id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051025.9 Rolnummer: P.05.1034.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2006-02-23 Raadplegingen: 632 - laatst gezien 2026-07-04 10:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 324ter, ,§ 1, Strafwetboek beoogt de bestraffing van een persoon, niet om reden van zijn persoonlijke deelname aan misdrijven of zijn persoonlijke bedoeling misdrijven te plegen, maar enkel om reden van zijn lidmaatschap van de in artikel 324bis, Strafwetboek omschreven criminele organisatie, op voorwaarde dat hij kennis heeft van de criminele aard van de organisatie waartoe hij behoort maar zonder dat hij wetens en willens moet deelnemen aan de strafbare feiten die het oogmerk vormen van de organisatie
(1)
(2).
(1)Cass., 24 feb. 2004, AR P.04.0251.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.22, nr 100.
(2)Zie Cass., 6 mei 1998, AR P.98.0117.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980506.12, nr
- Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: VERENIGING VAN BOOSDOENERS Criminele organisatie Lidmaatschap Zelfstandig misdrijf Doel Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1867 - Artt.324bisen Tekst van de beslissing Nr. P.05.1034.N I. D. M. V. L. M., eiser, inverdenkinggestelde. II. P. B. J. L., eiser, inverdenkinggestelde, gedetineerd. III. P. R. J., eiser, inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Pascal Mallien, advocaat bij de balie te Antwerpen. IV.
- C. C.,
- C. J. R. M. L., eisers, inverdenkinggestelden, met als raadsman mr. Johan Vangenechten, advocaat bij de balie te Antwerpen. V. S. L. F. R., eiser, inverdenkinggestelde. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 9 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer; II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiser sub III stelt in een memorie twee middelen voor. De eisers sub IV stellen elk in een memorie twee middelen voor. Die memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De eisers sub I, II en V stellen geen middel voor; IV. Beslissing van het Hof A. Prejudiciële vraagstelling Overwegende dat de eisers sub IV het Hof verzoeken voorafgaandelijk een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof "aangezien de artikelen 324bis en 324ter van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 10 januari 1999 (B.S., 26 februari 1999), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden gelet op de te ruime appreciatiebevoegdheid van de rechter bij de toetsing van de feiten aan de constitutieve bestanddelen van voormelde wet op de criminele organisaties die dermate vaag en ruim omschreven zijn dat de rechtszekerheid en gelijkheid in het gedrang komt en de rechtsonderhorige op willekeurige en discriminerende wijze wordt berecht"; Overwegende dat alhoewel de eisers een schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet aanvoeren, ze niet preciseren op welke wijze twee categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste wetsbepalingen in wezenlijk verschillende situaties bevinden, door deze op identieke wijze worden behandeld dan wel, als personen die zich ten aanzien van de betwiste wetsbepalingen in wezenlijk gelijke situaties bevinden, niettemin door deze op verschillende wijze worden behandeld; Dat de eisers voorts een miskenning van het legaliteitsbeginsel, zoals toegepast in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, lijken aan te voeren maar hierbij nalaten te preciseren op welke wijze de artikelen 324bis en 324ter Strafwetboek deze grondwetsbepalingen zouden schenden; Dat deze aanvoering zoals geformuleerd, het Hof niet toelaat te onderscheiden welke prejudiciële vraag moet worden gesteld; B. Onderzoek van de middelen van J. P. R
- Eerste middel Overwegende dat de appelrechters, met overname van de redenen van het beroepen vonnis, nauwkeurig de redenen vermelden waarom een effectieve gevangenisstraf en een geldboete worden opgelegd; dat zij aldus, met beantwoording van eisers conclusie, tevens de redenen vermelden waarom hem de gunst van de opschorting van de uitspraak niet kan worden verleend; Dat het middel feitelijke grondslag mist;
- Tweede middel 2.
- Eerste onderdeel Overwegende dat de appelrechters oordelen dat zij enkel gevat zijn om te oordelen of eiser al dan niet wetens en willens deel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie met de handel in verdovende middelen als onwettige finaliteit, hetgeen zij om de redenen die zij vermelden, bewezen achten; dat zij aldus eisers conclusie dat hij niet de opdrachtgever was van de criminele organisatie als irrelevant, verwerpen; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 2.
- Tweede onderdeel Overwegende dat eiser niet wordt veroordeeld met toepassing van artikel 324ter, ,§ 3, Strafwetboek, maar de hem opgelegde bestraffing volgt uit zijn veroordeling wegens de telastlegging A.II, zijnde bezit of handel in verdovende middelen die daden zijn van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, als zwaarste straf voor de vermengde feiten A.II en C.II; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; C. Onderzoek van de middelen van C. C.
- Eerste middel Overwegende dat de appelrechters met de redenen die zij vermelden eisers conclusie beantwoorden; Dat het middel feitelijke grondslag mist;
- Tweede middel Overwegende dat de appelrechters, met overname van de redenen van het beroepen vonnis, nauwkeurig de redenen vermelden waarom een effectieve gevangenisstraf en een geldboete worden opgelegd; dat zij aldus, met beantwoording van eisers conclusie, tevens de redenen vermelden waarom zijn verzoek om een werkstraf uit te spreken, wordt geweigerd; Dat het middel feitelijke grondslag mist; D. Onderzoek van de middelen van J. C.
- Eerste middel Overwegende dat, anders dan in het middel wordt aangevoerd, eiser geen conclusie voor de appèlrechters heeft genomen; Dat het middel feitelijke grondslag mist;
- Tweede middel Overwegende dat artikel 324ter, ,§ 1, Strafwetboek de bestraffing beoogt van een persoon, niet om reden van zijn persoonlijke deelname aan misdrijven of zijn persoonlijke bedoeling misdrijven te plegen, maar enkel om reden van zijn lidmaatschap van de in artikel 324bis Strafwetboek omschreven criminele organisatie, en mits hij kennis heeft van de criminele aard van de organisatie waartoe hij behoort; Dat het middel, in zoverre het ervan uitgaat dat om strafbaar te zijn, de persoon die deeluitmaakt van de organisatie, wetens en willens moet deelnemen aan de strafbare feiten die het oogmerk vormen van de organisatie, faalt naar recht; Overwegende dat het middel voor het overige, in zoverre het opkomt tegen het oordeel in feite van de appelrechters dat de eiser "wel op de hoogte (was) van het bestaan van de activiteiten van de organisatie en (hij) door (zijn) tussenkomst (...) wel (heeft) bijgedragen tot de onwettige finaliteit ervan", niet ontvankelijk is; E. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet zijn gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van tweehonderd negenentwintig euro negentig cent, waarvan
- op het cassatieberoep van L. M. D. M. V.: vijfenveertig euro achtennegentig cent verschuldigd,
- op het cassatieberoep van J. L. P. B.: vijfenveertig euro achtennegentig cent verschuldigd,
- op het cassatieberoep van J. P. R.: vijfenveertig euro achtennegentig cent verschuldigd,
- op het cassatieberoep van C. C. en J C.: vijfenveertig euro achtennegentig cent verschuldigd en
- op het cassatieberoep van L. S.: vijfenveertig euro achtennegentig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van vijfentwintig oktober tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051025.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980506.12 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.22 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.14 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240103.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div