← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051027.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051027.7 Rolnummer: C.02.0438.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-02-23 Raadplegingen: 189 - laatst gezien 2026-07-03 10:52 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het in artikel 48bis, vijfde lid, van de Pachtwet neergelegde verbod voor de pachter die zijn recht van voorkoop heeft overgedragen, om gedurende een periode van negen jaar vanaf de nieuwe pachtperiode de exploitatie van het goed over te dragen aan derden, en de op overtreding ervan bepaalde sanctie, zijn ook toepasselijk in het geval dat de pachter die nieuwe pacht beëindigt binnen die termijn van negen jaar. Thesaurus CAS: PACHT Vrije woorden: PACHT Voorkooprecht Overdracht Verbod tot overdracht van de exploitatie van het goed Wettelijke bepalingen: Wet - 04-11-1969 - Art.48bis Tekst van de beslissing Nr. C.02.0438.N

  1. T.F.,
  2. B.M., eisers, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  3. D.J.
  4. D.M.,
  5. D.B.,
  6. D.D., verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  7. T.R., verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 25 januari 2002 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middelen De eisers voeren in hun verzoekschrift drie middelen aan.
  8. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 1142 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; artikel 48bis, inzonderheid vijfde lid, van de Pachtwet (afdeling III van hoofdstuk II van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 4 november 1969) ingevoegd bij artikel 1, wet 12 juni 1975 en vervangen bij artikel 31 van de wet 7 november
  9. Aangevochten beslissingen Het aangevochten vonnis beslist als volgt : "Overeenkomstig artikel 48bis, vierde lid, Landpachtwet ontstaat er, in geval van uitoefening of van overdracht van het recht van voorkoop door de pachter, van rechtswege een nieuwe pacht op de verjaardag van de ingenotstreding van het landbouwgoed, die volgt op de datum van de aankoop. Ter zake hebben (de eisers) met de kopers NV Immobland en BVBA Fredimmo een nieuwe pachtovereenkomst ondertekend ingaande op 1 oktober 1990, lopende tot 30 september
  10. Overeenkomstig artikel 48bis, vijfde lid, Landpachtwet mag de pachter lopende deze nieuwe pachtovereenkomst gedurende negen jaren de exploitatie van het goed niet overdragen aan derden behoudens de bij wet vermelde afstammelingen of aanverwanten. (De eisers) houden voor dat uit deze laatste bepaling enkel volgt dat zij de exploitatie van het landbouwgoed niet mochten overdragen aan derden, hetgeen niet gelijk te stellen zou zijn met de eenvoudige stopzetting van hun landbouwactiviteiten en de minnelijke ontbinding der pachtovereenkomst zoals door hen uitgevoerd, zodat de sanctie van artikel 48bis, laatste lid, Landpachtwet hierop niet toepasselijk zou zijn. Dit standpunt kan niet worden gevolgd. Het oordeel van de eerste rechter nopens de toepasselijkheid van artikel 48bis, Landpachtwet dient derhalve te worden bijgetreden, zodat het hoger beroep van (de eisers) wat dit betreft ongegrond voorkomt" (p. 3-4 van het vonnis). De eerste rechter, wiens motieven de rechtbank van eerste aanleg als herhaald beschouwt in het geding in hoger beroep (aangevochten vonnis, p. 2, II, 1) overweegt bovendien (3de bladzijde, vierde laatste alinea) dat een letterlijke lezing van de wettekst trouwens ook wordt gerespecteerd, wanneer men vaststelt dat de gronden nu niet meer door de pachters geëxploiteerd worden, maar door de promotoren die er woningen op bouwen en aan wie de exploitatie alzo overgedragen werd. Grieven 1.
  11. Eerste onderdeel Volgens artikel 48bis, vijfde lid, van de Pachtwet, mag de pachter - in deze zaak de eisers - die zijn recht van voorkoop heeft overgedragen onder de in dit artikel gestelde voorwaarden, gedurende een periode van negen jaren, te rekenen vanaf het begin van de nieuwe pachtperiode, bedoeld in het derde (lees : vierde lid) de exploitatie van het goed niet overdragen aan andere personen dan zijn echtgenoot, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van voornoemde afstammelingen of aangenomen kinderen. Bij overtreding van dit verbod om de exploitatie van het geachte goed aan anderen dan zo-even opgesomde verwanten over te dragen, is de pachter verplicht aan de verkoper - in deze zaak : de vier eerste verweerders - een schadevergoeding te betalen van vijftig pct. van de verkoopprijs van de betrokken percelen. Gelet op de bewoordingen van het vijfde lid van artikel 48bis van de Pachtwet wordt enkel een exploitatie-overdracht bedoeld. De pachter die zijn voorkooprecht heeft overgedragen aan derden, mag de exploitatie van de gepachte percelen niet overdragen aan derden, anderen dan zijn voornoemde verwanten. Het verbod van exploitatie-overdracht mag evenwel niet worden gelijkgesteld met een exploitatieplicht. Het verbod creëert immers een verbintenis om iets niet te doen, namelijk de exploitatie van de gepachte percelen aan derde, niet bevoorrechte familieleden overdragen, maar verhindert geenszins dat de pachter de pachtovereenkomst zou beëindigen. De verplichting om de gepachte percelen zelf te blijven exploiteren creëert daarentegen een voortdurende verbintenis om iets te doen. Het aangevochten vonnis geeft dus een te ruime interpretatie aan het vijfde lid van artikel 48bis van de Pachtwet (waardoor het bedoelde wetsbepaling schendt), en verwart bovendien een verbintenis om iets niet te doen met een verbintenis om iets te doen, hetgeen een schending inhoudt van artikel 1142 van het Burgerlijk Wetboek). 1.
  12. Tweede onderdeel De door artikel 48bis, vijfde lid, van de Pachtwet, bedoelde (en in beginsel verboden) exploitatie-overdracht betreft enkel een rechtstreekse overdracht, maar geen pachtbeëindiging gevolgd door een exploitatie door de verpachters, zeker wanneer dezen op de voorheen verpachte percelen geen landbouwbedrijf uitoefenden. Door de hierboven geciteerde en door de rechtbank van eerste aanleg overgenomen overweging van de eerste rechter in dit verband schendt het vonnis derhalve artikel 48bis, vijfde lid, van de Pachtwet.
  13. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ; &§9472; de artikelen 1108, 1134, 1135, 1137, 1708, 1779, 1984, 1985, 1991, 1992 en 1993 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De rechtbank van eerste aanleg beslist dat voldoende blijkt : "Dat (vijfde verweerder) niet is opgetreden als raadsman van (de eisers) doch wel voor Dhr. B. en D., organen van de NV Immobland en BVBA Fredimmo, zijnde de verpachters. Dit blijkt voldoende uit het feit dat (de vijfde verweerder) is opgetreden als raadsman van de NV Immobland vertegenwoordigd door Dhr. E. D. en van de BVBA Fredimmo aan wie de afrekening werd gericht (st. 5 tot en met 7). (De eisers) daarentegen hadden zich gewend tot een technisch raadsman, Dhr. B. van het landbouwkrediet, die (de eisers) beschreef als zijn cliënten. Uit het feit dat het verzoekschrift tot machtiging der pachtbeëindiging uiteindelijk werd geredigeerd door (de vijfde verweerder) volgt niet noodzakelijk dat hij zou zijn opgetreden als raadsman van (de eisers), nu (dezen) en de NV Immobland en BVBA Fredimmo voor wat betreft de pachtbeëindiging gelijklopende belangen hadden en (de eisers) aldus, samen met hun technische raadsman, Dhr. B., het aan de raadsman van de NV Immobland en BVBA Fredimmo hebben overgelaten een verzoekschrift op te stellen. Dit blijkt uit de redactie van het verzoekschrift dd. 22 februari 1994, waar werd vermeld dat (de eisers) 'voor het verzoekschrift' werd vertegenwoordigd door (de vijfde verweerder) terwijl zij in persoon aanwezig zouden zijn, waaruit blijkt dat niet werd vermeld dat zij 'hebben als raadsman' (de vijfde verweerder). Dergelijke passus in het verzoekschrift wordt door deze rechtbank begrepen als dat (de vijfde verweerder) instond voor de neerlegging van het verzoekschrift zonder meer, doch niet dat hij optrad als raadsman van (de eisers). Hieruit volgt dat er geen contractuele band bestond tussen (de eisers) en (de vijfde verweerder), die reeds optrad als raadsman van de NV Immobland en de BVBA Fredimmo zodat (de vijfde verweerder) dan ook geen contractuele verbintenissen tot raad en bijstand had opzichtens (de eisers)". Grieven 2.
  14. Eerste onderdeel De eisers voerden in hun verzoekschrift tot hoger beroep aan : "Voorafgaandelijk aan de redactie van het verzoekschrift voor (de eisers) (opgesteld door (de vijfde verweerder) - hetgeen niet wordt betwist) heeft een consultatie plaatsgevonden op het kantoor van (de vijfde verweerder), waarbij werd afgesproken dat voorgenoemde ervoor zou zorgen dat, conform de wet, machtiging tot beëindiging van de exploitatie en de minnelijke pachtbeëindiging zou worden geregeld. (De vijfde verweerder) was er zich trouwens uitdrukkelijk van bewust dat zich mogelijk een probleem kan stellen met toepassing van art. 48bis, Pachtwet". De eisers voegden daaraan toe dat het neergelegde verzoekschrift alleen in opdracht van henzelf kon worden neergelegd, mede gelet op de inhoud en bedoeling ervan. Dit verzoekschrift bevatte immers enkel het standpunt van de eisers : "Zij, (de eisers) zouden hun zelfstandige activiteit willen stopzetten na het seizoen 1995, hetzij dus tegen 30 september
  15. Voor zover dit nodig mocht zijn en om ieder risico van toepassing van artikel 48bis te vermijden, wensen (de eisers) om de vermelde ernstige redenen bij toepassing van artikel 48bis, laatste alinea, voorafgaandelijke machtiging te vragen om de pachtovereenkomst te mogen beëindigen". De eisers betoogden verder nog dat de vijfde verweerder ook nadien, in maart 1994, een afschrift van het proces-verbaal houdende homologatie bestelde ter griffie van het vredegerecht. Zij leiden daaruit af dat de vijfde verweerder optrad in hun opdracht, hun belangen diende te verdedigen en hun de nodige informatie diende te verschaffen, en dat zijn opdracht niet voltooid was bij de neerlegging van het verzoekschrift. Geen enkel motief of considerans van het aangevochten vonnis weerlegt de in dit middel van de eisers opgesomde feiten. Daardoor schendt het aangevochten vonnis artikel 149 van de Grondwet. 2.
  16. Tweede onderdeel Het aangevochten vonnis stelt vast dat de vijfde verweerder is opgetreden als raadsman van de heer B. en dat de eisers het samen met hun technisch raadsman, voornoemde heer B., aan de raadsman van de NV Immobland en BVBA Fredimmo hebben overgelaten een verzoekschrift op te stellen. Uit deze vaststellingen volgt dat de eisers - wellicht via hun technische raadsman de vijfde verweerder ermee belastten het verzoekschrift tot machtiging van de pachtbeëindiging op te stellen, of daar althans akkoord mee gingen terwijl de vijfde verweerder wist dat hij optrad mede namens de eisers en dit aanvaardde. Dit impliceert op zijn beurt dat tussen de eisers en de vijfde verweerder een overeenkomst van huur van werk of diensten tot stand kwam met alle verplichtingen die daaruit voor de vijfde verweerder voortvloeien, des te meer nu het aangevochten vonnis de in de eerste grief vermelde feiten niet weerlegt. Door te beslissen dat tussen de eisers en de vijfde verweerder geen contractuele band bestond, zodat de vijfde verweerder dan ook geen contractuele verbintenissen tot raad en bijstand had jegens de eisers, heeft het aangevochten vonnis de artikelen 1108, 1134, 1135, 1137, 1708 en 1779 in het Burgerlijk Wetboek geschonden). 2.
  17. Derde onderdeel Het aangevochten vonnis stelt ook nog vast dat de eisers "voor het verzoekschrift" werden vertegenwoordigd door de vijfde verweerder. Daaruit volgt dat tussen de eisers en de vijfde verweerder een contract van lastgeving bestond met de daaraan verbonden informatie- en raadgevingsplicht. Het aangevochten vonnis kon dan ook niet wettig beslissen dat er tussen de eisers en de vijfde verweerder geen contractuele band bestond zodat de vijfde verweerder geen contractuele verbintenissen had tot raad en bijstand van de eisers (schending van de artikelen 1134, 1135, 1137, 1984, 1985, 1991, 1992 en 1993 van het Burgerlijk Wetboek).
  18. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de Grondwet ; &§9472; de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ; en voor zover als nodig &§9472; de artikelen 1150 en 1151 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het aangevochten vonnis beslist : "(De vijfde verweerder) kan evenmin door (de eisers) worden aangesproken op grond van een fout overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, nu de schrapping van de machtiging overeenkomstig artikel 48bis Landpachtwet en het ondertekenen van de zuivere en eenvoudige pachtbeëindiging buiten de aanwezigheid van (de vijfde verweerder) is doorgegaan zodat hijzelf hierbij geen enkel initiatief heeft gehad. Immers kan niet worden voorbijgegaan aan de vaststelling dat dit feit, met name dat bij de persoonlijke verschijning van (de eisers) samen met de NV Immobland en de BVBA Fredimmo de zuivere pachtbeëindiging werd ondertekend, in hoofde van (de eisers) de schuld heeft doen ontstaan overeenkomstig artikel 48bis, laatste lid, Landpachtwet tot betaling van een schadevergoeding van 50 pct. der bedongen verkoopprijs. Zelfs indien het verzoekschrift, door (de vijfde verweerder) neergelegd, niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 48bis Landpachtwet (waarbij (de eisers) zich via hun technische raadsman Dhr. B. voor 100 pct. akkoord hadden verklaard), dan nog kon bij de persoonlijke verschijning dd. 22 februari 1994 worden geacteerd dat geen machtiging werd verleend en dat de pachtovereenkomst niet werd beëindigd, zodat artikel 48bis, laatste lid, Landpachtwet ter zake niet van toepassing zou geweest zijn. Samen met de eerste rechter is deze rechtbank evenwel van oordeel dat (de eisers) en de NV Immobland en de BVBA Fredimmo hoe dan ook de pachtbeëindiging wilden nastreven, nu de landbouwgronden dienaangaande reeds waren bestemd als bouwgrond, zoals dit reeds vermeld werd in de akte van overdracht van het recht van voorkoop tussen partijen dd. 25 januari 1990 (st. 2, derde blz. (eerste vier verweerders)). Het feit dat de partijen aldus op 22 februari 1994 de pachtbeëindiging hebben geacteerd zonder machtiging overeenkomstig artikel 48bis Landpachtwet is derhalve aan hun eigen optreden toe te schrijven en geenszins aan enige fout in hoofde van (de vijfde verweerder), die overigens ter zitting in raadkamer dd. 22 februari 1994 niet aanwezig was. (...) Aldus kan in hoofde van de vijfde verweerder geen contractuele noch quasi-delictuele fout worden weerhouden die hem aansprakelijk zou stellen voor de schade die (de eisers) hebben geleden. Deze schade is ontstaan ten gevolge van het feit dat zij op 22 februari 1994 de zuivere pachtbeëindiging hebben aanvaard en ondertekend, waarbij de sanctie van artikel 48bis, laatste lid, Landpachtwet toepasselijk werd. De vordering van (de eisers) tot vrijwaring opzichtens (de vijfde verweerder) is dan ook in graad van beroep ongegrond gebleven. Het hoger beroep van (de eisers) is dan ook wat dit betreft ongegrond". Grieven In verband met de quasi-delictuele aansprakelijkheid van de vijfde verweerder voerden de eisers aan dat hij verzuimd had zijn rol aan te geven als advocaat van de NV Immobland en de BVBA Fredimmo, en dat hij tevens de schijn had gewekt dat zij in de toekomst geen enkel risico liepen in verband met artikel 48bis van de Pachtwet. Zij betoogden verder dat hij tekort kwam aan zijn loyauteitsplicht door hen niet correct te informeren en hen niet aan te raden een andere advocaat te raadplegen, zeker toen hij een afschrift van het proces-verbaal van homologatie ontving waarin enkel de pachtbeëindiging voorkwam. De eisers betoogden verder dat die door de vijfde verweerder begane fouten in oorzakelijk verband stonden met de door hen geleden schade. 3.
  19. Eerste onderdeel De omstandigheid dat bij de persoonlijke verschijning van 22 februari 1994 kon worden geacteerd dat geen machtiging werd verleend en dat de pachtovereenkomst niet werd beëindigd, zodat artikel 48bis, laatste lid, van de Pachtwet ter zake niet van toepassing zou zijn geweest, neemt het oorzakelijk verband tussen de aan de vijfde verweerder verweten fouten en de schade van de eisers niet weg. De beslissing dat geen oorzakelijk verband bestaat tussen een aangevoerde fout en de schade is immers enkel naar recht verantwoord, als de rechter vaststelt dat deze schade, zoals ze zich in concreto voordeed, zonder de fout niet zou hebben plaatsgehad. Het feit dat de schade in deze zaak had kunnen worden vermeden indien bij de persoonlijke verschijning van 22 februari 1994 de pachtovereenkomst niet werd beëindigd, houdt geen zodanige vaststelling in. Opdat een fout in oorzakelijk verband met de schade zou staan, is overigens weliswaar vereist dat ze in concreto noodzakelijk was voor die schade, maar niet dat deze schade een onvermijdelijk gevolg was van de fout. Het aangevochten vonnis miskent derhalve het wettelijk begrip oorzaak en schendt daardoor de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek (en eventueel ook de artikelen 1150 en 1151 van hetzelfde wetboek). 3.
  20. Tweede onderdeel De omstandigheid dat de schade ook te wijten is aan het eigen optreden van de benadeelden - in deze zaak de eisers - wettigt geenszins de ontkenning van elk oorzakelijk verband tussen de fout van een derde in deze zaak : de vijfde verweerder - en de schade, aangezien de schade te wijten kan zijn aan de fout van verschillende partijen. Het aangevochten vonnis schendt dus ook in dat opzicht de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek (en eventueel ook de artikelen 1150 en 1151 van hetzelfde wetboek). 3.
  21. Derde onderdeel Het eigen optreden van de benadeelde kan slechts enige invloed hebben op de omvang van de aansprakelijkheid van de mede-veroorzaker van de schade, indien dit optreden een foutief karakter vertoont. Het aangevochten vonnis stelt echter nergens vast dat de eisers enige fout begingen. Het schendt daardoor andermaal de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek (en eventueel de artikelen 1150 en 1151 van hetzelfde wetboek). 3.
  22. Vierde onderdeel Zelfs indien de schade van de benadeelde - in de zaak de eisers - ook te wijten zou zijn aan zijn eigen foutief optreden, dan kan deze omstandigheid hoogstens leiden tot een verdeling van de aansprakelijkheden, doch geenszins tot de ontkenning van de aansprakelijkheid van de derde wiens fout de schade mede heeft veroorzaakt (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en eventueel de artikelen 1150 en 1151 van het hetzelfde wetboek). 3.
  23. Vijfde onderdeel 3.5.
  24. De grief dat de eisers en de NV Immobland en de BVBA Fredimmo hoe dan ook de pachtbeëindiging zouden hebben willen nastreven, houdt niet in dat de eisers die pachtbeëindiging ook wilden nastreven indien zij wisten dat zij daardoor aan de eerste vier verweerders schadevergoeding moesten betalen ten belope van de helft van de verkoopprijs van de door hen betrokken percelen. Dat feit impliceert dus helemaal niet dat de eisers de pachtbeëindiging zouden hebben nagestreefd, indien de vijfde verweerder de hem verweten fouten niet had begaan en hen met name correct had geïnformeerd over de risico's van een exploitatiebeëindiging zonder machtiging van de vrederechter (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en eventueel de artikelen 1150 en 1151 van hetzelfde wetboek). 3.5.
  25. In elk geval laat de overweging van het aangevochten vonnis, volgens welke de eisers de pachtbeëindiging hoe dan ook wilden nastreven, het antwoord op de vraag in het ongewisse of de verweerders daartoe bereid zouden zijn geweest, indien de vijfde verweerder hen had gewezen op het risico van een schadevergoeding ten belope van de helft van de verkoopprijs te moeten betalen of indien hij hen had geadviseerd een andere raadsman te consulteren. Deze dubbelzinnigheid van de motivering maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. IV. Beslissing van het Hof Eerste middel 1.
  26. Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 48bis, eerste lid, van de Pachtwet, de pachter zijn recht van voorkoop voor het gehele goed, of voor een deel ervan indien hij het voor het overige deel zelf uitoefent, aan één of meer derden kan overdragen tegen de in die wet bepaalde voorwaarden ; Dat, krachtens het vierde lid van dit artikel, er alsdan van rechtswege pachtvernieuwing ten voordele van de pachter ontstaat, ingaande op de verjaardag van de ingenottreding van de pachter die volgt op de datum van aankoop door de derde ; Dat, krachtens het vijfde lid van dit artikel, de pachter die zijn recht van voorkoop aldus heeft overgedragen, gedurende een periode van negen jaar te rekenen vanaf het begin van de nieuwe pachtperiode, bedoeld in het derde lid, de exploitatie van het goed niet mag overdragen aan andere personen dan zijn echtgenoot, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen ; Dat, krachtens het laatste lid van dit artikel, bij overtreding van dit verbod, de pachter aan de verkoper een schadevergoeding, gelijk aan 50 pct. van de verkoopprijs van de betrokken percelen, verschuldigd is, tenzij hij vooraf op grond van ernstige redenen, machtiging van de vrederechter heeft verkregen ; Dat dit verbod en de op de overtreding ervan bepaalde sanctie ook toepasselijk zijn in het geval dat de pachter die nieuwe pacht beëindigt binnen die bepaalde termijn van negen jaar ; Dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat dit niet het geval is, faalt naar recht ; 1.
  27. Tweede onderdeel Overwegende dat uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het tweede onderdeel eveneens faalt naar recht ;
  28. Tweede middel 2.
  29. Eerste onderdeel Overwegende dat het bestreden vonnis vaststelt dat :
  30. de vijfde verweerder is opgetreden als de raadsman van de kopers ;
  31. de afrekening werd gericht aan de vijfde verweerder ;
  32. de eisers zich daarentegen hebben gewend tot een technisch raadsman B. van het landbouwkrediet en deze de eisers beschreef als zijn cliënten ; Overwegende dat het vonnis verder oordeelt dat :
  33. uit het feit dat het verzoekschrift tot machtiging van de pachtbeëindiging werd opgesteld door de vijfde verweerder, niet noodzakelijk volgt dat deze zou zijn opgetreden als de raadsman van de eisers omdat de kopers gelijklopende belangen hadden met de eisers en deze het samen met hun raadsman B. hebben overgelaten aan de raadsman van de kopers om een verzoekschrift op te stellen ;
  34. uit de redactie van het verzoekschrift blijkt dat de eisers "'voor het verzoekschrift' werden vertegenwoordigd door (de vijfde verweerder)" terwijl zij in persoon zouden aanwezig zijn en niet werd vermeld dat zij de vijfde verweerder "hebben als raadsman" ;
  35. er aldus tussen de eisers en de vijfde verweerder geen contractuele band bestond met verbintenissen tot raad en bijstand ten overstaan van de eisers ; Dat het bestreden vonnis aldus de feitelijke gegevens aangeeft waarop het zijn beslissing laat steunen en de andere en daarmee strijdige feitelijke gegevens verwerpt en beantwoordt ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 2.
  36. Tweede onderdeel Overwegende dat uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het onderdeel, in zoverre het ervan uitgaat dat het bestreden vonnis het in het eerste onderdeel bedoelde verweer niet beantwoordt, berust op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis, mitsdien feitelijke grondslag mist ; Overwegende dat het onderdeel verder opkomt tegen de beoordeling in feite door de appèlrechters, mitsdien in zoverre niet ontvankelijk is ; 2.
  37. Derde onderdeel Overwegende dat uit het enkele feit dat de vijfde verweerder de eisers "voor het verzoekschrift vertegenwoordigd heeft", in de uitlegging die het bestreden vonnis aan de vermeldingen in het verzoekschrift geeft, niet volgt dat er tussen de eisers en de vijfde verweerder een contract van lastgeving bestond met een daaraan verbonden informatie- en raadgevingsplicht ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
  38. Derde middel 3.
  39. Eerste en tweede onderdeel Overwegende dat het bestreden vonnis zijn beslissing van die verwerping van de vordering tot vrijwaring van de eisers tegen de vijfde verweerder op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid in de eerste plaats laat steunen op de afwezigheid van fout van de vijfde verweerder op grond dat de ondertekening van de zuivere en eenvoudige pachtbeëindiging buiten de aanwezigheid van de vijfde verweerder heeft plaats gehad en hij daarbij geen initiatiefrecht heeft gehad ; Dat het die verwerping aldus laat steunen op de afwezigheid van fout van de vijfde verweerder ; Dat de onderdelen die opkomen tegen redenen over het oorzakelijk verband tussen fout en schade niet tot cassatie kunnen leiden, mitsdien niet ontvankelijk zijn ; 3.
  40. Derde en vierde onderdeel Overwegende dat het bestreden vonnis op grond van afwezigheid van fout van de vijfde verweerder beslist dat hij niet aansprakelijk is voor de schade van de eisers ; Dat de onderdelen die ervan uitgaan dat de eisers "medeveroorzaker(s)" zijn van de schade, feitelijke grondslag missen ; 3.
  41. Vijfde onderdeel Overwegende dat het bestreden vonnis met de reden dat de eisers en de kopers "hoe dan ook" de pacht willen beëindigen omdat de landbouwgronden reeds als bouwgrond bestemd waren, zonder de aangevoerde dubbelzinnigheid uitsluit dat een fout van de vijfde verweerder zou hebben kunnen bijdragen tot de schade van de eisers ; Dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat dit wel het geval is, opkomt tegen beoordeling in feite door de appèlrechters ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van duizend tweehonderd negenennegentig euro negenenzestig cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd negentig euro negenennegentig cent jegens de verwerende partijen sub 1 tot en met
  42. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051027.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.