← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051024.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051024.7 Rolnummer: S.05.0002.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-02-23 Raadplegingen: 595 - laatst gezien 2026-07-04 10:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de ratio legis van artikel 3, ,§ 1, derde en vierde lid van de Wet van 19 maart 1991 volgt dat deze wetsbepaling slechts van toepassing is in zoverre de ontslagen beschermde werknemer werkzaam was in de afdeling die gesloten werd; in dit geval staat het causaal verband tussen de economische of technische reden, zijnde de sluiting van die afdeling, en het ontslag van die werknemer vast, met gevolg dat de arbeidsrechtbank niet voorafgaandelijk deze economische of technische reden moet erkennen. Thesaurus CAS: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - BESCHERMDE WERKNEMERS Vrije woorden: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - BESCHERMDE WERKNEMERS Ontslag Erkenning van economische of technische redenen Onderneming Sluiting van afdeling Werknemer werkzaam in de te sluiten afdeling Bevoegd paritair comité Ontstentenis van beslissing Arbeidsgerechten Geen voorafgaandelijke erkenning Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - Art.3,§1,der Fiche 2 Artikel 3, ,§ 1, vierde lid, Wet 19 maart 1991, is niet toepasselijk bij het ontslag van een beschermd werknemer die niet werkzaam was in de afdeling die gesloten werd; in dit geval staat het causaal verband tussen de ingeroepen economische of technische reden en het ontslag niet zodanig vast, wat vereist dat de arbeidsrechtbank voor de regelmatigheid van het ontslag die aangevoerde reden voorafgaandelijk dient te onderzoeken en als dusdanig te erkennen. Thesaurus CAS: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - BESCHERMDE WERKNEMERS Vrije woorden: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - BESCHERMDE WERKNEMERS Ontslag Erkenning van economische of technische redenen Onderneming Sluiting van afdeling Werknemer niet werkzaam in de te sluiten afdeling Bevoegd paritair comité Ontstentenis van beslissing Arbeidsgerechten Voorafgaande erkenning Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - Art.3,§1,vie Fiche 3 Het Hof van cassatie is niet gehouden aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen, wanneer het cassatiemiddel dat een vraag opwerpt niet ontvankelijk is doordat het geen middel aanvoert, noch een wetsbepaling als geschonden aanwijst

(1).
(1)Zie Cass., 21 maart 2003, AR C.01.0091.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030321.9; nr
  1. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudicieel geschil Verplichting van het Hof van Cassatie Niet ontvankelijk middel Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art.26,§2 Tekst van de beslissing Nr. S.05.0002.N STORA ENSO LANGERBRUGGE, naamloze vennootschap, met zetel te 9000 Gent, Wondelgemkaai 200, met ondernemingsnummer 0417.331.909, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.K. R., verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 november 2003 gewezen door het Arbeidshof te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, ,§ 1, eerste lid, en ,§5, tweede lid, 3 en 16 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafge-vaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van verweerder, het hoger beroep van eiseres maar gedeeltelijk gegrond en dus voor het overige ongegrond en bevestigt het (arbeids)hof het vonnis van de arbeidsrechtbank van 28 september 2001 in zoverre dat vonnis eiseres veroordeelt tot de betaling van de in artikel 16 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden bedoelde bijzondere ontslagvergoeding die het bepaalt op 3.751.956 BEF (93.008,56 euro), verminderd met de ontvangen opzeggingsvergoeding ten bedrage van 96.206 BEF (2.384,88 euro), meer de wettelijke en de gerechtelijk interest op het netto bedrag. Het arbeidshof neemt die beslissing op grond van de volgende motieven : "4.
  2. De personeelsafgevaardigden kunnen krachtens artikel 2, ,§1, eerste lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden slechts worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd, of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend. Overeenkomstig artikel 3, ,§1, eerste lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden moet de werkgever, die een personeels-afgevaardigde wil ontslaan om economische of technische reden, vooraf de zaak bij een ter post aangetekende brief aanhangig maken bij het bevoegd paritair comité of, bij ontstentenis van een paritair comité of zo het paritair comité niet werkt, bij de Nationale Arbeidsraad. Het paritair comité of, in voorkomend geval, de Nationale Arbeidsraad, moet zich uitspreken over het al dan niet bestaan van economische of technische redenen binnen twee maanden vanaf de datum van de aanvraag die hiertoe door de werkgever werd gedaan (artikel 3, ,§1, tweede lid). Overeenkomstig artikel 3, ,§1, derde lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden mag de werkgever, bij ontstentenis van beslissing van het paritair orgaan binnen de termijn vastgesteld in het vorige lid, de personeelsafgevaardigde enkel ontslaan in geval van sluiting van de onderneming of van een afdeling van de onderneming of in geval van ontslag van een welbepaalde personeelsgroep. Behalve in het geval van sluiting van de onderneming of van een afdeling hiervan, mag de werkgever niet tot ontslag overgaan alvorens de arbeidsgerechten het bestaan van de economische of technische redenen erkend hebben (artikel 3, ,§1, vierde lid, aanhef). Artikel 2, ,§5, tweede lid, van de wet ontslagregeling personeels-afgevaardigden bepaalt dat de overplaatsing van één afdeling van een technische bedrijfseenheid naar een andere van dezelfde technische bedrijfseenheid - waarmee niet de overplaatsing van een volledige afdeling wordt bedoeld maar wel de overplaatsing van een personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde van de ene afdeling naar een andere afdeling (Parl. St. Senaat, 1990-1991, 1105-2,40) - voor de toepassing van deze wet als niet bestaande wordt beschouwd indien zij gebeurd is binnen de zes maanden die de sluiting van deze nieuwe afdeling voorafgaan. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepaling ertoe strekt te voorkomen dat de werkgever onrechtstreeks afbreuk kan doen aan de bescherming die door de wet wordt verzekerd door een personeelsafgevaardigde te plaatsen in een afdeling van de onderneming die hij om economische of technische redenen wil sluiten (Parl. St. Senaat, 1990-1991, 1105-1,7). De verplaatsing die is gebeurd in een verdachte periode van zes maanden wordt daarom geacht niet te hebben plaatsgehad. Uit de samenlezing van de artikelen 2, ,§5, tweede lid en 3, ,§1, derde en vierde lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden volgt dat de personeelsafgevaardigde op datum van de sluiting van een afdeling van de onderneming reeds minstens zes maanden in die afdeling moet tewerkgesteld zijn opdat de werkgever, bij ontstentenis van beslissing van het paritair orgaan binnen de gestelde termijn, deze personeelsafgevaardigde zou mogen ontslaan alvorens de arbeidsgerechten het bestaan van de economische of technische redenen voor het ontslag hebben erkend. Dat de personeelsafgevaardigde moet tewerkgesteld zijn in de afdeling die gesloten wordt, volgt dus niet enkel uit de logica van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden, zoals de eerste rechter heeft aangenomen, maar vindt wel degelijk steun in de wettekst zelf. ln haar repliek op het advies van het openbaar ministerie betwist (eiseres) dit ten onrechte op basis van de bedoeling van het bepaalde in het eerste lid van artikel 2, ,§5, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden, dat een geheel andere situatie beoogt. 4.
  3. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat (eiseres) het bevoegde paritair comité bij aangetekende brief van 12 september 1997 heeft verzocht de economische of technische redenen voor het ontslag van (sommige van) de personeelsafgevaardigden en kandidaat-personeelsafgevaardigden te erken-nen. Bij ongedateerd schrijven heeft de voorzitter van het paritair comité aan (eiseres) meegedeeld dat tijdens de zittingen van 20 en 27 oktober 1997 geen unanimiteit werd bereikt omtrent de erkenning van de economische of technische reden. (Eiseres) heeft (verweerder) ontslagen op 21 november 1997, zonder voorafgaandelijk bij de arbeidsrechtbank om de erkenning van het bestaan van de technische of economische redenen voor zijn ontslag te hebben verzocht. Het wordt niet betwist dat (verweerder) niet was tewerkgesteld in een afdeling van de onderneming die werd gesloten. Het staat dus vast dat (verweerder) werd ontslagen in strijd met de bepalingen van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden. 4.
  4. De prejudiciële vraag over artikel 3, ,§1, derde lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden die (eiseres) aan het Arbitragehof wil doen voorleggen is niet terzake dienend. Dat het arbeidshof niet kan onderzoeken of de beslissing om (verweerder) te ontslaan niet werd beïnvloed door het feit dat hij een personeelsafgevaardigde was volgt in dezen hoe dan ook uit het bepaalde in artikel 3, ,§1, vierde lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden. (Eiseres) houdt niet voor en het arbeidshof ziet niet dat het vereiste van een voorafgaandelijke erkenning van de ingeroepen technische of economische redenen door de arbeidsgerechten, wanneer de personeelsafgevaardigde niet is tewerkgesteld in een afdeling die gesloten wordt, discriminatoir zou zijn". (blz. 11, tweede alinea t.e.m. blz. 13, derde alinea van het arrest). Grieven Eerste onderdeel
  5. Artikel 2, ,§1, eerste lid, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, hierna aangeduid als de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden, bepaalt dat de personeelsafgevaardigden slechts kunnen ontslagen worden om (onder andere) economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend. Artikel 2, ,§1, eerste lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden stelt aldus als vereiste dat de economische of technische redenen waarvan voorafgaandelijke erkenning wordt gevraagd de beweegredenen zijn voor het ontslag. Artikel 3 van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden bepaalt de procedure die in geval van een voorgenomen ontslag om economische of technische reden moet worden gevolgd. Artikel 3, ,§1, derde lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden bepaalt dat, bij ontstentenis van een beslissing van het paritair orgaan binnen de termijn van twee maanden vanaf de datum van de aanvraag, de werkgever de personeelsafgevaardigde of de kandidaat-personeelsafgevaardigde enkel kan ontslaan in geval van sluiting van de onderneming of van een afdeling van de onderneming of in geval van het ontslag van een welbepaalde personeelsgroep. Uit artikel 3, ,§1, vierde lid, vloeit voort dat in het geval van sluiting van een afdeling van de onderneming de werkgever tot ontslag van de personeelsafgevaardigde kan overgaan zonder dat vereist is dat de arbeidsgerechten vooraf het bestaan van de economische of technische reden hebben erkend. Krachtens artikel 3, ,§3, van de wet ontslagregeling personeelsafge-vaardigden moet de werkgever het bewijs leveren van de voor het ontslag ingeroepen technische en economische redenen evenals van het feit dat het ontslag niet indruist tegen het bepaalde in ,§2, luidens welk het feit dat de werknemer een personeelsafgevaardigde of een kandidaat-personeelsaf-gevaardigde is of dat zijn kandidatuur ingediend is door een welbepaalde representatieve werknemersorganisatie in geen geval de beslissing van de werkgever om hem te ontslaan, mag beïnvloeden. Uit de samenlezing van de voornoemde wettelijke bepalingen blijkt dat wanneer een werkgever overgaat tot het ontslag van een personeelsaf-gevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde in geval van sluiting van een afdeling van de onderneming zonder voorafgaande erkenning van het bestaan van die economische of technische reden door de arbeidsgerechten en de werknemer vervolgens de regelmatigheid of rechtmatigheid van zijn ontslag aanvecht, de arbeidsgerechten moeten onderzoeken of : - er sprake is van een sluiting van een afdeling van een onderneming in de zin van artikel 3, ,§1, derde en vierde lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden ; - de economische of technische reden bestaande in de sluiting van een afdeling de beweegreden is voor het ontslag van de personeelsafgevaardigde, zoals vereist door artikel 2, ,§1, van de wet ontslagregeling personeelsaf-gevaardigden ; - de werkgever bij het ontslag het discriminatieverbod vermeld in artikel 3, ,§2, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden heeft geëerbiedigd en meer bepaald de ontslagbeslissing niet is beïnvloed door de hoedanigheid van personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafge-vaardigde van de ontslagen werknemer.
  6. Het arbeidshof overweegt dat de personeelsafgevaardigde op de datum van de sluiting van een afdeling van de onderneming reeds minstens zes maanden in die afdeling moet tewerkgesteld zijn opdat de werkgever, bij ontstentenis van beslissing van het paritair orgaan binnen de gestelde termijn, deze personeelsafgevaardigde zou mogen ontslaan alvorens de arbeidsge-rechten het bestaan van de economische of technische redenen voor het ontslag hebben erkend. Dat de personeelsafgevaardigde aldus moet tewerkgesteld zijn in de afdeling die gesloten wordt, leidt het arbeidshof af uit de samenlezing van de artikelen 2, ,§5, tweede lid, en 3, ,§1, derde en vierde lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden. Artikel 2, ,§5, tweede lid, van de wet ontslagregeling personeelsafge-vaardigden bepaalt dat de overplaatsing van een personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde van één afdeling van een technische bedrijfseenheid naar een andere van dezelfde technische bedrijfseenheid als niet bestaande wordt beschouwd, indien zij is gebeurd binnen de zes maanden die de sluiting van de nieuwe afdeling voorafgaan. Die bepaling heeft enkel tot gevolg dat, indien een personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafge-vaardigde minder dan zes maanden vóór de sluiting van de afdeling is overgeplaatst naar die afdeling, wordt gehandeld alsof de overplaatsing niet heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat in dat geval de arbeidsgerechten niet zomaar mogen aannemen dat de sluiting van de afdeling de beweegreden was voor het ontslag van de betrokkene omdat hij van die afdeling deel uitmaakte op het ogenblik dat zij werd gesloten, maar moeten onderzoeken of de sluiting van de afdeling, waarvan de betrokkene moet worden geacht geen deel te hebben uitgemaakt op het ogenblik van zijn ontslag, wel de beweegreden was voor zijn ontslag. Uit artikel 2, ,§5, tweede lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden kan niet worden afgeleid dat de werknemer in ieder geval in de te sluiten of gesloten afdeling moet tewerkgesteld zijn opdat die sluiting zou kunnen beschouwd worden als de beweegreden voor zijn ontslag. Noch artikel 3, noch artikel 2, ,§5, tweede lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden bepaalt dat voor de regelmatigheid van het ontslag van een personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde gegeven zonder voorafgaande erkenning van de economische of technische redenen door de arbeidsgerechten, in geval van sluiting van een afdeling van de onderneming vereist is dat de betrokkene op het ogenblik van het ontslag tewerkgesteld is in de afdeling die wordt gesloten. Artikel 3, ,§1, vierde lid, verwijst enkel naar een ontslag in het geval van een sluiting van een afdeling van een onderneming. Dat de personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde moet tewerkgesteld zijn in de afdeling die wordt gesloten, is ook niet vereist om het door de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden beoogde doel te bereiken. De wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden beoogt personeelsafgevaardigden en kandidaat-personeelsafgevaardigden te beschermen tegen elke nadelige discriminatie en te voorkomen dat de hoedanigheid van kandidaat-personeelsafgevaardigde of het mandaat van personeelsafgevaardigde een invloed zou uitoefenen op de ontslagbeslissing. Die doelstelling wordt bereikt door te eisen dat de economische of technische reden de beweegreden is voor het ontslag van de personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde zoals voorgeschreven door artikel 2, ,§1, eerste lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden en dat het feit dat de werknemer een personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafge-vaardigde is, de beslissing hem te ontslaan niet mag hebben beïnvloed, zoals voorgeschreven door artikel 3, ,§2, van de wet ontslagregeling personeels-afgevaardigden. Het arbeidshof beslist niet wettig dat de personeelsafgevaardigde moet tewerkgesteld zijn in de afdeling die gesloten wordt, opdat de werkgever zonder voorafgaande erkenning door de arbeidsgerechten van de economische of technische reden bestaande in de sluiting van een afdeling van de onderneming, op regelmatige wijze kan overgaan tot het ontslag van die personeelsafgevaardigde en dat verweerder, van wie niet wordt betwist dat hij niet was tewerkgesteld in een afdeling van de onderneming van eiseres die werd gesloten, werd ontslagen in strijd met de bepalingen van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden en dus recht heeft op de in artikel 16 van dezelfde wet bepaalde bijzondere beschermingsvergoeding (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen). Tweede onderdeel Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof In de mate dat wordt aangenomen dat de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden vereist dat bij ontstentenis van een beslissing van het paritair comité binnen twee maanden vanaf de datum van de aanvraag van de werkgever aan het paritair comité zich uit te spreken over het al dan niet bestaan van economische of technische redenen in het geval van een sluiting van een afdeling van de onderneming enkel de personeelsafgevaardigden en kandidaat-personeelsafgevaardigden die zijn tewerkgesteld in de te sluiten of gesloten afdeling, zonder voorafgaande erkenning van de economische of technische reden door de arbeidsgerechten mogen ontslagen worden, leidt zulks tot een ongelijke behandeling en discriminatie tussen : - in de eerste plaats, de personeelsafgevaardigden en kandidaat-personeelsafgevaardigden die in de te sluiten of gesloten afdeling zijn tewerkgesteld, wier ontslag in causaal verband staat met die sluiting, die bij ontstentenis van een binnen de voorgeschreven termijn genomen beslissing van het paritair comité zonder voorafgaande tussenkomst van de arbeidsgerechten mogen worden ontslagen en derhalve geen recht hebben op de in de artikelen 16 en 17 van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden bepaalde vergoedingen enerzijds en de personeelsafgevaardigden en kandidaat-personeelsafgevaardigden die niet in de te sluiten of gesloten afdeling zijn tewerkgesteld, wier ontslag ook in causaal verband staat met die sluiting, maar die bij ontstentenis van een binnen de voorgeschreven termijn genomen beslissing van het paritair comité niet zonder voorafgaande tussenkomst van de arbeidsgerechten mogen worden ontslagen en bij ontslag zonder voorafgaande tussenkomst van de arbeidsgerechten recht hebben op de in de artikelen 16 en 17 van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden bepaalde vergoedin-gen anderzijds ; - in de tweede plaats, de personeelsafgevaardigden en kandidaat-personeelsafgevaardigden die niet in de te sluiten of gesloten afdeling zijn tewerkgesteld, wier ontslag evenwel in causaal verband staat met die sluiting, maar die bij ontstentenis van een binnen de voorgeschreven termijn genomen beslissing van het paritair comité niet mogen worden ontslagen zonder voorafgaande tussenkomst van de arbeidsgerechten en bij ontslag zonder voorafgaande erkenning van het bestaan van de economische of technische reden die het ontslag rechtvaardigt, derhalve recht hebben op de in de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden bepaalde vergoedingen enerzijds, en de werknemers die niet onder het toepassingsgebied van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden vallen, die niet in de te sluiten of gesloten afdeling zijn tewerkgesteld, wier ontslag evenwel in causaal verband staat met die sluiting en die mogen worden ontslagen zonder voorafgaande tussenkomst van de arbeidsgerechten en bij ontslag geen recht hebben op een vergoeding vergelijkbaar met die waarop de personeelsafgevaardigden en kandidaat-personeelsafgevaardigden in dezelfde situatie aanspraak kunnen maken. In het eerste geval is er sprake van een ongelijke behandeling van twee voldoende vergelijkbare categorieën werknemers, met name personeelsafge-vaardigden of kandidaat-personeelsafgevaardigden die in het kader van een sluiting van een afdeling van een onderneming worden ontslagen en wier ontslag in causaal verband staat met die sluiting. Enkel en alleen op grond van de plaats van tewerkstelling in de onderneming, namelijk al dan niet in de afdeling van de onderneming die wordt of werd gesloten, verkrijgt de tweede categorie van werknemers in geval van een ontslag zonder voorafgaande erkenning van de economische of technische reden door de arbeidsgerechten de bijzondere beschermingsvergoeding, zelfs indien het ontslag in causaal verband staat met de sluiting van de afdeling en zelfs indien de hoedanigheid van personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde geen invloed heeft gehad op de ontslagbeslissing van de werkgever. Dat onderscheid is niet redelijk verantwoord, rekening houdend met de doelstelling van de wettelijke voorschriften, met name elke nadelige discriminatie op grond van de kandidatuur of de uitoefening van een mandaat als personeelsafgevaardigde voorkomen. In het tweede geval is er eveneens sprake van een ongelijke behandeling van twee voldoende vergelijkbare categorieën werknemers, met name, enerzijds, beschermde en, anderzijds, niet-beschermde werknemers die in het kader van een sluiting van een afdeling van een onderneming worden ontslagen, die niet tewerkgesteld zijn in de afdeling die wordt gesloten, maar wier ontslag in causaal verband staat met die sluiting. Het onderscheid, namelijk dat de eerste categorie werknemers recht heeft op een bijzondere beschermingsvergoeding, terwijl de tweede categorie werknemers geen recht heeft op een vergelijkbare vergoeding, is niet redelijk verantwoord rekening houdend met de doelstelling van de maatregel, met name elke nadelige discriminatie op grond van de kandidatuur of de uitoefening van een mandaat als personeelsafgevaardigde voorkomen. Niettegenstaande het ontslag in causaal verband staat met de sluiting van een afdeling van de onderneming en de ontslagbeslissing van de werkgever derhalve niet werd beïnvloed door de hoedanigheid van personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaar-digde, verkrijgt de personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaar-digde die wordt ontslagen zonder voorafgaande erkenning van het bestaan van de economische of technische reden die het ontslag rechtvaardigt, de in de wet bepaalde bijzondere beschermingsvergoeding, zonder dat de werkgever achteraf kan bewijzen dat de reden voor de toekenning van die vergoeding, met name een voor de betrokken werknemer nadelige discriminatie, niet voorhanden is. Artikel 26, ,§1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bepaalt dat voornoemd hof, bij wege van arrest, uitspraak doet over prejudiciële vragen omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van onder meer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Eiseres vraagt dan ook dat het Hof aan het Arbitragehof de hieronder nader omschreven vraag stelt en zijn uitspraak aanhoudt tot dat hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan over die vraag. "Schenden de artikelen 2, ,§1, eerste lid, en 3, ,§1, derde en vierde lid, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden de artikelen 10 en 11 van de gecoördi-neerde Grondwet, zo geïnterpreteerd dat krachtens die bepalingen de personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde die niet is tewerkgesteld in de te sluiten of gesloten afdeling van de onderneming, maar wiens ontslag in causaal verband staat met die sluiting, bij ontstentenis van een binnen de voorgeschreven termijn van twee maanden genomen beslissing van het paritair comité niet mag worden ontslagen zonder voorafgaande erkenning van de economische en technische reden door de arbeidsgerechten en bij een ontslag gegeven alvorens die erkenning werd verkregen, altijd recht heeft op de in de artikelen 16 en 17 van de voornoemde wet bepaalde bijzondere beschermingsvergoeding, zonder dat moet onderzocht worden of de sluiting van de afdeling van de onderneming de beweegreden was voor dat ontslag en of de beslissing van de werkgever hem te ontslaan werd beïnvloed door zijn hoedanigheid van personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeels-afgevaardigde, terwijl : - de personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde die tewerkgesteld is in de te sluiten of gesloten afdeling, bij ontstentenis van een beslissing van het paritair comité mag worden ontslagen zonder dat de arbeidsgerechten vooraf de economische of technische reden erkend hebben en in dat geval geen recht heeft op de in de artikelen 16 en 17 van de voornoemde wet bepaalde bijzondere beschermingsvergoeding ; - de werknemer zonder de hoedanigheid van personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde die niet tewerkgesteld is in de te sluiten of gesloten afdeling, mag worden ontslagen zonder voorafgaande tussenkomst van de arbeidsgerechten en op die grond recht heeft op een vergoeding die gelijkbaar is met die welke aan de personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde verschuldigd is". IV. Beslissing van het Hof Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 3, ,§1, derde en vierde lid, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, bij ontstentenis van een beslissing van het paritair orgaan binnen de vastgestelde termijn over de vraag van de werkgever tot erkenning van economische of technische redenen tot het ontslag van een personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde, de werkgever in geval van sluiting van een afdeling van de onderneming tot het ontslag van de beschermde werknemer mag overgaan zonder dat de arbeidsrechtbank tevoren de economische of technische reden voor dit ontslag moet hebben erkend ; Dat uit de ratio legis van deze wetsbepaling volgt dat deze wetsbepaling slechts van toepassing is in zoverre de ontslagen beschermde werknemer werkzaam was in de afdeling die gesloten werd ; dat in dit geval het causaal verband tussen de economische of technische reden, zijnde de sluiting van die afdeling, en het ontslag van die werknemer vaststaat, met gevolg dat de arbeidsrechtbank niet voorafgaandelijk deze economische of technische reden moet erkennen ; Dat hieruit volgt dat voormeld artikel 3, ,§1, vierde lid, niet toepasselijk is bij het ontslag van een beschermd werknemer die niet werkzaam was in de afdeling die gesloten werd ; dat in dit geval het causaal verband tussen de ingeroepen economische of technische reden en het ontslag niet zodanig vaststaat, wat vereist dat de arbeidsrechtbank voor de regelmatigheid van het ontslag die aangevoerde reden voorafgaandelijk dient te onderzoeken en als dusdanig te erkennen ; Dat het onderdeel faalt naar recht ; Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel geen middel aanvoert, noch een wetsbepaling als geschonden aanwijst, mitsdien niet ontvankelijk is ; Dat er bijgevolg geen aanleiding bestaat de prejudiciële vraag te stellen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van achtentachtig euro vierennegentig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en een euro vijfentachtig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van vierentwintig oktober tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051024.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030321.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080508.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.