id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art.14
,§1 Fiches 2 - 4 De Raad van State, afdeling administratie, is niet bevoegd om te oordelen over een vordering tot schorsing van de beslissing van een vereniging van privaatrechtelijke aard, zoals een vereniging zonder winstoogmerk, die - ook al is ze opgericht of erkend door een administratieve overheid en onderworpen aan een controle van de overheid en al wordt haar een taak van algemeen belang toevertrouwd - geen beslissingen kan nemen die derden kunnen binden; dit is het geval wanneer die vereniging handelt volgens nauwkeurig opgelegde criteria en geen eigen beslissingsmacht heeft
(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE Vrije woorden: RAAD VAN STATE Afdeling administratie Bevoegdheid Beroep tot schorsing Vereniging zonder winstoogmerk Administratieve overheid Beslissingen bindend voor derden Wettelijke bepalingen:
Art.14
,§1 Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE Vrije woorden: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE Raad van State Afdeling administratie Bevoegdheid Beroep tot schorsing Vereniging zonder winstoogmerk Administratieve overheid Beslissingen bindend voor derden Wettelijke bepalingen:
Art.14
,§1 Thesaurus CAS: VERENIGING ZONDER WINSTOOGMERK Vrije woorden: VERENIGING ZONDER WINSTOOGMERK Administratieve overheid Beslissingen bindend voor derden Begrip Beroep tot schorsing Raad van State Afdeling administratie Bevoegdheid Wettelijke bepalingen:
Art.14,§1 Fiches 5 - 8 Concl.
adv.-gen. DUBRULLE, Cass., 28 okt. 2005, AR C.04.0575.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE Vrije woorden: RAAD VAN STATE Afdeling administratie Bevoegdheid Beroep tot nietigverklaring Akten en reglementen van administratieve overheden Administratieve overheden RAAD VAN STATE Afdeling administratie Bevoegdheid Beroep tot schorsing Vereniging zonder winstoogmerk Administratieve overheid Beslissingen bindend voor derden Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE Vrije woorden: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE Raad van State Afdeling administratie Bevoegdheid Beroep tot schorsing Vereniging zonder winstoogmerk Administratieve overheid Beslissingen bindend voor derden Thesaurus CAS: VERENIGING ZONDER WINSTOOGMERK Vrije woorden: VERENIGING ZONDER WINSTOOGMERK Administratieve overheid Beslissingen bindend voor derden Begrip Beroep tot schorsing Raad van State Afdeling administratie Bevoegdheid Nota: C.04.0575.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE 1. Feiten, procedure en bestreden arrest. De V.Z.W. BOFAS
(1)stuurde op 7 september 2004 een schrijven aan eiseres waarin zij meldde dat zij een raamcontract wenste te sluiten voor een periode van twee jaar met een aantal erkende bodemsaneringsdeskundigen voor de uitvoering van haar opdrachten in het kader van de samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot de bodemsanering van tankstations. Eiseres registreerde zich op de website van verweerster en diende op 22 september 2004 een offerte in met het oog op de opening van de offertes op 30 september 2004. Eiseres interpreteerde het bericht per e-mail van verweerster van 15 oktober 2004 juridisch als een verwerping van de inschrijving. Bij verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, ingediend op 28 oktober 2004, vorderde eiseres de Raad van State, bij hoogdringendheid, de schorsing uit te spreken van de tenuitvoerlegging van de beslissing van verweerster van onbekende datum om haar niet te selecteren in het kader van de offerteaanvraag 03.09.04 met het oog op het sluiten van een raamovereenkomst voor opdrachten aan bodemsaneringsdeskundigen op grond van het bestek en aldus eiseres voor twee jaren uit te sluiten als bodemsaneringsdeskundige voor de uitvoering van project-specifieke offertes betreffende bodemsaneringen van tankstations. Op de door verweerster voorgedragen exceptie van onbevoegdheid, besliste de Voorzitter van de twaalfde kamer van de afdeling administratie van de Raad van State, bij het bestreden arrest van 10 november 2004, evenwel de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen, op grond van het oordeel dat, om de reden dat "de verwerende partij geen beslissingen lijkt te kunnen nemen die derden binden (...) zij dienvolgens ook bij het nemen van de bestreden beslissing niet is kunnen optreden als administratieve overheid in de zin van (...) artikel 14, ,§ 1 (van de gecoördineerde wetten op de Raad van State)
(2); dat het aldus de Raad van State niet lijkt toe te komen van het beroep tot nietigverklaring en bijgevolg evenmin van de vordering tot schorsing kennis te nemen; dat de exceptie in die mate wordt aanvaard".
- Vormen en termijn van het cassatieberoep. Krachtens het artikel 33, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (K.B. 12 januari 1973) wordt het cassatieberoep bij request der belanghebbende partij en overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek ingediend en bepaalt een koninklijk besluit de vormen en de termijnen van rechtspleging. Het bestreden arrest werd ter kennis gebracht van de raadslieden van de partijen bij ter post aangetekende brieven van 16 november
- De voorziening in cassatie tegen dit arrest werd rechtsgeldig betekend op 9 december 2004 en bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 10 december 2004, d.i. in de bij de het voormeld artikel 33 en bij de artikelen 1073 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde vormen en termijn. Het cassatieberoep is derhalve ontvankelijk.
- Cassatieberoep tegen een arrest gewezen op een vordering tot schorsing. Krachtens het eerste lid van het voormeld artikel 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en het artikel 609, 2° van het Gerechtelijk Wetboek doet het Hof van cassatie uitspraak over de voorziening in cassatie tegen de arresten waarbij de afdeling administratie van de Raad van State beslist van de vordering geen kennis te kunnen nemen, daar deze tot de bevoegdheid van de rechterlijke overheid behoort en tegen de arresten waarbij zij afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid, gegrond op de overweging dat de vordering tot de bevoegdheid van deze overheid behoort. Waar een voorziening in cassatie tegen een arrest van de Raad van State houdende een beslissing in de eerst vermelde zin, zoals te dezen, d.i. van "onbevoegdheid", in beginsel dus openstaat, rijst de vraag of dit rechtsmiddel ook kan gehanteerd worden tegen een arrest waarbij
- de voorzitter van een kamer van de afdeling administratie tot "onbevoegdheid" besluit en, bovendien,
- naar aanleiding van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Het antwoord hierop lijkt me bevestigend te moeten zijn. Vooreerst stelt zowel het vermeld artikel 609, 2°, Ger. W. als het vermeld artikel 33, eerste lid, in algemene termen dat bij het Hof van Cassatie kunnen worden aanhangig gemaakt de arresten waarbij de afdeling administratie (van de Raad van State) beslist van de eis geen kennis te kunnen nemen, op de genoemde gronden. Dit artikel 33 werd niet gewijzigd door de wet van 19 juli 1991 tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, houdende invoering van het administratief kort geding (en instelling van een betrekking van griffier-informaticus). Bovendien bepaalt het artikel 17, ,§ 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten, zoals wel vervangen, bij artikel 1 van die wet van 19 juli 1991 (en gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 25 mei 1999), dat, wanneer een akte of een reglement van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 14, ,§ 1, de Raad van State als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan kan bevelen. Enerzijds wordt, krachtens het tweede lid van dat artikel 17, ,§ 1, de schorsing bevolen bij gemotiveerd arrest van de voorzitter van de geadieerde kamer. Anderzijds volgt uit die bepaling ook dat de Raad van State alleen bevoegd is om, in het kader van een administratief kort geding, de schorsing van een akte van een administratieve overheid te bevelen als de raad bevoegd is om die akte te vernietigen. Aangezien de schorsingsbevoegdheid dus bepaald wordt door de vernietigingsbevoegdheid lijken me de excepties van onbevoegdheid in de schorsingsprocedure aan dezelfde regels te moeten onderworpen worden als in de vernietigingsprocedure, ook wat betreft het rechtsmiddel tegen de beslissing over die excepties. Overigens heeft het Hof reeds, zij het impliciet, bij arrest van 15 oktober 1993
(3), een cassatieberoep tegen een schorsingsarrest ontvangen. 4. Het conflict van attributie. Het (enig) cassatiemiddel voert aan dat het bestreden arrest niet wettig ertoe kon besluiten dat verweerster geen beslissingen lijkt te kunnen nemen die derden binden en dus geen administratieve overheid is. In zijn antwoord op de exceptie van onbevoegdheid stelt dit arrest de wettelijke regel voorop: artikel 14, ,§ 1 van de gecoördineerde wetten bepaalt dat de afdeling administratie van de Raad van State, bij wijze van arresten, uitspraak doet over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld, onder meer, tegen akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. Het arrest past vervolgens daarop de door het Hof, in de arresten van 14 februari 1997, 10 september 1999 en 6 september 2002 gestelde jurisprudentiële regel (nog recentelijk bevestigd, namelijk bij arrest van 10 juni 2005
(4)) toe: de instellingen die zijn opgericht door privé-personen, maar erkend door de federale overheid, de overheid van de gemeenschappen en gewesten, de provincies of gemeenten, kunnen als administratieve overheden optreden in de zin van artikel 14 mits hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden. Het arrest stelt dan vast dat verweerster een V.Z.W. is, door vijf andere V.Z.W.'s opgericht, en oordeelt, m.b.t. tot de stortingen die ze als erkend Fonds gerechtigd is van de accijnsplichtige ondernemingen te vorderen voor het volbrengen van haar opdracht en de dekking van haar werkingskosten, dat ze "slechts beschikt over een uitvoeringsbevoegdheid zonder eigen beslissingsrecht", alsook dat "(haar) beslissingen genomen naar aanleiding van een aanvraag tot tussenkomst niet het karakter hebben van handelingen die op een dergelijke wijze derden binden, dat door ze te kunnen stellen (zij) als een administratieve overheid in de zin van artikel 14 zou kunnen optreden"
(5). In het cassatiemiddel houdt eiseres voor dat verweerster de bevoegdheid heeft om eenzijdig beslissingen te nemen die derden binden, met name om de stortingen, die ze als erkend Fonds gerechtigd is van de accijnsplichtige ondernemingen te vorderen, niet enkel te innen maar ook vast te stellen, op een voor die ondernemingen bindende wijze. De omstandigheid dat het Fonds vooraf vastgestelde criteria in acht dient te nemen zou daaraan geen afbreuk doen. Behoudens schending van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet en van de artikelen 7, 14 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voert het middel hiervoor ook de schending aan van een aantal technische bepalingen die kracht van wet hebben. De rechtspraak van het Hof inzake de eenzijdige beslissingsbevoegdheid en de deelname aan het openbaar gezag door een privé-instelling
(6)wordt hierbij allerminst in vraag gesteld. 5. Beoordeling. Dit middel lijkt me niet aangenomen te kunnen worden. De vraag of verweerster, een V.Z.W., een administratieve overheid is in de zin van voormeld artikel 14 lijkt me inderdaad ontkennend te moeten beantwoord worden. Voortgaande op de door het Hof, in de voormelde arresten van 14 februari 1997, 10 september 1999 en 6 september 2002 (en 10 juni 2005)
(7), gestelde vereiste dat, om als administratieve overheid te kunnen beschouwd worden, de bedoelde overheid beslissingen kan nemen die derden binden, dient besloten te worden dat verweerster daaraan niet beantwoordt. Immers, volgens de niet betwiste vaststellingen van het arrest is verweerster een vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 opgericht door vijf andere verenigingen zonder winstoogmerk en waarvan alleen voor de sector van de minerale oliën representatieve beroepsverenigingen lid kunnen zijn en is ze dus een instelling die louter door privé-(rechts)personen is opgericht. Dat zij
(1)erkend is door de Interregionale Bodemsaneringscommissie bij toepassing van artikel 9 van het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en de financiering van de bodemsanering van tankstations (waarmee werd ingestemd bij wet van 26 augustus 2003),
(2)haar een taak van algemeen belang door die commissie is verleend en
(3)die commissie een toezicht heeft op haar werking, moet volgens het bestreden arrest niet nader onderzocht worden "ingeval mocht blijken dat (zij) niet vermag derden te binden". Het arrest besluit dat zulks niet blijkt omdat verweerster "slechts beschikt over een uitvoeringsbevoegdheid zonder eigen beslissingsrecht", alsook omdat ze evenmin de eindbeslissing neemt over een bezwaar van een accijnsplichtige onderneming tegen het betekende bedrag van de bijdrage, daar de bevoegde federale administratie dit beoordeelt en omdat niet lijkt te zijn voorzien in een sanctie die verweerster zelf kan opleggen bij niet-betaling. Uit de relevante en overwegend gelijkluidende bepalingen van voornoemd Samenwerkingsakkoord en van het besluit van 3 maart 2004 van de Interregionale Bodemsaneringscommissie, waarbij verweerster als Fonds werd erkend blijkt inderdaad niet dat ze enige beslissing kan nemen die derden bindt, ook niet m.b.t. tot bedoeld bezwaar. Een V.Z.W., ook al is ze onderworpen aan een controle van de overheid maar die geen beslissingen kan nemen die derden binden, verliest haar privaatrechtelijk karakter niet. Daarvoor doet ter zake niet dat haar een taak van algemeen belang wordt toevertrouwd. Het arrest dat, geheel overeenkomstig deze regel, heeft geoordeeld dat verweerster dus geen administratieve overheid is, zodat de Raad van State van een vordering tot schorsing van haar beslissing geen kennis kan nemen, is dus naar recht verantwoord. 6. Conclusie: verwerping. ___________________________
(1)Wat staat voor Bodemsaneringsfonds voor Benzinestations.
(2)Eigen cursivering.
(3)Cass., Ver. K., 15 okt. 1993, A.R. C.93.0045.N ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931015.10, nr. 411, met conclusie 1e A.-G. D'HOORE.
(4)Cass., Ver. K., 14 feb. 1997, A.R. C.96.0211.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970214.7, nr. 88, met conclusie O.M., 10 sept. 1999, A.R. C.98.0141.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990910.5, nr. 452, 6 sept. 2002, A.R. C.01.0382.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020906.4, nr. 422 en 10 juni 2005, A.R. C.04.0278.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.15, www.cass.be, beide laatste met conclusie A.G. Bresseleers.
(5)Eigen cursivering.
(6)Zie voetnoot 4.
(7)Ibid. Tekst van de beslissing Nr. C.04.0575.N GEOSAN, naamloze vennootschap, met zetel te 8870 Izegem, Burgemeester Vandenbogaerdelaan 42, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk, nummer 119.491, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BODEMSANERINGSFONDS VOOR BENZINESTATIONS, in het kort BOFAS, vereniging zonder winstgevend doel, met maatschappelijke zetel te 1140 Evere, Jules Bordetlaan 166, bus 1, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoorhoudende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. Bestreden uitspraak Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 november 2004 gewezen door de Raad van State, afdeling administratie. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. Feiten Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijken de volgende feiten : 1. verweerster heeft op haar website een aankondiging geplaatst om in het kader van haar opdracht raamakkoorden af te sluiten met erkende bodemsaneringsdeskundigen en heeft in die zin ook brieven gestuurd naar erkende bodemsaneringsdeskundigen ; 2. eiseres heeft zich op die website geregistreerd en een offerteaanvraag ingediend ; 3. de offerteaanvraag van eiseres werd niet in aanmerking genomen ; 4. eiseres werd daarvan verwittigd op 15 oktober 2004 ; 5. eiseres heeft dan op 28 oktober 2004 daaropvolgend een verzoekschrift ingediend bij de Raad van State om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de tenuitvoerlegging te schorsen van die beslissing van verweerster ; 6. verweerster heeft de onbevoegdheid van de Raad van State ingeroepen ; 7. de Raad van State heeft bij het bestreden arrest de vordering tot schorsing van eiseres wegens onbevoegdheid verworpen. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 144 en 145 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ; - de artikelen 7, 14 en 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 ; - de artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9, 2°, van het Besluit van de Interregionale Bodemsaneringscommissie van 3 maart 2004 tot erkenning van de vereniging zonder winstoogmerk BOFAS, J. Bordetlaan 166, B1, te 1140 Brussel ; - de artikelen 1, 3, 4, 5 en 10 van het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en de financiering van de bodemsanering van tankstations, afgesloten te Brussel op 13 december 2002, goedgekeurd bij ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 20 december 2002, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 26 februari 2003, decreet van het Waalse Gewest van 15 mei 2003, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 10 juli 2003, decreet van het Vlaamse Gewest van 18 juli 2003, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 19 augustus 2003, en wet van 26 augustus 2003, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 september 2003. Aangevochten beslissing Rechtdoende op eiseres' verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, ingediend op 28 oktober 2004, verklaart de voorzitter van de twaalfde kamer van de Raad van State de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen, na te hebben overwogen : " (...) dat de verzoekende partij (eiseres) in haar inleidend verzoekschrift, anticiperend op de besproken exceptie, gewag maakt van een erkenning die de verwerende partij (de verweerster) verkreeg van de Interregionale Bodemsaneringscommissie tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations ; dat de verzoekende partij voorts verwijst naar een taak van algemeen belang die aan de door de voormelde Commissie erkende rechtspersonen zou zijn verleend en naar een aantal toezichtsvormen vanwege die commissie op de werking van de verwerende partij ; dat echter die erkenning, de genoemde taak en dat toezicht, te dezen niet nader in het onderzoek moeten worden betrokken, ingeval mocht blijken dat de verwerende partij niet vermag derden te binden ; (...) dat de verzoekende partij omtrent die derdenbinding betoogt hetgeen volgt : 'Tenslotte rijst de vraag of verwerende partij ook beslissingen kan nemen die derden binden. Nog afgezien van de tussenkomst van verwerende partij bij de uitvoering van bodemsaneringsprojecten en de procedures die hierbij aan de exploitanten kunnen worden opgelegd - hiertoe heeft verwerende partij zich verbonden overeenkomstig het aangehaalde artikel 11 van het Besluit van 3 maart 2004 om haar werking aan te passen aan de bepalingen van het Samenwerkingsakkoord - is verwerende partij, als 'Fonds' ook gerechtigd om van de accijnsplichtige ondernemingen de stortingen in te vorderen die nodig zijn voor het volbrengen van haar opdracht en voor de dekking van haar werkingskosten. Uit hoofdstuk II van het Besluit van 3 maart 2004 blijkt dat verwerende partij gerechtigd is om van de accijnsplichtige ondernemingen de verschuldigde bedragen in te vorderen, waarbij het Fonds voor de analyse van aardolieproducten aan verwerende partij alle noodzakelijke gegevens moet meedelen die moeten toelaten te onderzoeken of de accijnsplichtige ondernemingen aan de verplichting bedoeld in artikel 4 van het Samenwerkingsakkoord voldoen, d.w.z. gehouden zijn om de verplichte bijdragen ter spijzing van het Fonds (d.w.z. verwerende partij) aan te zuiveren. In artikel 9, 2°, van het Besluit van 3 maart 2004 is terzake bepaald : 'BOFAS' is gehouden tot : 2° het innen van de bijdragen van de accijnsplichtige ondernemingen op niet discriminerende en niet geïndividualiseerde wijze, teneinde de reële en volledige kosten van de verplichtingen die BOFAS ten laste vallen overeenkomstig het besluit en Samenwerkingsakkoord te dekken. BOFAS kan daartoe beroep doen op de diensten van een daartoe gemandateerde bedrijfsrevisor of de bevoegde federale administratie, die gebruik kan maken van de gegevens van het Fonds voor de analyse van aardolieproducten. In dit kader zal door BOFAS een overeenkomst worden afgesloten met de bevoegde federale administratie. Deze overeenkomst dient middels aangetekend schrijven te worden overgemaakt aan de Interregionale Bodemsaneringscommissie binnen drie maanden na publicatie van onderhavig besluit in het Belgisch Staatsblad. M.a.w. de opdracht van verwerende partij gaat kennelijk veel verder dan het louter innen van de door de accijnsplichtige ondernemingen verschuldigde bedragen, maar strekt zich integendeel uit tot de vaststelling van deze bijdragen op basis van de door o.a. het Fonds voor de analyse van aardolieproducten verplicht ter beschikking gestelde gegevens' ; (...) dat het Besluit van 3 maart 2004 van de Interregionale Bodemsaneringscommissie tot erkenning van de vereniging zonder winstoogmerk BOFAS (...) onder meer bepaalt hetgeen volgt : 'Art. 5, ,§ 1. BOFAS ontvangt van de accijnsplichtige ondernemingen de stortingen die nodig zijn voor het volbrengen van zijn opdracht en voor de dekking van zijn werkingskosten. ,§ 2. de verplichte bijdrage die door BOFAS lastens de accijnsplichtige ondernemingen wordt geheven, bedraagt voor :
- a)benzines voor motorvoertuigen (GN 2710 11 41 00 tot 2710 11 59 00) : 0,0052 EUR per liter brandstof die in verbruik wordt gesteld of waarvan een tekort wordt vastgesteld ;
- b)gasolie diesel voor wegvoertuigen (GN 2710 19 41 00 tot 2710 19 49 00) : 0, 0032 EUR per liter brandstof die in verbruik wordt gesteld of waarvan een tekort wordt vastgesteld. (...) Art. 6, ,§ 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 10, 2°, van het Samenwerkingsakkoord en artikel 9, 2°, van huidig besluit, betekent BOFAS de accijnsplichtige ondernemingen, uiterlijk op de laatste werkdag van de derde maand volgend op ieder kwartaal, welke stortingen zij krachtens het Samenwerkingsakkoord verschuldigd zijn en dit op basis van de in de loop van dat kwartaal ter verbruik aangeboden hoeveelheden, zoals deze zijn vastgesteld in het kader van het accijnsstelsel van de minerale oliën. Daartoe meldt het Fonds voor de analyse van aardolieproducten, op basis van de gegevens waarover het beschikt, uiterlijk op de 15e werkdag van de derde maand die volgt op een kwartaal, aan BOFAS, de hoeveelheden die iedere accijnsplichtige onderneming in de loop van dat kwartaal in verbruik heeft gesteld. (...) Art. 7, ,§ 1. Indien BOFAS van oordeel is dat de in artikel 4, ,§ 2, lid 1, van het Samenwerkingsakkoord bedoelde verplichte bijdrage verhoogd moet worden indien zulks noodzakelijk is voor het volbrengen van zijn opdracht en voor de dekking van zijn werkingskosten, dan wel verlaagd kan worden indien zulks de volbrenging van zijn opdracht en de dekking van zijn werkingskosten niet verhindert, dient zij hiertoe een aanvraag in bij de Interregionale Bodemsaneringscommissie. (...) ,§ 4.
- a)Indien de Interregionale Bodemsaneringscommissie een positief advies geeft over de voorgestelde verhoging of verlaging van de bijdrage, stuurt zij het aanvraagdossier ter goedkeuring naar de gewestregeringen en de federale ministers tot wiens bevoegdheid Economische Zaken en Energie behoren.
- b)Indien de voorgestelde verhoging of verlaging van de bijdrage aanvaard wordt, wordt die verrekend via de Programmaovereenkomst bedoeld in artikel 4, ,§ 3, van het Samenwerkingsakkoord volgens de modaliteiten die bepaald worden door de ondertekenaars van de Programmaovereenkomst. ,§ 5. Elke wijziging van de bijdrage zal aanleiding geven tot een wijziging van artikel 4, ,§ 2, van het Samenwerkingsakkoord en huidig besluit' ; (...) dat uit deze bepalingen, althans in de huidige stand van de procedure, moet worden afgeleid dat de verwerende partij, wat de betrokken stortingen betreft, slechts beschikt over een uitvoeringsbevoegdheid zonder eigen beslissingsrecht ; dat zulks ook blijkt uit het feit dat een accijnsplichtige onderneming bezwaar kan aantekenen tegen het betekende bedrag, waarop de bevoegde federale administratie uitspraak doet, (artikel 6, ,§ 2, van het voormelde besluit van 3 maart 2004) zodat de eindbeslissing evenmin door de verwerende partij wordt genomen ; dat voorts niet lijkt te zijn voorzien in een sanctie bij niet-betaling die door de verwerende partij zelf zou mogen worden opgelegd ; (...) dat ten slotte de verzoekende partij tot staving de vermeende bevoegdheid om derden te binden, in ondergeschikte orde nog verwijst naar 'de tussenkomst van verwerende partij bij de uitvoering van de bodemsaneringsprojecten en de procedures die hierbij aan de exploitanten kunnen worden afgelegd'; dat de verzoekende partij daarbij niet nader verduidelijkt welke mogelijke beslissingen zij bedoelt, zodat zeker in de huidige stand van de procedure de vaststelling kan volstaan dat zij klaarblijkelijk de beslissingen bedoelt die de verwerende partij neemt ingeval haar tussenkomst wordt gevraagd bij toepassing van de artikelen 12 en volgende van het voormelde samenwerkingsakkoord ; dat echter de beslissingen van de verwerende partij genomen naar aanleiding van een aanvraag tot tussenkomst niet het karakter hebben van handelingen die op een dergelijke wijze derden binden, dat door ze te kunnen stellen de verwerende partij als een administratieve overheid in de zin van artikel 14 zou kunnen optreden ; (...) dat dienvolgens de verwerende partij geen beslissingen lijkt te kunnen nemen die derden binden ; dat zij dienvolgens ook bij het nemen van de bestreden beslissing niet is kunnen optreden als administratieve overheid in de zin van het voormelde artikel 14, ,§ 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ; dat het aldus de Raad van State niet lijkt toe te komen van het beroep tot nietigverklaring en dienvolgens evenmin van de vordering tot schorsing kennis te nemen ; dat de exceptie in die mate wordt aanvaard". Grieven Luidens artikel 7 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling administratie van deze raad uitspraak bij wijze van arresten in de gevallen voorzien bij deze wet en de bijzondere wetten. Artikel 14 van deze gecoördineerde wetten stelt dat de Raad van State meer bepaald uitspraak doet over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, instellingen opgericht of erkend door de federale overheid. Artikel 17, ,§ 1, van diezelfde wetten bepaalt voorts dat wanneer een akte of een reglement van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 14, eerste lid, de Raad van State als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging kan bevelen. Instellingen opgericht of erkend door de federale overheid, de overheid van de gemeenschappen en gewesten, de provincies of gemeenten, die belast zijn met een openbare dienst en niet behoren tot de rechterlijke of wetgevende macht, zijn in beginsel administratieve overheden in de zin van dit artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in zoverre hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden, meer bepaald door de eigen verplichtingen tegenover anderen eenzijdig te bepalen of door verplichtingen van die anderen eenzijdig vast te stellen. Een der elementen ter identificering van een administratieve overheid in de zin van artikel 14, ,§ 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bestaat zodoende in de bevoegdheid om eenzijdig beslissingen die derden binden te nemen. Daarbij is irrelevant de omstandigheid dat tegen deze beslissingen nog een administratief beroep mogelijk zou zijn. Te dezen blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest dat verweerster een vereniging zonder winstoogmerk is, opgericht overeenkomstig de wet van 27 juni 1921, waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend. Deze vereniging zonder winstoogmerk werd blijkens artikel 2 van het besluit van 3 maart 2004 van de Interregionale Bodemsaneringscommissie tot erkenning van de vereniging zonder winstoogmerk BOFAS erkend als Fonds, zoals voorzien in de artikelen 3, 8 en 9 van het Samenwerkingsakkoord, gesloten te Brussel op 13 december 2002, en onder de voorwaarden voorzien in dit besluit. Uit artikel 3, ,§ 1, van voornoemd Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en de financiering van de bodemsanering van tankstations, afgesloten te Brussel op 13 december 2002, dat werd goedgekeurd bij ordonnantie van 20 december 2002, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 26 februari 2003, decreet van 15 mei 2003, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 10 juli 2003, decreet van 18 juli 2003, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 19 augustus 2003, en wet van 26 augustus 2003, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 september 2003, gesloten bij toepassing van artikel 92bis, ,§ 1, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, volgt meer bepaald dat de Interregionale Bodemsaneringscommissie, onder de voorwaarden die zij bepaalt, een Fonds toelaat met als opdracht, in geval van sluiting, in naam en voor rekening van de exploitant, feitelijke gebruiker of eigenaar de bodemsanering van de betrokken verontreinigde site of het verontreinigde terrein te bewerkstelligen en te financieren en, in geval van verderzetting van de uitbating van het tankstation, de bodemsanering van de betrokken verontreinigde site of het verontreinigd terrein te adviseren, administratief op te volgen, te controleren en de bodemsaneringskosten ervan gedeeltelijk terug te betalen, dit alles volgens de modaliteiten bepaald in de artikelen 12 tot en met 17. Luidens artikel 3, ,§ 2, van datzelfde akkoord erkent de Interregionale Bodemsaneringscommissie daartoe, onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 8 en 9, een Fonds en oefent controle uit op zijn activiteiten overeenkomstig de voorwaarden als bepaald in de artikelen 21 en volgende. Blijkens artikel 3 van het Besluit van 3 maart 2004 tot erkenning van de vzw Bofas heeft deze vereniging als opdracht, in geval van sluiting, in naam en voor rekening van de exploitant, feitelijk gebruiker of eigenaar de bodemsanering van de betrokken verontreinigde site of het verontreinigd terrein te bewerkstelligen en te financieren en, in elk geval van verderzetting van de uitbating van het tankstation, de bodemsanering van de betrokken verontreinigde site of het verontreinigd terrein te adviseren, administratief op te volgen, te controleren en de bodemsaneringskosten ervan gedeeltelijk terug te betalen, dit alles volgens de modaliteiten, bepaald in de artikelen 12 tot en met 17 van het Samenwerkingsakkoord. Afgezien van haar tussenkomst bij de uitvoering van bodemsaneringsprojecten en de procedures die hierbij aan de exploitanten kunnen worden opgelegd, is verweerster als 'Fonds' gerechtigd om van de accijnsplichtige ondernemingen de stortingen die nodig zijn voor het volbrengen van haar opdracht en voor de dekking van haar werkingskosten in te vorderen, zoals volgt uit de artikelen 5 tot en met 8 van het Besluit van 3 maart 2004. Bij artikel 4, ,§ 2, van het Samenwerkingsakkoord, gesloten te Brussel op 13 december 2002, wordt aldus uitdrukkelijk bepaald dat de bijdrage geheven wordt door het Fonds. Indien in artikel 5, ,§ 2, van het Besluit van 3 maart 2004 het in aanmerking te nemen criterium ter bepaling van die bijdrage wordt vastgelegd, met name een bedrag van 0,0052 euro of 0,0032 euro per liter brandstof naar gelang van de toepasselijke hypothese, zulks overeenkomstig artikel 4, ,§ 2, van voornoemd Samenwerkingsakkoord, komt het evenwel aan verweerster toe om het verschuldigde bedrag te bepalen en in te vorderen ten laste van de door haar aangewezen accijnsplichtige ondernemingen. Verweerster kan daarbij beroep doen op het Fonds voor analyse van aardolieproducten, dat op grond van artikel 8 van het Besluit van 3 maart 2004 gehouden is haar, op haar verzoek, alle noodzakelijke gegevens mee te delen die moeten toelaten te onderzoeken of de accijnsplichtige ondernemingen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4 van het Samenwerkingsakkoord en het Besluit van 3 maart 2004, voldoen, d.w.z. gehouden zijn de verplichte bijdragen ter spijzing van het Fonds te verrichten. Blijkens artikel 5 van het Besluit van 3 maart 2004 komt het aldus aan verweerster toe, met uitsluiting van enige andere overheid, om ten aanzien van de accijnsplichtige ondernemingen de stortingen die nodig zijn voor het volbrengen van haar opdracht en voor de dekking van haar werkingskosten, vast te stellen en te innen ; daartoe betekent zij meer bepaald bij toepassing van artikel 6 van datzelfde besluit (artikel 5 van het Samenwerkingsakkoord) overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, 2°, van het Samenwerkingsakkoord en artikel 9, 2°, van het Besluit van 3 maart 2004, de accijnsplichtige ondernemingen uiterlijk op de laatste werkdag van de derde maand volgend op ieder kwartaal welke stortingen zij krachtens het Samenwerkingsakkoord verschuldigd zijn en dit op basis van de in de loop van dat kwartaal ter verbruik aangeboden hoeveelheden, zoals deze zijn vastgesteld in het kader van het accijnsstelsel van de minerale oliën. Uit voorgaande bepalingen volgt dat de opdracht van de verwerende partij verder gaat dan het louter innen van de door de accijnsplichtige ondernemingen verschuldigde bijdragen, maar zich integendeel uitstrekt tot de vaststelling van deze bijdragen op basis onder meer van de door het Fonds voor analyse van aardolieproducten verplicht ter beschikking gestelde gegevens. Zelfs zo de bijdragen worden geheven in functie van criteria, vastgesteld in het besluit, met dien verstande dat een verhoging of verlaging van de bijdrage afhankelijk is van het akkoord van de Interregionale Bodemsaneringscommissie en van een wijziging van artikel 4, ,§ 2, van het Samenwerkingsakkoord en van het Besluit van 3 maart 2004, komt het niettemin aan verweerster toe om op eenzijdige wijze het verschuldigde bedrag vast te stellen en de schuldenaar van deze bijdrage te bepalen, beslissingen die ten aanzien van de accijnsplichtige ondernemingen een bindend karakter vertonen, behoudens eventueel bezwaar tegen de betekening van het verschuldigde bedrag, in te stellen binnen de maand van deze betekening. De Raad van State, die oordeelt in het bestreden arrest dat verweerster slechts beschikt over een uitvoeringsbevoegdheid zonder eigen beslissingsrecht en dat verweerster geen beslissingen lijkt te kunnen nemen die derden binden, doet uitspraak in miskenning van de bepalingen van het besluit van 3 maart 2004 evenals van het Samenwerkingsakkoord, gesloten te Brussel op 13 december 2002 en inmiddels goedgekeurd door alle betrokken partijen, waaruit duidelijk volgt dat het aan verweerster toekomt om, in functie van de in het besluit bepaalde criteria, op grond van de door het Fonds voor analyse van aardolieproducten mee te delen gegevens, de door de accijnsplichtige ondernemingen verschuldigde bijdragen te bepalen en in te vorderen, en dit op een ten aanzien van die, door haar nader te bepalen, accijnsplichtige ondernemingen eenzijdige en bindende wijze (schending van de artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9, 2°, van het Besluit van de Interregionale Bodemsaneringscommissie van 3 maart 2004 tot erkenning van de vereniging zonder winstoogmerk BOFAS, J. Bordetlaan 166, B1, te 1140 Brussel en voor zoveel als nodig de artikelen 1, 3, 4, 5 en 10 van het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations, afgesloten te Brussel op 13 december 2002, goedgekeurd bij ordonnantie van 20 december 2002, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 26 februari 2003, het decreet van 15 mei 2003, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 10 juli 2003, het decreet van 18 juli 2003, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 19 augustus 2003, en de wet van 26 augustus 2003, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 september 2003) en kon bijgevolg niet wettig besluiten dat deze vereniging niet als een administratieve overheid was te aanzien (schending van de artikelen 7, 14 en 17 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, 144 en 145 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 17, ,§ 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973, de Raad van State bevoegd is om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen van een akte of een reglement van een administratieve overheid wanneer die akte of dat reglement vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 14, ,§ 1, van die wetten ; Overwegende dat, krachtens artikel 14, ,§ 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de Raad uitspraak doet, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden ; Dat instellingen, opgericht of erkend door de federale overheid, de overheid van de gemeenschappen en gewesten, de provincies of gemeenten, die belast zijn met een openbare dienst, in beginsel administratieve overheden zijn, in zoverre hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden ; Dat een vereniging van privaatrechtelijke aard die, ook al is zij opgericht of erkend door een administratieve overheid en ook al is zij onderworpen aan de controle van de overheid, geen beslissing kan nemen die derden kunnen binden, niet de aard heeft van een administratieve overheid ; dat hiervoor niet ter zake doet dat haar een taak van algemeen belang is toevertrouwd ; Overwegende dat uit het arrest volgt dat : 1. verweerster een vereniging zonder winstoogmerk is, die overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 door vijf andere verenigingen zonder winstoogmerk werd opgericht ; 2. voor de sector van de minerale oliën alleen representatieve beroepsverenigingen lid kunnen zijn van die vereniging ; 3. verweerster erkend is door de Interregionale Bodemsanerings-commissie bij toepassing van artikel 9 van het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en de financiering van de bodemsanering van tankstations van 13 december 2002, hierna te noemen het Samenwerkingsakkoord ; Overwegende dat, blijkens de preambule van dit Samenwerkingsakkoord, de overheden tot doel hadden de bodemsanering op een "alternatieve" wijze te financieren, met name door de oprichting van een bodemsaneringsfonds met privaatrechtelijk karakter, evenwel onder toezicht van het openbaar gezag ; Dat verweerster, krachtens artikel 4, ,§ 2, eerste lid, van het Samenwerkingsakkoord en de artikelen 5 tot en met 8 van het Erkenningsbesluit gerechtigd is van de accijnsplichtige ondernemingen de stortingen te innen die nodig zijn voor het volbrengen van haar opdracht en voor de dekking van haar werkingskosten, de bijdragen te heffen en te ontvangen volgens een in artikel 5, ,§ 2, van het Erkenningsbesluit vastgelegd percentage per liter benzines voor motorvoertuigen of gasolie diesel voor wegvoertuigen ; Dat, krachtens artikel 6 van het Samenwerkingsakkoord en artikel 7 van het Erkenningsbesluit, de verhoging of de verlaging van de door verweerster vast te stellen en te vorderen bijdragen afhankelijk is van het akkoord van de Interregionale Bodemsaneringscommissie ; Dat, krachtens artikel 7, ,§ 1, van het Samenwerkingsakkoord en artikel 8, ,§ 1, van het Erkenningsbesluit, het Fonds voor de analyse van aardolieproducten aan verweerster, op haar verzoek, alle noodzakelijke gegevens meedeelt waarover het beschikt en die moeten toelaten te onderzoeken of de accijnsplichtige ondernemingen de stortingen verrichten die nodig zijn voor het volbrengen van verweersters opdracht en de dekking van haar werkingskosten ; Dat de accijnsplichtige ondernemingen, krachtens artikel 5, ,§ 2, tweede lid, van het Samenwerkingsakkoord en artikel 6, ,§ 2, tweede lid, van het Erkenningsbesluit, eventueel bezwaar kunnen aantekenen bij de bevoegde federale administratie tegen het betekende bedrag ; Overwegende dat een recht op bezwaar toegekend aan de accijnsplichtige ondernemingen op grond van artikel 5, ,§ 2, van het Samenwerkingsakkoord en artikel 6, ,§ 2, tweede lid, van het Erkenningsbesluit van 3 maart 2004 te dezen niet bepaalt of verweerster al dan niet bindende beslissingen kan treffen ; Overwegende dat uit dit alles volgt dat verweerster die op grond van door het Samenwerkingsakkoord nauwkeurig opgelegde criteria handelt en geen eigen beslissingsmacht heeft, geen beslissingen kan nemen die derden kunnen binden ; Dat het arrest aldus naar recht oordeelt over de exceptie van onbevoegdheid ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, in verenigde kamers, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd zevenennegentig euro zesenveertig cent jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd zevenendertig euro vijfenzestig cent jegens de verwerende partij. 0Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitters Claude Parmentier, Robert Boes en Ernest Waûters, raadsheer Greta Bourgeois, afdelingsvoorzitter Philippe Echement, de raadsheren Christian Storck, Jean de Codt, Ghislain Londers, Eric Dirix en Didier Batselé, en in openbare terechtzitting van achtentwintig oktober tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van hoofdgriffier Etienne Sluys. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051028.1 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090910.3 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110530.1 ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20071127.15 ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.216 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.220.398 ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.214 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.309 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.310 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.313 precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931015.10 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970214.7 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990910.5 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020906.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div