id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051025.8 Rolnummer: P.05.1332.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2006-09-20 Raadplegingen: 419 - laatst gezien 2026-07-04 02:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het laattijdig verzoek van een inverdenkinggestelde om bij de in artikel 16, ,§ 2, eerste lid, Wet Voorlopige Hechtenis bedoelde ondervraging door de onderzoeksrechter, bijstand te krijgen van een andere tolk dan die hem heeft bijgestaan bij de aanvang van die ondervraging, kan naar gelang van de omstandigheden van de zaak, die de rechter onaantastbaar in feite beoordeelt, gelijkgesteld worden met een weigering om verhoord te worden
(1).
(1)Cass., 5 aug. 2003, AR P.03.1086.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030805.2, nr
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - AANHOUDING Vrije woorden: VOORLOPIGE HECHTENIS - AANHOUDING Bevel tot aanhouding Voorafgaande ondervraging Bijstand van een tolk Verzoek tot bijstand van een andere tolk Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-1990 - Art.16,§2 Tekst van de beslissing Nr. P.05.1332.N M R, eiser, inverdenkinggestelde, gedetineerd, met als raadsman mr. Tom Van Maldergem, advocaat bij de balie te Gent. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 13 oktober 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van het middel
- Eerste onderdeel Overwegende dat het laattijdige verzoek van een inverdenkinggestelde om bij de in artikel 16, ,§ 2, eerste lid, Wet Voorlopige Hechtenis bedoelde ondervraging door de onderzoeksrechter, bijstand te krijgen van een andere tolk dan die hem heeft bijgestaan bij de aanvang van die ondervraging, naar gelang van de omstandigheden van de zaak die de rechter onaantastbaar in feite beoordeelt, gelijkgesteld kan worden met een weigering om verhoord te worden; Dat de grieven in zoverre ze het Hof verplichten tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is of in zoverre ze opkomen tegen de beoordeling van de feiten door de rechters, niet ontvankelijk zijn; Overwegende, voor het overige, dat de appelrechters met verwijzing naar stukken, inzonderheid de eerste ondervraging van eiser door de politiediensten, vaststellen dat eiser een hoorapparaat droeg, dat eiser de Franse taal machtig was en dat de politiediensten met behulp van een tolk die bovendien zijn vragen nog eens neerschreef in de Franse taal, tot een verhoor konden komen; Overwegende dat de appelrechters daarna op grond van de feitelijke redenen die het arrest vermeldt, wettig vermogen te oordelen dat eiser bij de onderzoeksrechter "zelf dit verhoor voorafgaand aan het bevel tot aanhouding feitelijk onmogelijk heeft gemaakt om halverwege dit verhoor voor de eerste maal een andere tolk te vragen dan die hem had bijgestaan bij de aanvang van het verhoor"; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;
- Tweede onderdeel Overwegende dat de appelrechters met de redenen dat "ter zitting van de kamer van inbeschuldigingstelling (eiser) omstandig werd gehoord om zijn versie van de feiten weer te geven, met behulp van twee tolken" de beslissing "dat hierdoor de geschonden rechten van (eiser) zijn hersteld" naar recht verantwoorden; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van drieënzestig euro negenendertig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van vijfentwintig oktober tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051025.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030805.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div