← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051027.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051027.6 Rolnummer: C.02.0415.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-02-23 Raadplegingen: 489 - laatst gezien 2026-07-04 13:18 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Aangaande het vereiste dat het vonnis enkel kan worden gewezen door rechters die alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond, volstaat het dat uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat na de wijziging van de samenstelling van het rechtscollege het debat volledig werd hernomen zonder dat vereist is dat zulks zou worden vastgesteld in een proces-verbaal van de terechtzittingen of in een vonnis. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Samenstelling van het rechtscollege Wijziging van de zetel Herneming van het debat Bewijs Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.779,eerste Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Samenstelling van het rechtscollege Wijziging van de zetel Herneming van het debat Bewijs Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.779,eerste Tekst van de beslissing Nr. C.02.0415.N F.J., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen T.M., verweerster, aan wie rechtsbijstand werd verleend op 22 september 2002 onder nummer G.02.0102.N, vertegenwoordigd door Mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 april 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift zes middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. IV. Beslissing van het Hof

  1. Eerste middel Overwegende dat het vonnis, krachtens artikel 779, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, op straffe van nietigheid enkel kan worden gewezen door rechters die alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond ; Dat geen wetsbepaling vereist dat na de wijziging van de samenstelling van het rechtscollege in een proces-verbaal van de terechtzittingen of in een vonnis zou worden vastgesteld dat het debat volledig werd hernomen ; dat dit mag blijken uit de stukken van de rechtspleging ; Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat :
  2. op de zitting van 10 oktober 2000 de voorzitter verslag heeft uitgebracht, het hof van beroep de vraag heeft gesteld of het Nederlands recht of het Belgisch recht van toepassing is en vervolgens met het akkoord van de partijen, bij toepassing van artikel 747, ,§2, van het Gerechtelijk Wetboek, conclusietermijnen heeft bepaald en de zaak heeft vastgesteld op de zitting van 13 november 2001 om gepleit te worden ;
  3. na deze zitting, beide partijen synthesebesluiten hebben opgesteld waarin zij het geheel van hun middelen uiteenzetten ;
  4. op de zitting van 13 november 2001, waar het hof van beroep in een nieuwe samenstelling zetelde, de voorzitter verslag heeft uitgebracht en de partijen voor het eerst de zaak hebben gepleit ; Dat hieruit volgt dat op de zitting van 13 november 2001 het debat volledig werd hernomen ; Dat het middel dat steunt op de onjuiste bewering dat de zaak op deze laatste zitting "in voortzetting" werd behandeld, niet kan worden aangenomen ;
  5. Tweede middel 2.
  6. Tweede onderdeel Overwegende dat eiser slechts in zijn syntheseconclusie voor het hof van beroep aanspraak heeft gemaakt op de toepassing van het Nederlands recht ; Dat artikel 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek betrekking heeft op de uiteenzetting van de grieven in de akte van hoger beroep, met uitzondering van het geval dat het hoger beroep bij conclusie wordt ingesteld ; Dat eiser niet aantoont hoe en waardoor de appèlrechters door hun beslissing dat het geschil overeenkomstig het Belgisch recht moet worden beslecht, bedoeld artikel schenden ; Overwegende dat het onderdeel evenmin aantoont hoe en waardoor de appèlrechters door deze beslissing artikel 1064 van het Gerechtelijk Wetboek dat betrekking heeft op de termijnen om in hoger beroep conclusie te nemen, schenden ; Overwegende dat de appèlrechters niet oordelen dat eiser afstand heeft gedaan van zijn recht toepassing te vragen van het Nederlands recht maar beslissen dat aan de vraag het Nederlands recht toe te passen geen gevolg kan worden gegeven, gezien eiser de toepassing van het Belgisch recht door de notaris niet heeft tegengesproken en dus aanvaard ; Dat de aangevoerde schending van artikel 6.1 EVRM en van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging, volledig is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 824, 1045, 1057, 7°, en 1064 van het Gerechtelijk Wetboek en de vergeefs aangevoerde miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat een afstand beperkend moet worden geïnterpreteerd ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 2.
  7. Eerste onderdeel Overwegende dat de appèlrechters hun beslissing de toepassing van het Nederlands recht af te wijzen, laten steunen op de in het tweede onderdeel tevergeefs betwiste zelfstandige reden dat eiser de toepassing van het Belgisch recht door de notaris heeft aanvaard ; Dat het onderdeel, al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is ;
  8. Derde middel 3.
  9. Eerste onderdeel Overwegende dat eiser concludeerde zoals in het onderdeel weergegeven ; Dat het arrest dit verweer verwerpt en beantwoordt met de redenen vermeld in het onderdeel ; Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist ; 3.
  10. Tweede onderdeel Overwegende dat in zoverre het onderdeel een schending aanvoert van de artikelen 6.1 EVRM, 10 en 11 van de Grondwet en 1218, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, het geheel is afgeleid uit het in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerd motiveringsgebrek ; Overwegende dat voor het overige het onderdeel kritiek levert op het optreden van de notaris gelast met de vereffening van de huwelijksgemeenschap, maar niet gericht is tegen het bestreden arrest ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ; 3.
  11. Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel kritiek levert op het optreden van de notaris gelast met de vereffening van de huwelijksgemeenschap, maar niet gericht is tegen het bestreden arrest ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ;
  12. Vierde middel 4.
  13. Eerste onderdeel Overwegende dat de appèlrechters niet oordelen dat eiser geen stukken bijbrengt in verband met de uitbouw van zijn handelszaak sedert de feitelijke scheiding, maar oordeelt dat dit feit niet wordt bewezen door de bijgebrachte stukken, mitsdien de bewijskracht van eisers conclusie niet miskennen ; Overwegende dat de appèlrechters met de in het middel aangehaalde motivering het strijdige of andere feitelijke verweer van eiser verwerpen, zodoende zijn conclusie beantwoorden, en de beslissing regelmatig met redenen omkleden ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 4.
  14. Tweede onderdeel Overwegende dat de appèlrechters het verzoek van eiser om bij de vereffening van de huwelijksgemeenschap de datum van de vereffening te bepalen op een eerder tijdstip dan geregeld door artikel 1278, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, verwerpen en beantwoorden met de in het middel aangevoerde redenen ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
  15. Vijfde middel Overwegende dat de appèlrechters het in het middel vermelde verweer verwerpen en beantwoorden met de redenen vermeld op pagina 6 van het arrest onder de rubriek
  16. Openbare verkoping van onroerende goederen "dat enkel kan worden vastgesteld dat (eiser) nooit duidelijk ter kennis heeft gegeven dat hij de echtelijke woonst wilde overnemen en de brieven die hij aan de notaris zou hebben geschreven, waarbij hij dat inzicht wel zou hebben medegedeeld, alleszins geen enkel aanbod bevatten van een concrete aangeboden overnameprijs voor een concreet onderdeel van de drie afzonderlijk gekadastreerde onroerende goederen (woning, fabriek, tuin)" ; Dat het middel feitelijke grondslag mist ;
  17. Zesde middel 6.
  18. Eerste onderdeel Overwegende dat het onderdeel schending van de artikelen 203, ,§1, en 203bis van het Burgerlijk Wetboek aanvoert zonder te specificeren hoe en waardoor het arrest deze bepalingen schendt ; Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat de appèlrechters de bewijslast van het feit dat verweerster niet over de nodige middelen zou beschikken om bij te dragen in de kosten van opvoeding en onderhoud van de gemeenschappelijke kinderen ten laste van eiser hebben gelegd ; Dat de appèlrechters het bewijs dat verweerster niet kon bijdragen in deze kosten ook afleiden uit de omstandigheid dat zij gedurende de hele echtscheidingsprocedure boven de haar toegewezen huurgelden onderhoudsgeld ontving van eiser ; Dat het onderdeel in zoverre berust op een onvolledige lezing van het arrest ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 6.
  19. Tweede onderdeel Overwegende dat de appèlrechters bij de beoordeling van verweersters mogelijkheden om bij te dragen in de kosten van opvoeding en onderhoud van de gemeenschappelijke kinderen, niet alleen rekening houden met het onderhoudsgeld dat zij van eiser ontving, maar eveneens de haar toegewezen huurgelden in rekening brengen ; Overwegende dat het onderdeel in zoverre het schending aanvoert van de artikelen 203, ,§1, en 203bis van het Burgerlijk Wetboek, berust op een onvolledige lezing van het arrest en in zoverre feitelijke grondslag mist ; Overwegende dat het onderdeel in zoverre het schending aanvoert van de artikelen 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek volledig is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde schending van de regels over de bewijslast ; Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd en elf euro eenenzestig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeëntwintig euro negenenvijftig cent jegens de verwerende partij in debet. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051027.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111129.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.