id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051024.5 Rolnummer: S.04.0175.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-02-23 Raadplegingen: 189 - laatst gezien 2026-07-03 10:56 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De bijzondere ontslagbescherming ten behoeve van de adviserend geneesheren strekt ertoe in het belang van de organisatie van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, hun onafhankelijkheid te waarborgen ten opzichte van de verzekeringsinstelling die hen in dienst heeft genomen. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Uitkeringsverzekering - Invaliditeitsuitkering Vrije woorden: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Verzekeringsinstelling Organisatie Adviserend geneesheer Statuut Onafhankelijkheid Bijzondere ontslagbescherming Doel Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 20-07-1967 - Artt.30t.e.m. Fiche 2 De wettelijke ontslagbescherming die toekomt aan de geneesheren die erkend en beëdigd zijn als adviserend geneesheer, wordt niet beperkt tot de erkende adviserende geneesheren die de taak van adviserend geneesheer op bestendige of ononderbroken wijze uitoefenen. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Vrije woorden: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Verzekeringsinstelling Adviserend geneesheer Erkend en beëdigd Opdracht Uitoefening Voorwaarden Ontslagbescherming Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 20-07-1967 - Artt.30t.e.m. Fiche 3 Het voorkeurrecht van de adviserend geneesheer is uitdrukkelijk beperkt tot het ontslag nopens ambtsopheffing en geldt derhalve niet in andere gevallen van ontslag. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Vrije woorden: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Verzekeringsinstelling Adviserend geneesheer Statuut Ontslagbescherming Afdanking Opheffing van ambt Voorkeurrecht Beperking Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 20-07-1967 - Artt.31,2°,en Annotaties Publicaties: R.W. - X; Noot - 2007-2008,63 Tekst van de beslissing Nr. S.04.0175.N.- D.E., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen LANDSBOND VAN DE NEUTRALE ZIEKENFONDSEN, erkende vereniging van ziekenfondsen met rechtspersoonlijkheid, met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Charleroisesteenweg 145, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 juni 2004 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ; - de artikelen 153, eerste en laatste lid, en 154, eerste, tweede en vierde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 (artikel 153, eerste lid, in de versie zoals het bestond vóór de wijziging bij wet van 22 augustus 2002; artikel 154, tweede en vierde lid, in de versie zoals het bestond vóór de wijziging bij de programmawet (II) van 24 december 2002) ; - de artikelen 25, eerste lid, 30, 31, 32 en 33 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ; - de artikelen 6, 1108, 1128, 1131, 1134, 1135, 1157, 1217 en 1780 van het Burgerlijk Wetboek ; - artikel 7, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Aangevochten beslissing Het arbeidshof zegt voor recht dat eiser zich niet kan beroepen op de ontslagbeperking bedoeld bij het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorg-verstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, op de grond dat eiser de functie van adviserend geneesheer niet uitoefende op bestendige wijze. Het arbeidshof verklaart dienvolgens eisers hoger beroep tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank slechts gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof beslist aldus op volgende gronden (pag. 3 en 14-17 van het arrest) : "Op 15 december 1997 ondertekenden partijen de arbeidsovereen-komst voor de functie van geneesheer-directeur. Daarin werd vermeld dat bij de overeenkomst een exemplaar hoorde van het statuut van de adviserend-geneesheer (koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967) en van het erkennings-reglement der adviserend geneesheren, dat op 10 april 1964 door het comité van de Dienst voor Geneeskundige Controle van het RIZIV werd uitgevaardigd en dat beide documenten onafscheidelijk deel uitmaakten van de overeenkomst. Op voordracht van (verweerder) heeft het Comité van de Dienst voor Geneeskundige controle bij het RIZIV (eiser) op 30 januari 1998 erkend als adviserend geneesheer. Er bestaat geen betwisting over dat (eiser) de erkenning tot adviserend geneesheer bekwam door het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle na voordracht door (verweerder) en beëdigd werd in die hoedanigheid. Bij het begin van de overeenkomst voldeed (eiser) evenwel nog niet aan de vereisten van erkenning door het Comité en beëdiging. Dit was pas het geval een paar maanden na het in werking treden van de arbeidsovereenkomst die werd afgesloten voor de functie van geneesheer-directeur. De taken die (eiser) in die hoedanigheid diende te vervullen worden beschreven in de wervingsadvertenties. Het betrof : - de organisatie en de leiding van een team van adviserend geneesheren, paramedici en administratieve medewerkers, - de vertegenwoordiging naar buiten toe onder meer in organen van het RIZIV - onderzoek in de sector van gezondheidseconomie en beheer van de ziekteverzekering. In de arbeidsovereenkomst werd uitdrukkelijk verwezen naar het statuut van adviserend geneesheer en het reglement van erkenning van de adviserend geneesheer en er werd vermeld dat deze integraal deel uitmaakten van de overeenkomst. De overeengekomen bezoldiging kwam overeen met deze van een adviserend geneesheer belast met de coördinatie van de taken van de adviserend geneesheren, zoals voorzien in artikel 5, ,§ 3, van het koninklijk besluit nr.
- Ook de bepalingen met betrekking tot de proeftijd waren dezelfde als deze voorzien voor een adviserend geneesheer in artikel 1 van het koninklijk besluit nr.
- Daarom : - werd de voorafgaande erkenning en beëdiging door de Dienst voor geneeskundige controle bij het RIZIV voorzien, - werd bepaald dat de adviserend geneesheer geen enkel ander voordeel mag genieten dan de door de Koning bepaalde bezoldiging en dat hij geen andere medische activiteit mag uitoefenen zonder voorafgaande toelating van het Comité. (artikel 154, vijfde lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994) - moet hij zich schikken naar de richtlijnen van de Dienst voor geneeskundige controle bij het RIZIV (artikel 153, derde lid, van de wet van 14 juli 1994) - zijn zijn beslissingen bindend voor de verzekeringsinstellingen. (artikel 153, laatste lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994) - is in een bijzondere ontslagbescherming voorzien. Deze bepalingen werden ingegeven in het belang van de organisatie van de Belgische gezondheidszorg en raken de openbare orde. (Arbeidshof Antwerpen, 3 april 2000, AR 9990681) Zij dienen derhalve beperkend te worden uitgelegd. Het blijkt niet dat (eiser) bij (verweerder) tot taak had de geneeskundige onderzoeken uit te voeren ter controle op de primaire arbeidsongeschiktheid. Dit is evenwel slechts een deel van de taak van de adviserend geneesheer. De andere taken zoals hierboven omschreven zijn voor een deel ook administratieve taken. (Eiser) verwijst naar een brief van de Dienst voor geneeskundige controle bij het RIZIV waaruit volgens hem blijkt dat hij wel de taak van adviserend geneesheer uitoefende. Het RIZIV bevestigt dat de 4 gevallen waarnaar verwezen wordt resulteren uit een steekproef zodat kan aangenomen worden dat meer van dergelijke taken werden uitgevoerd hetgeen nochtans niet uitsluit dat deze taken slechts zeer bijkomstig werden uitgevoerd. De bewering van (verweerder) dat het slechts administratieve taken betrof doet niets af aan het feit dat het taken waren die behoren tot de bevoegdheid van de adviserend geneesheren. Het blijkt echter, zoals (verweerder) terecht opmerkt, dat (eiser) in zijn schrijven aan het RIZIV zelf in ieder geval deze taak beperkte tot de periode van mei 1998 tot september
- Het organiseren van de taken van adviserend geneesheren is geen specifieke taak van een adviserend geneesheer, hoewel de coördinatie van die taken aan een adviserend geneesheer kan worden opgedragen. De taak van een directeur is onderscheiden van deze van een coördinerend adviserend geneesheer, zoals kan opgemaakt worden uit artikel 5, ,§ 3, van het koninklijk besluit nr. 35 en de wet voorziet nergens in een beschermingsstatuut voor de directeurs. In hunnen hoofde is immers niet dezelfde onafhankelijkheid of onpartijdigheid vereist ten aanzien van de belangen van het ziekenfonds of de landsbond. Door in de arbeidsovereenkomst te stellen dat het statuut van adviserend geneesheer onafscheidelijk deel uitmaakte van de overeenkomst, blijkt dat (verweerder) aan (eiser) dit statuut conventioneel heeft willen toekennen, onder meer wat de daarin opgenomen ontslagbescherming betreft. In de overeenkomst werd bovendien vermeld : "Wij delen u nu reeds mee dat het neerleggen van uw functie voorzien is op de normale pensioengerechtigde leeftijd", dit wijst eveneens in die richting. Het (arbeidshof) deelt de stelling van (verweerder) dat conventioneel geen beslissende rol kon worden toebedeeld aan het Comité voor (geneeskundige) controle bij het RIZIV inzake ontslag of opheffing van een ambt van adviserend geneesheer. Dit heeft voor gevolg dat de ingebouwde ontslagbescherming absoluut nietig zou zijn, hetgeen volgens het Hof van Cassatie strijdig is met de bepalingen van artikel 1780 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 7, alinea 2, van de wet op de arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978 (WAO) die het van openbare orde acht en de nietigheid voor gevolg heeft. (...) Derhalve dient enkel toepassing te worden gemaakt van de artikelen 39 en 82, ,§3, van de wet op de arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978". Grieven 1.
- Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 153 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, hebben adviserend geneesheren tot taak in te staan, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de geneeskundige verstrekkingen en zijn de beslissingen van de adviserend geneesheren bindend voor de verzekeringsinstellingen. Krachtens artikel 154 van dezelfde wet worden de adviserend geneesheren door de verzekeringsinstellingen in dienst genomen en bezoldigd en mag het ambt van adviserend geneesheer slechts aan door de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle beëdigde geneesheren opgedragen worden. Adviserend geneesheren mogen door de verzekeringsinstellingen slechts worden afgezet of ontslagen als het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle de intrekking van hun erkenning heeft uitgesproken of, in geval van ambtsopheffing, met de instemming van dat Comité en onder de in het statuut van de adviserend geneesheren bepaalde voorwaarden. Diezelfde wetsbepaling verleent aan de Koning de bevoegdheid om het statuut en de bezoldiging van de adviserend geneesheren te bepalen op voorstel van het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, na raadpleging van de verzekeringsinstellingen en de representatieve werknemersorganisaties. Overeenkomstig artikel 25 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, handelt de adviserend geneesheer volstrekt onpartijdig in de uitoefening van zijn ambt. Krachtens artikel 32 van hetzelfde besluit kan de adviserend geneesheer slechts worden afgedankt, ofwel nadat het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle reeds bij tuchtmaatregel een schorsing heeft uitgesproken van het recht om zijn ambt uit te oefenen voor een termijn van meer dan drie maanden of een tweede schorsing van om het even welke duur en de verzekeringsinstelling oordeelt aan het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle, die ermede instemt, zonder meer de intrekking van de erkenning te moeten voorstellen, ofwel wanneer, afgezien van elke tuchtvervolging, de verzekeringsinstelling in het belang van haar diensten, met voorafgaande instemming van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle, een ambt van adviserend geneesheer opheft binnen de perken en de voorwaarden gesteld bij de wetgeving tot reglementering van het ambt van adviserend geneesheer. In dat laatste geval gaat de intrekking, door het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle, van de erkenning van de adviserend geneesheer wiens betrekking wordt opgeheven, in na afloop van een opzeggingstermijn van twee jaar. Deze wetsbepalingen raken, zoals de appèlrechters terecht vaststellen, de openbare orde. Zij strekken immers ertoe, in het belang van de organisatie van de Belgische ziekte- en invaliditeitsverzekering, de onafhankelijkheid van de adviserende geneesheren te waarborgen ten opzichte van de verzekeringsinstelling die hen in dienst heeft genomen. Om die reden voorzien zij in een bijzondere ontslagbescherming ten behoeve van de adviserende geneesheren. Geen enkele wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel legt de regel vast dat wetsbepalingen die de openbare orde raken, per definitie op beperkende wijze moeten worden geïnterpreteerd. Uit de ratio legis van de hoger in herinnering gebrachte wetsbepalingen volgt dat zij niet op een beperkende wijze mogen worden uitgelegd, maar moeten worden geïnterpreteerd op de wijze die de wil van de wetgever respecteert en bijgevolg de onafhankelijkheid van de adviserende geneesheren zoveel mogelijk ten goede komt. Deze wetsbepalingen moeten bijgevolg zo worden uitgelegd dat zij de adviserend geneesheren beschermen tegen ontslag, vanaf het ogenblik waarop zij die opdracht opnemen en zolang zij hun erkenning als adviserend geneesheer behouden. Noch uit de bewoordingen van deze wetsbepalingen, noch uit de bedoeling van de wetgever waarvan zij de uiting zijn, kan worden afgeleid dat alleen erkende adviserend geneesheren die deze functie op bestendige of ononderbroken wijze uitoefenen, de wettelijke ontslag-bescherming zouden genieten. Zoniet zou een eenvoudige of tijdelijke wijziging van de opdracht van de betrokkenen de verzekeringsinstellingen in staat stellen om hen tijdelijk of definitief aan hun wettelijke ontslagbescherming te onttrekken en om hen te ontslaan met miskenning van de bedoelingen van de wetgever. De appèlrechters stellen vast dat eiser is erkend en beëdigd als adviserend geneesheer en dat hij taken die aan een adviserend geneesheren toekomen, uitoefende. De appèlrechters stellen aldus vast dat eiser zijn opdracht van adviserend geneesheer heeft opgenomen. Uit de vaststellingen van de appèlrechters blijkt eveneens dat de erkenning van eiser niet is ingetrokken. Bijgevolg is de beslissing van het arbeidshof dat eiser zich niet op de ontslagbescherming van adviserend geneesheren kan beroepen, niet naar recht verantwoord, noch door de overweging dat eiser slechts een aantal taken van adviserend geneesheren uitvoerde, noch door de overweging dat eiser die taken op bijkomstige wijze uitvoerde, noch door de overweging dat eiser de taak van adviserend geneesheer in een brief aan het RIZIV beperkte tot de periode van mei 1998 tot september
- De appèlrechters beslissen derhalve niet naar recht dat de hoger in herinnering gebrachte wetsbepalingen beperkend dienen te worden uitgelegd, omdat zij de openbare orde raken (schending van de artikelen 153, eerste en laatste lid, en 154, eerste, tweede en vierde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals in het middel gepreciseerd) en voegen daarenboven een voorwaarde die de wetgever zelf niet stelt, toe aan de wettelijke voorwaarden voor de ontslagbescherming van adviserend geneesheren door hun beslissing dat eiser zich niet op de ontslagbescherming van de adviserend geneesheren kan beroepen, te doen berusten op de overweging dat eiser de functie van adviserend geneesheer niet uitoefende op bestendige wijze (schending van de artikelen 153, eerste en laatste lid, en 154, eerste, tweede en vierde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals in het middel gepreciseerd). 1.
- Tweede onderdeel Overeenkomstig de artikelen 30 tot en met 33 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, kan de adviserend geneesheer slechts worden afgedankt om een dringende reden, ingeval hij een tuchtrechtelijke schorsing heeft opgelopen en zijn erkenning wordt ingetrokken of ingeval een ambt van adviserend geneesheer wordt opgeheven. Die wetsbepalingen stellen de berekeningswijze vast van de vergoedingen waarop de adviserend geneesheer in voorkomend geval aanspraak kan maken en bepalen dat het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle een uitspraak doet over het bestaan van een dringende reden, over de schorsing van een adviserend geneesheer of over de intrekking van een ambt. Deze wetsbepalingen maken aldus inhoudelijk een onderscheid tussen, enerzijds, de gevallen waarin de adviserend geneesheer kan worden ontslagen en daarbij eventueel aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding en, anderzijds, de procedure die daarbij dient te worden gevolgd en de rol die het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle daarbij speelt. Zij voorzien echter niet in een sanctie ingeval de adviserend geneesheer buiten één van de toegelaten gevallen wordt ontslagen of de verzekeringsinstelling de voorgeschreven procedure niet volgt. Het ontslag dat met miskenning van deze wetsbepalingen wordt gegeven, is weliswaar onrechtmatig, maar bij ontstentenis van een andersluidende wetsbepaling niet ongeldig. De doelmatigheid van het onrechtmatige ontslag wordt met andere woorden niet aangetast door de miskenning van de regels inzake de ontslagbescherming van de adviserend geneesheren. Daarenboven voorzien deze wetsbepalingen ook niet in een sanctie voor de miskenning van de ontslagprocedure. Deze wetsbepalingen maken het de werkgever dan ook niet onmogelijk om buiten de gevallen waarin zij voorzien of zonder de tussenkomst van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle een rechtsgeldig ontslag van een adviserend geneesheer door te voeren. De appèlrechters stellen ter zake vast dat het statuut van adviserend geneesheer onafscheidelijk deel uitmaakt van de overeenkomst tussen partijen en leiden daaruit af dat verweerder dat statuut, onder meer wat de daarin opgenomen ontslagbescherming betreft, aan eiser heeft willen toekennen. De appèlrechters overwegen echter dat conventioneel geen beslissende rol aan het Comité voor geneeskundige controle kan worden toebedeeld en leiden daaruit af dat de ingebouwde ontslagbeperking absoluut zou zijn. De appèlrechters beslissen derhalve niet naar recht dat de conventionele ontslagbeperking die in de arbeidsovereenkomst tussen partijen is ingebouwd, absoluut zou zijn, vermits de hoger in herinnering gebrachte wetsbepalingen de geldigheid van een onrechtmatig ontslag niet aantasten en niet in een sanctie voor een onrechtmatig ontslag voorzien (schending van de artikelen 154, vierde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 en de artikelen 30, 31, 32 en 33 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals gepreciseerd in het middel) en dat de conventionele toekenning van het statuut van adviserend geneesheer aan eiser strijdig is met de openbare orde en dus nietig (schending van de artikelen 6, 1108, 1128, 1131, 1134, 1135, 1780 van het Burgerlijk Wetboek en 7, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Het arbeidshof verantwoordt dan ook niet naar recht zijn beslissing dat eiser zich niet op de ontslagbescherming van de adviserend geneesheren kan beroepen (schending van de artikelen 153, eerste en laatste lid, 154, eerste, tweede en vierde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 en 25, eerste lid, 30, 31, 32 en 33 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de prim aire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals gepreciseerd in het middel). 1.
- Derde onderdeel Krachtens artikel 1217 van het Burgerlijk Wetboek is een verbintenis deelbaar of ondeelbaar, naargelang zij tot voorwerp heeft, ofwel een zaak die in haar levering, ofwel een daad die in haar uitvoering, hetzij materieel, hetzij intellectueel voor verdeling vatbaar is of niet. Overeenkomstig de artikelen 30 tot en met 33 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 bestaat de ontslagbescherming van de adviserend geneesheer niet alleen in de tussenkomst van het Comité voor geneeskundige controle, maar eveneens in de wettelijke opsomming van de gevallen waarin een ontslag is geoorloofd en van de opzeggingsvergoeding waarop de betrokkenen aanspraak kunnen maken. Krachtens artikel 1157 van het Burgerlijk Wetboek moet men, wanneer een beding voor tweeërlei interpretatie vatbaar is, het veeleer opvatten in de zin waarin het enig gevolg kan hebben dan in de zin waarin het geen gevolg kan teweegbrengen. Voor zover de conventionele toekenning van het statuut van de adviserend geneesheer in strijd zou zijn met een wetsbepaling van openbare orde, omdat de wettelijke rol van het Comité voor geneeskundige controle wordt uitgebreid, moet het beding waarbij het statuut van adviserend geneesheer wordt toegekend, bijgevolg zo worden geïnterpreteerd dat het zijn gelding behoudt, voor zover het statuut van adviserend geneesheer de gevallen opsomt waarin een ontslag is geoorloofd en de opzeggingsvergoeding vastlegt waarop de adviserend geneesheren in voorkomend geval aanspraak kunnen maken. De appèlrechters stellen vast dat verweerder met een algemene verwijzing naar het statuut van adviserend geneesheer in de arbeidsovereenkomst aan eiser conventioneel het statuut van adviserend geneesheer, met inbegrip van de daarin opgenomen ontslagbescherming, heeft toegekend. Zij overwegen dat conventioneel geen beslissende rol aan het Comité voor geneeskundige controle kan worden toebedeeld en leiden daaruit af dat de ingebouwde ontslagbeperking absoluut is. Zij beslissen op die grond dat de conventionele toekenning van de ontslagbescherming nietig is en dat eiser zich niet op de ontslagbescherming van adviserende geneesheren kan beroepen, hoewel het algemene karakter van de verwijzing naar het statuut van adviserend geneesheer in de arbeidsovereenkomst niet toelaat te besluiten dat partijen geen enkel gevolg aan de uitbreiding van de ontslagbescherming zouden hebben willen geven, ingeval de verwijzing naar het statuut van adviserend geneesheer ten dele door een nietigheid zou zijn getroffen. De appèlrechters verklaren aldus de door verweerder aangegane verbintenis ondeelbaar en de conventionele toekenning van de ontslagbescherming geheel nietig, hoewel zij overeenkomstig artikel 1157 van het Burgerlijk Wetboek de conventionele uitbreiding van de ontslagbescherming zo hadden moeten interpreteren dat zij haar gelding behield, voor zover zij niet de tussenkomst van het Comité voor geneeskundige controle vereiste, maar bepaalde in welke gevallen eiser kon worden ontslagen en op welke opzeggingsvergoeding hij in voorkomend geval aanspraak kon maken. Eiser vorderde trouwens niet de tussenkomst van het Comité of de nietigverklaring van het ontslag, maar slechts de betaling van de opzeggingsvergoeding waarin het statuut van de adviserend geneesheren voorziet. Door de conventionele toekenning van de ontslagbescherming geheel nietig te verklaren, vatten de appèlrechters derhalve de conventionele verwijzing naar het statuut van adviserend geneesheer veeleer op in de zin waarin die verwijzing geen gevolg kan teweegbrengen dan in de zin waarin zij enig gevolg kan sorteren (schending van artikel 1157 van het Burgerlijk Wetboek), achten zij de verbintenis van verweerder ondeelbaar (schending van de artikelen 1217 van het Burgerlijk Wetboek en 30, 31, 32 en 33 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994) en miskennen zij de bindende kracht van de tussen partijen wettig aangegane overeenkomst (schending van de artikelen 6, 1134, 1135, 1217 en 1780 van het Burgerlijk Wetboek en 7, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Het arbeidshof verantwoordt dan ook niet naar recht zijn beslissing dat eiser zich niet op de ontslagbescherming van de adviserend geneesheren kan beroepen (schending van de artikelen 153, eerste en laatste lid, 154, eerste, tweede en vierde lid, van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, 25, eerste lid, 30, 31, 32 en 33 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals gepreciseerd in het middel). 1.
- Vierde onderdeel Niet regelmatig gemotiveerd is de beslissing waarvan het beschikkend gedeelte op tegenstrijdige redenen is gegrond. De appèlrechters verklaren, enerzijds, de in de arbeidsovereenkomst tussen partijen ingebouwde ontslagbeperking nietig (pag. 17 van het arrest), maar wijzen, anderzijds, de vordering van eiser tot betaling van een bijkomende vergoeding wegens het niet-sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst, niet af op de grond dat de ingebouwde ontslagbeperking nietig is, maar op de grond dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 33 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 dat deel uitmaakt van afdeling XII, afzetting en afdanking van het koninklijk besluit. Hoewel uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat ook deze vordering van eiser haar oorsprong vindt in de ontslagbescherming van de adviserend geneesheren, verklaren de appèlrechters de ingebouwde ontslagbeperking deze keer niet nietig. De beslissing van de appèlrechters dat eiser zich niet kan beroepen op de ontslagbescherming van de adviserend geneesheren berust derhalve op tegenstrijdige motieven, nu de appèlrechters de ingebouwde ontslagbeperking de ene keer wel en de andere keer niet nietig verklaren (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 153, eerste en laatste lid, en 154, eerste, tweede en vierde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 (artikel 153, eerste lid, in de versie zoals het bestond vóór de wijziging bij wet van 22 augustus 2002 ; artikel 154, tweede en vierde lid, in de versie zoals het bestond vóór de wijziging bij de programmawet (II) van 24 december 2002) ; - de artikelen 1, tweede lid, 25, eerste lid, 30, 31, 32 en 33 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ; - artikel 39, ,§1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereen-komsten ; - de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het arbeidshof verklaart eisers hoger beroep slechts gedeeltelijk gegrond en bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank waarbij eisers vordering tot betaling van een bijkomende vergoeding wegens het niet afsluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst ongegrond werd verklaard. Het arbeidshof beslist aldus op volgende gronden : "Door in de arbeidsovereenkomst te stellen dat het statuut van adviserend geneesheer onafscheidelijk deel uitmaakte van de overeenkomst, blijkt dat (verweerder) aan (eiser) dit statuut conventioneel heeft willen toekennen, onder meer wat de daarin opgenomen ontslagbescherming betreft. Het (arbeidshof) treedt het standpunt van (verweerder) bij dat er in voorliggend geval geen sprake is geweest van de opheffing van een ambt van adviserend geneesheer zoals bedoeld in artikel 31, 2°, van het koninklijk besluit nr. 35, zodat de vordering op dit onderdeel elke grondslag mist. Ten overvloede merkt het (arbeidshof) op dat de (eiser) niet aantoont dat zijn voorkeurrecht werd miskend. Het merkt daarbij op dat de betrokken wettelijke bepaling geenszins oplegt dat de verzekeringsinstelling betrokken adviserend geneesheer spontaan op de hoogte moet brengen van de openstaande vacatures. De eerste vacature, gepubliceerd op 10 augustus 2001 was reeds ingevuld op het ogenblik dat (eiser) zich kandidaat stelde en voor de nieuwe vacature die gepubliceerd werd in de artsenkrant van 8 februari 2002, 12 maart 2002 en 15 maart 2002, stelde hij zich niet kandidaat". Grieven 2.
- Eerste onderdeel Krachtens artikel 33 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorg-verstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, kan de adviserend geneesheer wiens betrekking wordt opgeheven, altijd opnieuw als dusdanig worden erkend. Hij heeft zelfs voorrang voor elke andere betrekking van adviserend geneesheer die binnen twee jaar nadat hij zijn dienst effectief heeft beëindigd, vacant wordt in zijn verzekeringsinstelling. Zoals in het eerste middel is uiteengezet, staan de artikelen 30 tot 33 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 het ontslag van de adviserend geneesheer slechts toe in drie gevallen, met name omwille van een dringende reden, omwille van de tuchtrechtelijke schorsing of omwille van een ambtsopheffing. Artikel 33 van het koninklijk besluit nr. 35 beperkt het voorkeurrecht van de adviserend geneesheer uiteraard tot de gevallen waarin hij niet omwille van een dringende reden of een tuchtrechtelijke schorsing is ontslagen. Tot die gevallen behoort echter ook het geval waarin de adviserend geneesheer niet omwille van een dringende reden of tuchtrechtelijke sanctie, maar zonder een ambtsopheffing met tussenkomst van het Comité voor geneeskundige controle wordt ontslagen, omdat de verzekeringsinstelling de voorgeschreven ontslagprocedure niet heeft gevolgd. Die hypothese wordt in artikel 33 van het koninklijk besluit nr. 35 niet uitdrukkelijk vermeld, omdat zij zich in de ogen van de wetgever niet zou voordoen. Het komt dienvolgens aan de rechter toe om artikel 33 niet a contrario te interpreteren, maar van deze wetsbepalingen een uitlegging te geven die de wil van de wetgever respecteert en bijgevolg, zoals in het eerste middel is uiteengezet, de onafhankelijkheid van de adviserende geneesheren zoveel mogelijk ten goede komt. In zijn appèlconclusie voerde eiser aan dat hij aanspraak kon maken op een wederaanwerving. De appèlrechters beslissen echter dat die vordering elke grondslag mist, omdat van de opheffing van een ambt van adviserend geneesheer, zoals bedoeld bij artikel 31, 2°, van het koninklijk besluit nr. 35 geen sprake is geweest. De appèlrechters leggen derhalve artikel 33 van het koninklijk besluit nr. 35 uit op een wijze die onverenigbaar is met de wil van de wetgever om de onafhankelijkheid van de adviserend geneesheren te vrijwaren en verantwoorden hun beslissing dat eiser geen aanspraak kan maken op de bijkomende verbrekingsvergoeding niet naar recht (schending van de artikelen 153, eerste en laatste lid, 154, eerste, tweede en vierde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 en 25, eerste lid, 30, 31, 32 en 33 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals gepreciseerd in het middel). 2.
- Tweede onderdeel Artikel 33, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 bepaalt dat de intrekking van de erkenning van de adviserend geneesheer wiens ambt wordt opgeheven, slechts ingaat na een opzeggingstermijn van twee jaar. Het vijfde lid van dezelfde wetsbepaling verleent aan de adviserend geneesheer die niet wegens een dringende reden of omwille van een tuchtrechtelijke sanctie wordt afgezet of ontslagen, voorrang voor elke andere betrekking van adviserend geneesheer die binnen twee jaar nadat hij zijn dienst effectief heeft beëindigd, vacant wordt in zijn verzekeringsinstelling. Zowel uit de aard van het voorkeurrecht dat aan de ontslagen adviserend geneesheer wordt toegekend, als uit de termijn van twee jaar waarin hij het voorkeurrecht kan uitoefenen, volgt dat deze wetsbepaling de verzekeringsinstelling de verplichting oplegt de betrokkene spontaan op de hoogte te brengen van openstaande vacatures. Zoniet zou de bescherming van de adviserend geneesheer die de openbare orde raakt, grotendeels van haar uitwerking worden beroofd. Krachtens artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 35, (wordt de aanwerving) behoudens andersluidende bepaling, geregeld bij de arbeidsovereenkomsten-wetgeving. Overeenkomstig artikel 39, ,§ 1, van de wet van 3 juli 1978 is de partij die de arbeidsovereenkomst eenzijdig op staande voet beëindigt, ertoe gehouden aan de andere partij een opzeggingsvergoeding te betalen die gelijk is aan het loon dat overeenstemt met de niet in acht genomen opzeggingstermijn. In zijn appèlconclusie voerde eiser aan dat hij aanspraak kon maken op een wederaanwerving en dat de weigering om hem weer in dienst te nemen bijgevolg gelijk stond met een verbreking van de nieuwe arbeidsovereenkomst, zodat hij recht had op een bijkomende verbrekingsvergoeding van twee jaar loon. De appèlrechters stellen vast dat de eerste vacature gepubliceerd op 10 augustus 2001 al was ingevuld toen eiser zich kandidaat stelde, maar beslissen niettemin dat eisers voorkeurrecht niet is miskend, op de grond dat verweerster eiser niet op de hoogte moest stellen van de openstaande vacature. De appèlrechters beslissen derhalve niet naar recht dat verweerder niet ertoe gehouden was eiser spontaan op de hoogte te brengen van openstaande vacatures en dat eisers voorkeurrecht niet is miskend (schending van artikel 33, vijfde lid, van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994) en verantwoorden hun beslissing dat eiser geen aanspraak kan maken op de bijkomende vergoeding van twee jaar loon niet naar recht (schending van alle in het middel aangeduide wetsbepalingen). IV. Beslissing van het Hof
- Eerste middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 153, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de adviserend geneesheren tot taak hebben in te staan, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidsverstrekkingen ; Dat, krachtens artikel 154, eerste en tweede lid, van dezelfde wet, de adviserend geneesheren in dienst worden genomen en bezoldigd worden door de verzekeringsinstellingen en het ambt van adviserend geneesheer slechts mag opgedragen worden aan door de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle beëdigde geneesheren ; Dat, overeenkomstig het vierde lid van hetzelfde artikel, de adviserend geneesheren door de verzekeringsinstellingen slechts mogen worden afgezet of ontslagen als het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle de intrekking van hun erkenning heeft uitgesproken of, in geval van ambtsopheffing, met de instemming van dat Comité en onder de in het statuut van de adviserend geneesheren bepaalde voorwaarden ; Dat de voorwaarden waaronder de adviserend geneesheren kunnen worden ontslagen in geval van intrekking van hun erkenning of in geval van ambtsopheffing, nader zijn omschreven in de artikelen 30 tot en met 33 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren ; Overwegende dat de bijzondere ontslagbescherming neergelegd in deze wettelijke bepalingen ertoe strekt, in het belang van de organisatie van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, de onafhankelijkheid van de adviserend geneesheren te waarborgen ten opzichte van de verzekerings-instelling die hen in dienst heeft genomen ; Dat deze wettelijke ontslagbescherming toekomt aan de geneesheren die erkend en beëdigd zijn als adviserend geneesheer ; Dat noch uit de bewoordingen van de voornoemde wettelijke bepalingen, noch uit het doel van de bijzondere ontslagbescherming volgt dat alleen erkende adviserend geneesheren die de taak van adviserend geneesheer op bestendige of ononderbroken wijze uitoefenen, de wettelijke ontslagbescherming zouden genieten ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat :
- eiser met verweerder op 15 december 1997 een arbeidsovereenkomst gesloten heeft voor de functie van geneesheer-directeur ;
- in de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk werd verwezen naar het statuut van adviserend geneesheer en het reglement van erkenning van de adviserend geneesheer en vermeld werd dat deze integraal deel uitmaakten van de overeenkomst ;
- eiser, na voordracht door verweerder, op 30 januari 1998 door de Dienst voor geneeskundige controle erkend werd als adviserend geneesheer en beëdigd werd in die hoedanigheid ;
- eiser administratieve taken uitvoerde, die behoren tot de bevoegdheid van de adviserend geneesheer, maar niet uitgesloten is dat hij deze taken slechts bijkomstig uitvoerde en eiser deze taak in zijn schrijven aan het RIZIV zelf beperkte tot de periode van mei 1998 tot september 1999 ; Dat de appèlrechters, na aldus te hebben vastgesteld dat eiser als adviserend geneesheer erkend en beëdigd werd en dat hij taken had uitgeoefend die behoren tot de functie van adviserend geneesheer, hun beslissing dat eiser bij het ontslag, op 29 december 2000 als directeur van de medische diensten, wat ook de functie van adviserend geneesheer inhield, zich niet kan beroepen op de ontslagbeperking van het koninklijk besluit nr. 35, niet naar recht verantwoorden op grond van de overweging dat hij de functie van adviserend geneesheer niet uitoefende op bestendige wijze ; Dat het onderdeel gegrond is ;
- Tweede middel 2.
- Eerste onderdeel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 31, 2°, van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967, de adviserend geneesheer slechts kan worden afgedankt wanneer, afgezien van elke tuchtvervolging, de verzekerings-instelling in het belang van haar diensten met voorafgaande instemming van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle, een ambt van adviserend geneesheer opheft binnen de perken en de voorwaarden gesteld bij de wetgeving tot reglementering van het ambt van adviserend geneesheer ; Dat, krachtens artikel 33, vijfde lid, van hetzelfde koninklijk besluit, de adviserend geneesheer wiens betrekking overeenkomstig de bepalingen van artikel 31, 2°, wordt opgeheven, altijd opnieuw als dusdanig kan worden erkend en zelfs voorrang heeft voor elke andere betrekking van adviserend geneesheer die binnen twee jaar nadat hij zijn dienst effectief heeft beëindigd, vacant wordt in zijn verzekeringsinstelling ; Dat het voorkeurrecht van de adviserend geneesheer krachtens voornoemd artikel 33 uitdrukkelijk beperkt is tot het ontslag wegens ambtsopheffing en derhalve niet geldt in andere gevallen van ontslag ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat eiser zijn vordering tot het bekomen van een bijkomende vergoeding wegens het niet sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst steunt op artikel 33 van het koninklijk besluit nr. 35 en oordelen dat er in het voorliggende geval geen sprake is geweest van de opheffing van een ambt van adviserend geneesheer zoals bedoeld in artikel 31, 2°, van het koninklijk besluit nr. 35 ; Dat zij op grond hiervan wettig beslissen dat eisers vordering op dit punt elke grondslag mist ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 2.
- Tweede onderdeel Overwegende dat de appèlrechters met hun oordeel dat er in het voorliggende geval geen sprake is geweest van de opheffing van een ambt van adviserend geneesheer zoals bedoeld in artikel 31, 2°, van het koninklijk besluit nr. 35, een zelfstandige en in het eerste onderdeel vergeefs bekritiseerde grond geven van hun beslissing dat eiser niet gerechtigd is op een bijkomende vergoeding wegens het niet sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst ; Dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden en derhalve niet ontvankelijk is ;
- Overige grieven Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het beslist dat eiser zich niet kan beroepen op de ontslagbeperking van het koninklijk besluit nr. 35, uitspraak doet over de gevorderde verbrekingsvergoeding, over de vordering wegens misbruik van ontslagrecht en over de kosten ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van vierentwintig oktober tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051024.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div