgisch grondgebied Gelijkwaardige bescherming behoudens bij de wet gestelde uitzondering Artikel 12 Aanhouding Vereiste van een met redenen omkleed bevel van een rechter Artikel 74/6 Vreemdelingenwet Bestuurlijke vrijheidsberoving met het oog op uitwijzing Bij wet bepaalde uitzondering Wettelijke bepalingen:

Art.7

Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: VREEMDELINGEN Vreemdelingenwet Artikel 74/6 Vreemdelingenwet Bestuurlijke aanhouding met het oog op uitwijzing Artikel 12 Grondwet Vereiste van een met redenen omkleed bevel van een rechter Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen:

Art.7

Fiche 4 Artikel 63/5, eerste en tweede lid, Vreemdelingenwet houdt in dat ook de termijn van zeven werkdagen, bepaald in artikel 74/6, ,§ 2, eerste lid, van dezelfde wet, binnen dewelke de nodige stappen om de vreemdeling te verwijderen dienen genomen te worden, geschorst is en derhalve slechts begint te lopen vanaf de dag waarop definitief beslist is over het hoger beroep van de vreemdeling tegen de beslissing die zijn binnenkomst, verblijf of vestiging in het land weigert. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: VREEMDELINGEN Vreemdelingenwet Artikel 52 Ministeriële beslissing waarbij de binnenkomst, het verblijf of de vestiging in het land geweigerd wordt Artikel 63/5 Dringend beroep Schorsing van de maatregelen tot verwijdering Artikel 74/6, ,§ 2, eerste lid Termijn van zeven werkdagen binnen dewelke de nodige stappen voor de verwijdering dienen genomen te worden Schorsing tot definitief beslist is over het dringend beroep tegen de ministeriële beslissing Tekst van de beslissing Nr. P.05.1268.N D M, alias B M, eiser, vreemdeling, met als raadsman Mr. Mario Vandevelde, advocaat bij de balie te Brussel. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 7 september 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen

  1. Eerste middel Overwegende dat artikel 12, derde lid, Grondwet bepaalt dat, behalve bij ontdekking op heterdaad, niemand kan worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren; Dat artikel 191 Grondwet bepaalt dat iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, de bescherming verleend aan personen en goederen geniet, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen; Overwegende dat artikel 74/6, ,§ 1, Vreemdelingenwet bepaalt dat "de vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden of wiens verblijf heeft opgehouden regelmatig te zijn en aan wie de toegang tot 's lands grondgebied of de toelating om in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling in het Rijk te verblijven werd ontzegd, krachtens artikel 52, (...) in een welbepaalde plaats (kan) worden vastgehouden in afwachting van die toelating of van zijn verwijdering van het grondgebied zo de minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft, of diens gemachtigde, deze vasthouding nodig acht om de effectieve verwijdering van het grondgebied te waarborgen in geval de beslissing bedoeld in artikel 52 uitvoerbaar wordt"; Dat de wetgever hierdoor uitdrukkelijk afwijkt van de regel van de verplichte tussenkomst van de rechter in geval van vrijheidsberoving; Dat het middel, in zoverre het aanvoert dat artikel 12 Grondwet van toepassing is op de bestuurlijke vrijheidsberoving van een vreemdeling met het oog op zijn uitwijzing, faalt naar recht; Overwegende dat het middel, in zoverre het schending aanvoert van artikel 5 EVRM, afgeleid is uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 12 Grondwet; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is;
  2. Tweede middel Overwegende dat artikel 63/5, eerste lid, Vreemdelingenwet bepaalt dat het dringend hoger beroep met toepassing van artikel 63/2, ,§ 1, van die wet ingesteld tegen de beslissing waarbij de minister of diens gemachtigde, met toepassing van artikel 52, de binnenkomst, het verblijf of de vestiging weigert aan de vreemdeling die zich vluchteling verklaart, deze beslissing schorst; dat het tweede lid van hetzelfde artikel bepaalt dat "tijdens de termijn waarbinnen men een dringend beroep kan indienen alsmede tijdens de duur van het onderzoek van dat beroep, (...) alle maatregelen tot verwijdering van het grondgebied die zijn genomen ten opzichte van de vreemdeling wegens de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de bestreden beslissing, geschorst (zijn)"; Overwegende dat die bepalingen inhouden dat ook de termijn van zeven dagen bepaald in artikel 74/6, ,§ 2, eerste lid, Vreemdelingenwet, binnen dewelke de nodige stappen om de vreemdeling te verwijderen dienen genomen te worden, geschorst is en derhalve slechts begint te lopen vanaf de dag waarop definitief beslist is over het hoger beroep van de vreemdeling tegen de beslissing die zijn binnenkomst, verblijf of vestiging in het land weigert; Overwegende dat het arrest, met overname van de redenen van het advies van het openbaar ministerie, oordeelt dat "de nog lopende asielaanvraag de termijn van zeven werkdagen schorst, conform de ter zake geldende reglementering en wetgeving" en dat eisers hoger beroep tegen de beslissing genomen met toepassing van artikel 52 Vreemdelingenwet werd afgewezen bij beslissing van 29 juni 2005; dat het op die grond de beslissing dat de nodige stappen om eiser te verwijderen tijdig genomen werden op 5 juli 2005, naar recht verantwoordt; Dat het middel niet kan worden aangenomen; B. Ambtshalve onderzoek Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van drieënzestig euro negenendertig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van elf oktober tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051011.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.