← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051025.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051025.10 Rolnummer: P.05.1063.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2006-09-20 Raadplegingen: 563 - laatst gezien 2026-07-04 13:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepaling van artikel 235 Wetboek van Strafvordering volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling, zonder dat de partijen dit vragen, de bevoegdheid heeft de strafvordering uit te breiden tot feiten waarvoor nog geen onderzoek bestond op voorwaarde dat die nieuwe feiten blijken uit het voorgelegde dossier en dat de partijen gelegenheid krijgen om daarover te worden gehoord

(1).
(1)Zie Cass., 18 dec. 1950, A.C.1951,
  1. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Kamer van inbeschuldigingstelling Strafvordering Uitbreiding Ambtshalve bevoegdheid Tekst van de beslissing Nr. P.05.1063.N M. R. A., eiser, inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Max Van Battel, advocaat bij de balie te Mechelen, tegen R. M. E., verweerster, burgerlijke partij. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 23 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Dirk Debruyne heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie vijf middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Afstand Overwegende dat eiser afstand doet van het cassatieberoep op grond dat het voorbarig is, door de beslissing geen eindbeslissing is in de zin van artikel 416 Wetboek van Strafvordering; Overwegende dat het bestreden arrest op het hoger beroep van verweerster, burgerlijke partij, eiser naar de correctionele rechtbank verwijst wegens de tenlasteleggingen A en B zoals omschreven in het tussenarrest van 14 maart 2005; Overwegende dat de inverdenkinggestelde krachtens artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, onmiddellijk cassatieberoep kan instellen ingeval hij een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid van de verwijzingsbeschikking van de kamer van inbeschuldigingstelling aanvoert; Dat geen onregelmatigheid, verzuim of nietigheid van de verwijzingsbeschikking in de zin van artikel 135, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering, wordt opgeworpen wanneer de kritiek op de motivering van deze beschikking erop neerkomt alleen het bestaan van voldoende bezwaren te betwisten of de gebrekkige motivering van de beschikking op het punt van de bezwaren aan te voeren; Overwegende dat het cassatieberoep voorbarig is in de mate dat het bestreden arrest oordeelt dat er tegen eiser voldoende bezwaren bestaan en hem vervolgens, na aanneming van verzachtende omstandigheden wat betreft de feiten onder de tenlastelegging A, wegens de feiten omschreven onder de tenlasteleggingen A en B naar de correctionele rechtbank verwijst; Dat slechts in die mate de afstand kan worden verleend; B. Onderzoek van de middelen
  2. Eerste middel 1.
  3. Eerste en tweede onderdeel Overwegende dat artikel 235 Wetboek van Strafvordering bepaalt: "In alle zaken kunnen de hoven van beroep, zolang zij niet beslist hebben of de inbeschuldigingstelling dient te worden uitgesproken, om het even of de eerste rechters al dan niet een onderzoek hebben ingesteld, ambtshalve vervolgingen gelasten, zich de stukken doen overleggen, de zaak onderzoeken of doen onderzoeken, en daarna beschikken zoals het behoort"; Dat uit deze bepaling volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling, zonder dat de partijen dit vragen, de bevoegdheid heeft de strafvordering uit te breiden tot feiten waarvoor nog geen onderzoek bestond; Dat het volstaat dat die nieuwe feiten blijken uit het voorgelegde dossier en dat de partijen gelegenheid krijgen om daarover te worden gehoord; Dat de onderdelen die aanvoeren dat de appelrechters door de partijen moeten 'gevat' zijn van de uitbreiding van de inverdenkingstelling en dat dit anders het recht van verdediging miskent, falen naar recht; 1.
  4. Derde onderdeel Overwegende dat het Hof niet bevoegd is een wetsbepaling te toetsen aan de Grondwet; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is;
  5. Tweede middel Overwegende dat artikel 149 Grondwet niet van toepassing is op de onderzoeksgerechten; Dat het middel in zoverre faalt naar recht; Overwegende dat het middel in zoverre het een dubbelzinnigheid in de motivering van het arrest aanvoert, niet aangeeft in welke lezing van het arrest de beslissing wettig en in welke lezing ze onwettig zou zijn; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is; Overwegende dat voor het overige, anders dan het middel aanvoert, de motivering van de appelrechters noch tegenstrijdig noch onduidelijk is en het Hof wel toelaat zijn wettigheidscontrole uit te oefenen; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen;
  6. Derde middel Overwegende dat het middel, gelet op de afstand, geen antwoord behoeft;
  7. Vierde middel 4.
  8. Eerste onderdeel Overwegende dat artikel 149 Grondwet niet van toepassing is op de onderzoeksgerechten; Dat het onderdeel in zoverre faalt naar recht; Overwegende dat de aangevoerde dubbelzinnigheid niet bestaat; Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist; 4.
  9. Tweede onderdeel Overwegende dat de beslissing van de appelrechters dat de feiten "voor zover bewezen, gepleegd werden met hetzelfde opzet" geen miskenning van het vermoeden van onschuld inhouden, daar de appelrechters geen uitspraak doen over het al dan niet bewezen zijn van de telastleggingen; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; 4.
  10. Derde en vierde onderdeel Overwegende dat, anders dan waarvan de onderdelen uitgaan, de kamer van inbeschuldigingstelling met het oog op de vaststelling van het al of niet verjaard zijn van de feiten, in concreto het bestaan van eenzelfde opzet beoordeelt; Dat zij daarbij geen uitspraak doet over het bewezen zijn van de telastleggingen; Dat de onderdelen feitelijke grondslag missen; 4.
  11. Vijfde onderdeel Overwegende dat artikel 149 Grondwet niet van toepassing is op de onderzoeksgerechten; Dat het onderdeel in zoverre faalt naar recht; Overwegende dat voor het overige het Hof de aangevoerde tegenstrijdigheid niet ontwaart; Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist;
  12. Vijfde middel 5.
  13. Eerst onderdeel Overwegende dat artikel 149 Grondwet niet van toepassing is op de onderzoeksgerechten; Dat het onderdeel in zoverre faalt naar recht; Overwegende dat voor het overige het Hof de aangevoerde tegenstrijdigheid niet ontwaart; Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist; 5.
  14. Tweede onderdeel Overwegende dat de appelrechters, met hun overweging dat het hoger beroep van de burgerlijke partij geen betrekking had op de kwalificatie van de feiten, van de akte van hoger beroep van de burgerlijke partij een uitlegging geven die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is, noch artikel 135, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering, schenden; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verleent de afstand in de mate als hoger bepaald; Verwerpt het cassatieberoep voor het overige; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van tweeëntachtig euro twintig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van vijfentwintig oktober tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051025.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151223.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.