id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051011.5 Rolnummer: P.05.0988.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2006-02-21 Raadplegingen: 881 - laatst gezien 2026-07-04 08:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche Thesaurus CAS: STRAF Nota: P.05.0988.N Advocaat-generaal P. Duinslaeger heeft in substantie gezegd:
- In deze zaak werd door de Procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis op 9 juni 2005 in hoger beroep gewezen door de correctionele rechtbank te Leuven, waarbij verweerder wegens de telastleggingen van alcoholintoxicatie en dronken sturen veroordeeld werd tot een werkstraf van 42 uren, terwijl tevens een verval van het recht alle motorvoertuigen te besturen gedurende een termijn van twee maanden werd opgelegd.
- In zijn verzoekschrift voerde de eiser aan dat de feiten die verweerder ten laste werden gelegd strafbaar zijn met correctionele straffen en dat de appèlrechters geen verzachtende omstandigheden aannemen, zodat de werkstraf, in toepassing van artikel 37ter, ,§ 2, eerste lid, Strafwetboek, meer dan 45 uren diende te bedragen.
- Het door eiser aangevoerde middel lijkt inderdaad gegrond en zou bijgevolg dienen te leiden tot de vernietiging van het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de op te leggen straf
(1), maar, bij toepassing van de rechtspraak van het Hof sinds het arrest van 8 februari 2000
(2), met behoud van de schuldigverklaring. 4. Een verder onderzoek van het verloop van de rechtspleging in deze zaak noopt evenwel tot een andere benadering. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt immers dat het beroepen vonnis op verzet van de politierechtbank te Leuven van 24 september 2004 verweerder wegens de telastleggingen van alcoholintoxicatie en dronken sturen veroordeelt tot een geldboete van 1.250 euro of een vervangende gevangenisstraf van een maand en hem tevens vervallen verklaart uit het recht een motorvoertuig te besturen gedurende een termijn van drie maanden en dit herstel van het recht tot sturen afhankelijk maakt van het slagen in een medisch-psychologisch onderzoek. Bovendien blijkt dat alleen de verweerder hoger beroep aantekende tegen het vonnis van de eerste rechter. Dit betekent meteen dat de verweerder in die omstandigheden door de appèlrechters niet kon worden veroordeeld tot een zwaardere straf dan die welke door de eerste rechter werd uitgesproken
(3). De appèlrechters veroordelen verweerder uiteindelijk tot een werkstraf. Er dient bijgevolg onderzocht te worden of een werkstraf al dan niet zwaarder is dan een geldboete. Deze vraag is overigens niet enkel van belang voor het probleem dat ons thans interesseert, maar ook voor de toepassing van de eenparigheidsregel van artikel 211bis, Wetboek van Strafvordering, voor de toepassing van de regels van bepaalde vormen van meerdaadse samenloop (artikel 59 e.v. S.W.), van eendaadse samenloop (artikel 65 S.W.) en voor de toepassing van de wet in de tijd
(4). 5. De vraag naar de relatieve zwaarte van de werkstraf ten opzichte van de geldboete in de hiërarchie van de straffen krijgt geen duidelijk antwoord in de parlementaire voorbereiding
(5). De rechtsleer blijkt op zijn minst verdeeld te zijn over het antwoord op deze vraag. Een aantal auteurs vertrekt van het standpunt dat de werkstraf een zwaardere straf is dan de geldboete. Zij steunen daarbij vooral op het tekstargument van artikel 7 Strafwetboek, dat de werkstraf invoegt tussen de gevangenisstraf en de geldboete
(6), waarbij ervan wordt uitgegaan dat de volgorde van de opsomming van de straffen ook hun relatieve zwaarte bepaalt
(7). Volledigheidshalve kan overigens worden opgemerkt dat ook in de artikelen 59 en 85 Strafwetboek de werkstraf werd ingelast tussen de gevangenisstraf en de geldboete. Toch vragen ook die auteurs zich af of dit (tekst)argument op zich alleen wel een voldoende basis biedt om de vraag naar de relatieve zwaarte van de werkstraf ten opzichte van de geldboete op sluitende wijze te beantwoorden
(8), aangezien de vraag kan gesteld worden of de wetgever niet zelf van de klassieke rangregeling van de straffen heeft willen afwijken
(9). Andere auteurs
(10)zijn nog kritischer en voeren argumenten aan die de tegenovergestelde stelling kunnen ondersteunen. Deze argumenten hebben onder meer betrekking op het gegeven dat de wetgever de werkstraf eerst wilde onderbrengen in een Afdeling VIbis van Hoofdstuk II van het Eerste Boek van het Strafwetboek, op het feit dat de werkstraf, in tegenstelling tot de gevangenisstraf of de geldboete niet vermeld wordt op het uittreksel uit het strafregister, op de omstandigheid dat de werkstraf op algemene wijze wordt ingevoerd in artikel 37ter Strafwetboek en niet per afzonderlijke inbreuk, op de afwezigheid van specifieke regels met betrekking tot de herhaling, op de vereiste instemming van de beklaagde en op de motiveringsplicht van de rechter wanneer hij weigert een werkstraf op te leggen. Er moge overigens op gewezen worden dat het argument van de vereiste van de instemming van de beklaagde niet zonder gevaar is: dit argument zou er uiteindelijk kunnen toe leiden dat de relatieve zwaarte van de straffen niet meer wordt bepaald op grond van objectieve of objectiveerbare criteria, maar enkel nog op grond van het subjectieve gevoel van de beklaagde of van de wijze waarop de beklaagde de mogelijke straffen waartoe hij desgevallend kan veroordeeld worden percipieert. Dit kan alleen leiden tot rechtsonzekerheid: de individuele strafbeleving door de rechtsonderhorige kan geen decisief criterium zijn
(11). Het meest pertinente argument, dat door verschillende van deze auteurs wordt aangehaald, lijkt evenwel het feit dat bij de werkstraf ook een vervangende geldboete kan worden opgelegd die van toepassing kan worden wanneer de werkstraf niet wordt uitgevoerd. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de geldboete, die in dat geval gebruikt wordt als bedreiging in geval van niet-uitvoering van de werkstraf, zwaarder is dan de werkstraf zelf: een vervangende straf die lichter is dan de hoofdstraf kan de uitvoering van die hoofdstraf immers nooit waarborgen en dat is precies de bestaansreden van de vervangende straf. De omgekeerde redenering leidt tot hetzelfde resultaat: de werkstraf kan niet opgelegd worden als vervangende straf voor de gevangenisstraf of voor de geldboete
(12). Maar ook dit argument op zich wordt door een aantal auteurs als onvoldoende overtuigend beschouwd
(13). 6. Het Hof heeft zich tot op heden niet moeten uitspreken over de vraag naar de relatieve zwaarte van de werkstraf ten opzichte van de geldboete. Lagere rechtbanken hebben dit inmiddels wel al gedaan. Daarbij werd geoordeeld dat de werkstraf zich, overeenkomstig artikel 7 Strafwetboek, zoals gewijzigd door de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en politiezaken, positioneert tussen de gevangenisstraf en de geldboete
(14)(van dezelfde aard: hetzij een correctionele straf, hetzij een politiestraf) of dat de werkstraf zwaarder is dan de geldboete
(15). Het Hof heeft zich wel al uitgesproken over de relatieve zwaarte van de werkstraf ten opzichte van de gevangenisstraf. In de lijn van zijn vroegere rechtspraak hanteerde het Hof daarbij terecht een objectief criterium. Het Hof beslist dat de relatieve zwaarwichtigheid van twee straffen niet alleen wordt gemeten met betrekking tot hun duur of hun strafmaat, maar ook met betrekking tot hun aard, karakter, soort of voorwerp
(16). Het Hof oordeelt op basis van deze criteria dat de werkstraf, wegens het voorwerp ervan, minder zwaar is dan een gevangenisstraf, aangezien de weerslag ervan op de individuele vrijheid geringer is. Volledigheidshalve moet hieraan worden toegevoegd dat ook de klassieke regels met betrekking tot de zwaarte van de straf blijven spelen: aangezien een correctionele straf zwaarder is dan een politiestraf, zal ook een correctionele werkstraf zwaarder zijn dan een politiegevangenisstraf van zeven dagen
(17). Voortbouwend op deze rechtspraak kan het Hof nu ook een standpunt innemen omtrent de afweging van de zwaarte van de werkstraf ten opzichte van de geldboete. Uit het arrest van 8 januari 2003 blijkt immers dat de werkstraf hoe dan ook een impact heeft op de individuele vrijheid: deze impact mag dan al (beduidend) minder zijn dan deze van de gevangenisstraf, zij blijft in elk geval bestaan. De geldboete daarentegen tast de beklaagde enkel aan in zijn patrimonium. Deze aantasting van het vermogen van de beklaagde gaat minder ver dan de aantasting van de individuele vrijheid door de werkstraf, die in elk geval een verplichting inhoudt enige vorm van onbezoldigde arbeid te verrichten na de gewone dagtaak
(18). Bij invoering van de taakstraf in Nederland preciseerde de Tweede Kamer overigens dat de veroordeelde door deze straf niet van zijn vrijheid wordt beroofd, maar wel in zijn vrijheid beperkt
(19). Het feit dat de beklaagde zijn instemming moet geven vooraleer een werkstraf kan worden opgelegd doet daaraan niet af
(20). Uit bovenstaande analyse moet dus besloten worden dat de werkstraf zwaarder is dan de geldboete van dezelfde gelijke aard, zodat ambtshalve de schending van de artikelen 187, 188, 202 en 203 Wetboek van Strafvordering dient aangevoerd te worden. Ook in dit geval kan de schuldigverklaring, waarvoor de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht werden genomen en waarvoor de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen, onverkort blijven bestaan
(21). Conclusie: vernietiging, op het ambtshalve aangevoerde middel van schending van de artikelen 187, 188, 202 en 203 Wetboek van Strafvordering, van het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de op te leggen straf en verwerping voor het overige, met verwijzing. ___________________________
(1)Cass., 15 sept. 2004, A.R. P.04.0590.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040915.15, nr. 413.
(2)Cass., 8 feb. 2000, A.R. P.97.1697.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000208.9, nr. 98 met concl. van procureur-generaal du Jardin; 16 feb. 2000, A.R. P.99.1553.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000216.5, nr. 127; 21 maart 2000, A.R.P.98.0605.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000321.17, nr. 192; 4 april 2000, A.R. P.97.0832.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000404.25, nr. 220; 4 april 2000, A.R. P.99.1072.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000404.22, nr. 223; 2 mei 2000, A.R. P.00.0100.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000502.7, nr. 267; 30 mei 2000, A.R. P.98.0405.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000530.14, nr. 329
(3)Cass. 16 sept. 1975, A.C. 1976, 77; 25 nov. 1975, A.C. 1976, 388; 21 dec. 1976, A.C. 1977, 451; 25 jan. 1984, A.R. 197, nr. 279; 3 dec. 1985, A.R. 9670, nr. 226; 9 jan. 1991, A.R. 8585, nr. é; DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 3° Editie 2003, p. 1047, nr. 2425; VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, 4de herziene uitgave, Maklu, p. 1055, nr. 2264
(4)JACOBS, A., "L'application dans le temps de la loi introduisant la peine de travail", (noot onder Cass., 12 feb. 2003), J.L.M.B., 2003, 1313, nr. 11; VANDROMME, S., Strafrecht en Strafvordering, Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Trefwoord "Werkstraf", nr. 20.
(5)DUPONT, L., "De relatieve zwaarte van de werkstraf", noot onder Antwerpen, 28 juni 2002, T. Strafr., 2002, p. 205; JACOBS, A. en DANTINNE, M., "La peine de travail. Commentaire de la loi du 17 avril 2002", Rev. Dr.pén., 2002, 858 en 863.
(6)JACOBS, A. en DANTINNE, M., o.c., 863; VANDER BEKEN, T. en FLAVEAU, A., "Hard Labeur. Een eerste analyse van de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken" T. Strafr., 2002, p. 246; JACOBS, A., "Inédits de droit pénal la peine de travail", J.L.M.B., 2003, 53; VANDROMME, S., Strafrecht en Strafvordering, Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Trefwoord "Werkstraf", nr. 21.
(7)DUPONT, L. en VERSTRAETEN, R., Handboek Belgisch Strafrecht, Acco, 1989, 185; TROUSSE, P.E., "Les principes généraux du droit pénal positif belge", Les Novelles, Droit Pénal, Tome I, Vol. 1, Larcier, 1956, nr. 248; VAN DEN WYNGAERT, C., Strafrecht en Strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 1999, 406; VANHOUDT, C.J. en CALEWAERT, W., Belgisch Strafrecht, 1, 2de ed., Story Scientia, 1976, nr. 355.
(8)VANDER BEKEN, T. en FLAVEAU, A., o.c., p. 246; JACOBS, A. en DANTINNE, M., o.c., 863; DUPONT, L., "De relatieve zwaarte van de werkstraf", noot onder Antwerpen, 28 juni 2002, T. Strafr. 2002, p. 204.
(9)DUPONT, L., o.c., p. 205.
(10)VANDROMME, S., o.c., nr. 23; DE LE COURT, P., "La loi du 17 avril 2002 instaurant la peine de travail comme peine autonome en matière correctionnelle ou de police", R.G.A.R., 2002, n° 13604, note 8; JACOBS, A., "L'application dans le temps de la loi introduisant la peine de travail", (noot onder Cass., 12 feb. 2003), J.L.M.B., 2003, 1313; HELSEN, P., "Hoe zwaar weegt de werkstraf ? Nog (jurisprudentieel) werk aan de winkel", NjW, 2002, 126; VANDROMME, S., "De werkstraf, nieuwe aanwinst in het Belgisch straffenarsenaal", R.W., 2002-2003, 481.
(11)DUPONT, L., o.c., p. 205; JACOBS, A., "L'application dans le temps de la loi introduisant la peine de travail", (noot onder Cass., 12 feb. 2003), J.L.M.B., 2003, 1313, nr. 4.
(12)JACOBS, A. en DANTINNE, M. o.c., 861; JACOBS, A., "L'application dans le temps de la loi introduisant la peine de travail", (noot onder Cass., 12 feb. 2003), J.L.M.B., 2003, 1313, nr.5; HELSEN, P., o.c., 126.
(13)JACOBS, A. en DANTINNE, M., o.c., 860.
(14)Antwerpen, 28 juni 2002, met noot DUPONT, L., "De relatieve zwaarte van de werkstraf", T. Strafr., 2002, p. 202.
(15)Brussel, 17 dec. 2002, J.T., 2003, 49
(16)Cass., 8 jan. 2003, A.R. P.02.1314.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030108.18, nr. 14, Rev. Dr. Pén. 2003, p. 536, met noot JACOBS, A., "L'application dans le temps de la loi introduisant la peine de travail"en R.A.B.G. 2003, 293 met noot ROZIE, M., "De zwaarte van de werkstraf afgewogen tegen de zwaarte van de gevangenisstraf en de geldboete", nr. 6; Cass., 12 maart 2003, A.R. P02.1670.F, nr. 163 en T. Strafr.,2003, p. 260 met noot VANDER BEKEN, T., "De werkstraf als mildere straf. Roma locuta, causa finita ?"
(17)VANDROMME, S., Strafrecht en Strafvordering, Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Trefwoord "Werkstraf", nr. 24; SPRIET, B., "Vergelijking van de zwaarte van de straffen", R.W., 1993-94, 1302.
(18)VANDER BEKEN, T. en FLAVEAU, A., o.c., p. 242.
(19)Nota taakstraffen, Tweede Kamer der Staten-generaal, Vergaderjaar 1995-1996, 24.807, nrs. 1, 2 en 5.
(20)Contra: JACOBS, A., "L'application dans le temps de la loi introduisant la peine de travail", (noot onder Cass., 12 feb. 2003), J.L.M.B., 2003, 1313, nr. 5, die blijkbaar een groter belang hecht aan het feit dat de werkstraf de enige straf is die de instemming van de beklaagde vereist en aan het feit dat hij geconsulteerd wordt omtrent de concrete invulling van zijn straf.
(21)Zie voetnoot 2. Tekst van de beslissing Nr. P.05.0988.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE LEUVEN, eiser, tegen S J P, verweerder, beklaagde. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 9 juni 2005 in hoger beroep gewezen door de Correctionele Rechtbank te Leuven. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een verzoekschrift een middel voor. Dit verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 187, 188, 202 en 203 Wetboek Strafvordering. Overwegende dat het beroepen vonnis op verzet van de Politierechtbank te Leuven van 24 september 2004 verweerder wegens de telastleggingen A (alcoholintoxicatie) en B (dronken sturen) veroordeelt tot een geldboete van 1.250 euro of een vervangende gevangenisstraf van een maand, hem tevens vervallen verklaart uit het recht een motorvoertuig te besturen gedurende een termijn van drie maanden en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maakt van het slagen in een medisch- psychologisch onderzoek; Overwegende dat alleen verweerder van dit beroepen vonnis in hoger beroep is gekomen, zodat de correctionele rechtbank de toestand van verweerder niet mocht verzwaren; Overwegende dat de relatieve zwaarwichtigheid van twee straffen niet alleen wordt gemeten met betrekking tot hun duur of hun strafmaat, maar ook met betrekking tot hun aard, karakter, soort of voorwerp; Dat de werkstraf wegens het voorwerp ervan zwaarder is dan de geldboete, aangezien de weerslag ervan op de individuele vrijheid groter is; Overwegende dat de Correctionele Rechtbank te Leuven bij het bestreden vonnis verweerder voor de telastleggingen A en B samen veroordeelt tot een werkstraf van 42 uren of een vervangende geldboete van 1.050 euro; Dat de appèlrechters verweerder aldus onwettig zwaarder straffen; Overwegende dat, wat de schuldigverklaring betreft, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de op te leggen straf; Verwerpt het cassatieberoep voor het overige; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis; Laat de kosten ten laste van de Staat; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Correctionele Rechtbank te Brussel, zitting houdend in hoger beroep. Gezegde kosten begroot op de som van drieënzestig euro eenenvijftig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van elf oktober tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051011.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070425.2 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070620.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000208.9 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000216.5 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000321.17 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000404.22 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000404.25 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000502.7 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000530.14 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030108.18 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040915.15 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070228.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120926.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div