← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051024.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051024.6 Rolnummer: S.04.0191.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2006-02-23 Raadplegingen: 525 - laatst gezien 2026-07-04 08:01 Versie(s): Vertaling FR Fiche De vaststelling van het lopend loon voor de berekening van de opzeggingsvergoeding wordt niet geregeld door één van de artikelen waarnaar artikel 131 Arbeidsovereenkomstenwet verwijst, zodat dit artikel hiervoor niet van toepassing is

(1).
(1)Cass., 6 april 1967, A.C. 1967, p. 944; 13 juni 1983, AR 3880, A.C. 1982-83, n° 566; 18 sept. 2000, AR S.00.0031.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000918.4, nr
  1. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding Lopend loon Voordeel Variabele vergoeding Wijze van berekening Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Artt.39en131 Tekst van de beslissing Nr. S.04.0191.N.- AGO-INTERIM, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 8500 Kortrijk, Minister Vanden Peereboomlaan 68, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen S.T., met keuze van woonplaats bij Mr. Phlypo Jan, kantoor houdende te 8500 Kortrijk, Handelskaai 3, verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 november 2003 gewezen door het Arbeidshof te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 39, ,§ 1, en 131, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van verweerder, het hoger beroep van eiseres ontvankelijk en slechts in bepaalde mate gegrond. Het arbeidshof veroordeelt eiseres tot betaling aan verweerder van onder meer 23.151,05 euro als aanvullende opzeggingsvergoeding. Het arbeidshof beslist dat onder meer op grond van de volgende motieven : "5.2.
  2. De aanvullende opzeggingsvergoeding a. De jaarpremie (Verweerder) had op datum van het ontslag, namelijk 27 augustus 1997, naast het vaste maandloon recht op een bijkomend voordeel, jaarpremie genoemd, en dit volgens de bepalingen van het reglement opgesteld door (eiseres). Dit voordeel komt dan ook in aanmerking bij de berekening van de opzeggingsvergoeding. (Eiseres) merkt weliswaar op dat (verweerder) geen aanspraak kon maken op een premie voor 1997, doch dit slaat enkel op de aanvullende premie en belet niet dat (verweerder) op datum van het ontslag wel degelijk recht had op de maandelijkse voorschotten, toegekend in uitvoering van het premiereglement. De partijen zijn het oneens over de wijze waarop het voordeel van de premie, waarvan het bedrag jaarlijks varieerde, moet worden berekend. In dit verband moet worden verwezen naar de bepaling van artikel 131 van de Arbeidsovereenkomstenwet, dat voor de toepassing van artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet (en bij analogie voor artikel 39 van dezelfde wet) bepaalt dat variabele verdiensten berekend worden naar het loon van de twaalf voorafgaande maanden. Dit laatste houdt in dat loon 'verdiend' in de twaalf voorafgaande maanden in aanmerking te nemen is, met uitsluiting van het loon dat in die periode werd betaald doch eerder werd 'verdiend' (...). Aldus dienen in deze zaak in de eerste plaats de maandelijkse voorschotten op de jaarpremie toegekend voor de maanden januari 1997 tot en met augustus 1997 in rekening te worden gebracht. Het gaat om de som van 264.423 BEF, welke bij vergissing door de eerste rechter werd bepaald op 237.013 BEF. Daarentegen kan het argument van (eiseres) dat dit voorschot dubbel gebruik zou uitmaken met het vast maandloon van 103.429 BEF niet worden bijgetreden. Zoals reeds hoger uiteengezet, kan dit voorschot immers niet op het vaste maandloon worden aangerekend. Daarnaast dient, voor de overige vier maanden van het laatste jaar van tewerkstelling, namelijk de periode september 1996 tot en met december 1996, rekening te worden gehouden met het overeenstemmende gedeelte van de jaarpremie betaald voor
  3. Aangezien de totale jaarpremie gelijk was aan 170.850 BEF, is het in aanmerking te nemen bedrag te bepalen op 4/12 x 170.850 BEF = 56.950 BEF. (Verweerder) gaat ervan uit dat de volledige jaarpremie voor 1996 in aanmerking te nemen zou zijn, doch dit stemt niet overeen met het loon 'verdiend' in de twaalf voorgaande maanden van het ontslag. Om dezelfde reden kan ook geen rekening worden gehouden met het gemiddelde van de premies voor de jaren 1995, 1996 en 1997, zoals door (eiseres) werd vooropgesteld. Het bedrag van de premie en de desbetreffende voorschotten verdiend in de laatste twaalf maanden van de tewerkstelling is bijgevolg in totaal te bepalen op 264.423 BEF + 56.950 BEF = 321.373 BEF (7.966,63 euro)." (blz. 13-14, van het arrest). Grieven
  4. Krachtens artikel 39, ,§1, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hieronder afgekort als Arbeidsovereen-komstenwet, is de partij die de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in de artikelen 59, 82, 83, 84 en 115, gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterend gedeelte ervan. De opzeggingsvergoeding behelst, krachtens ,§1, tweede lid, van datzelfde artikel, niet alleen het lopend loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst. Artikel 131 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat voor de toepassing van de artikelen 65, 67, 69, 82, 84, 85, 86 en 104 de commissielonen en veranderlijke verdiensten berekend worden naar het loon van de twaalf voorafgaande maanden. Wanneer de bezoldiging van de werknemer een variabele vergoeding bevat, verplicht geen enkele bepaling van de Arbeidsovereenkomstenwet de rechter die een vergoeding toekent wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder dringende reden of zonder inachtneming van een voldoende opzeggingstermijn, het veranderlijke deel van de bezoldiging te bepalen op de basis vermeld in artikel 131 van de Arbeidsovereenkomstenwet.
  5. Het arbeidshof stelt vast dat verweerder op het ogenblik van zijn ontslag, namelijk op 27 augustus 1997, naast het vaste maandloon recht had op een bijkomend voordeel, jaarpremie genoemd, en dit volgens de bepalingen van het premiereglement. Op datum van het ontslag had verweerder recht op de maandelijkse voorschotten toegekend in uitvoering van het premiereglement (blz. 13, onderaan, van het arrest). Het arbeidshof stelt voorts vast dat de partijen het oneens zijn over de wijze waarop het voordeel van de premie, waarvan het bedrag jaarlijks varieerde, moet worden berekend. Het arbeidshof overweegt dat in dit verband moet worden verwezen naar de bepaling van artikel 131 van de Arbeidsovereenkomstenwet, dat voor de toepassing van artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet (en bij analogie voor artikel 39 van dezelfde wet) bepaalt dat variabele verdiensten berekend worden naar het loon van de twaalf voorafgaande maanden (blz. 13, onderaan, en 14, bovenaan, van het arrest). Vervolgens berekent het arbeidshof het voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in aanmerking te nemen bedrag aan jaarpremie door na te gaan wat verweerder aan jaarpremie verdiende in de twaalf maanden voorafgaand aan het ontslag en brengt het de maandelijkse voorschotten op de jaarpremie toegekend voor de maanden januari 1997 tot en met augustus 1997 in rekening, alsook het voor de periode van september 1996 tot en met december 1996 overeenstemmende gedeelte van de jaarpremie betaald voor 1996 (blz. 14, tweede en derde alinea, van het arrest). Het arbeidshof berekent het in aanmerking te nemen bedrag aan jaarpremie aldus op de basis vermeld in artikel 131 van de Arbeidsovereenkomstenwet. De berekening van de opzeggingsvergoeding wordt niet geregeld door de artikelen 65, 67, 69, 82, 84, 85, 86 en 104 van de Arbeidsovereenkomstenwet, noch door één of enkele van die artikelen. De opzeggingsvergoeding wordt geregeld in artikel 39 van de Arbeidsovereen-komstenwet. Artikel 131 van de Arbeidsovereenkomstenwet houdt geen enkel verband met artikel 39 van diezelfde wet. Door de bepalingen van artikel 131 van de Arbeidsovereenkomstenwet toe te passen voor de berekening van de opzeggingsvergoeding, breidt het arbeidshof het toepassingsgebied van artikel 131 van de Arbeidsovereen-komstenwet uit en schendt het de artikelen 39 en 131 van de Arbeidsovereen-komstenwet. Het arbeidshof zegt niet wettig dat voor de wijze van berekening van het voordeel van de jaarpremie, waarvan het bedrag jaarlijks varieerde, dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de opzeggingsvergoeding, moet verwezen worden naar de bepaling van artikel 131 van de Arbeidsovereenkomstenwet en berekent het voordeel van de jaarpremie niet wettig op grond van de jaarpremie door verweerder verdiend in de twaalf maanden voorafgaand aan het ontslag, met het in rekening brengen van de maandelijkse voorschotten op de jaarpremie. Bijgevolg zegt het arbeidshof niet wettig dat om die reden geen rekening kan worden gehouden met het gemiddelde van de premies voor de jaren 1995, 1996 en 1997, en veroordeelt het arbeidshof eiseres niet wettig tot betaling aan verweerder van een opzeggingsvergoeding van 23.151,05 euro (schending van de artikelen 39, ,§1, en 131, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). IV. Beslissing van het Hof. Overwegende dat, krachtens artikel 131 van de Arbeidsovereen-komstenwet, voor de toepassing van de artikelen 65, 67, 69, 82, 84, 85, 86 en 104 van deze wet de commissielonen en veranderlijke verdiensten berekend worden naar het loon van de twaalf voorafgaande maanden ; Overwegende dat de opzeggingsvergoeding krachtens artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaald wordt met inachtneming van het lopend loon en de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst ; Dat hiertoe het lopend loon van het tijdstip van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in aanmerking dient te worden genomen ; Dat de vaststelling van het lopend loon voor de berekening van de opzeggingsvergoeding niet geregeld wordt door één van de artikelen waarnaar artikel 131 verwijst, zodat dit artikel hiervoor niet van toepassing is ; Overwegende dat het arrest voor de berekening van de opzeggingsvergoeding met toepassing van voormeld artikel 131 van de Arbeidsovereenkomstenwet 4/12 van de premie van 1996 in aanmerking neemt ; Dat het arrest aldus de in het middel aangewezen wetsbepalingen schendt ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het voor de berekening van de aan verweerder toekomende opzeggingsvergoeding het bedrag van 7.966,63 euro als jaarpremie in aanmerking neemt, de verschuldigde opzeggingsvergoeding op 43.419,75 euro bepaalt, eiseres veroordeelt tot betaling aan verweerder van 23.151,05 euro als saldo-opzeggingsvergoeding, onder aftrek van de wettelijke inhoudingen en vermeerderd met de interest, en uitspraak doet over de kosten ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van vierentwintig oktober tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051024.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000918.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.