← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051103.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051103.8 Rolnummer: C.04.0502.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2006-03-22 Raadplegingen: 187 - laatst gezien 2026-07-03 10:47 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De termijn om zich in cassatie te voorzien tegen het arrest waarbij het tijdstip van staking van betaling wordt vastgesteld, begint ten aanzien van de partijen in het geding niet te lopen vanaf de dag waarop het uittreksel uit het arrest is opgenomen in het Belgisch Staatsblad

(1).
(1)Parl. St. Kamer, B.Z. 1991-92, nr 631/1, 4 en 11; S. LOOSVELD, "Het toepassingsgebied van art. 14 Faill. W." noot bij Antwerpen, 2 nov. 1998, R.W., 1998-99, 1283, nr 3; A. ZENNER, Dépistage, faillites & Concordats, Brussel, Larcier, 1998, 362, nr 499 en
  1. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING Arrest waarbij het tijdstip van staking van betaling wordt vastgesteld Cassatieberoep Aanvang van de termijn Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1073 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Duur, begin en einde Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Duur, begin en einde Begin Faillissement Arrest waarbij het tijdstip van staking van betaling wordt vastgesteld Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1073 Tekst van de beslissing I. Nr. C.04.0502.N G.A., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  2. V.T.,
  3. D.F.,
  4. V.I.,
  5. K.M., verweerders, allen in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van Delsey Airlines NV, met zetel te 2010 Antwerpen-Deurne, Tweemontstraat 202, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  6. DELSEY AIRLINES, naamloze vennootschap, met zetel te 2010 Antwerpen-Deurne, Tweemontstraat 202, verweerster. II. Nr. C.05.0105.N G.A., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  7. V.T.,
  8. D.F.,
  9. V.I.,
  10. K.M., verweerders, allen in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van Delsey Airlines NV, met zetel te 2010 Antwerpen-Deurne, Tweemontstraat 202, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  11. DELSEY AIRLINES, naamloze vennootschap, met zetel te 2010 Antwerpen-Deurne, Tweemontstraat 202, verweerster, in aanwezigheid van
  12. V.F.,
  13. V.F., partijen, voor zoveel als nodig, opgeroepen overeenkomstig artikel 1084, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in bindendverklaring van het te wijzen arrest. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 november 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij wet van 3 augustus 1992 ; &§9472; de artikelen 2, 24 en 40, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Bestreden beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de curatoren toelaatbaar en deels gegrond en verwerpt de door eiser opgeworpen nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep wegens schending van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zulks om de volgende redenen : "De grieven van de curatoren tegen het bestreden vonnis kunnen als volgt worden samengevat. In hoofdorde doen zij gelden dat de eerste rechter bij het onderzoek naar de datum van de staking van betaling onterecht het tijdstip heeft gezocht waarop het krediet geschokt was ; in ondergeschikte orde bepleiten zij dat de eerste rechter voorbijgegaan is aan een aantal feitelijke omstandigheden waaruit zij afleiden dat het krediet reeds vóór de door de eerste rechter weerhouden datum wankelde. Deze grieven hebben zij in de Nederlandse taal ontwikkeld. De in het Frans weergegeven citaten uit rechtsleer en rechtspraak vormen enkel de verdere ontwikkeling en toelichting van deze grieven, waarvan de weergave in de huidige stand van de wetgeving niet op straffe van nietigheid in het verzoekschrift tot hoger beroep dient opgenomen. Deze vaststelling brengt mee dat de opname van deze citaten niet tot de nietigheid van het verzoekschrift van hoger beroep leidt" (punt 2.1., p.3,onderaan - p.4, bovenaan). Grieven Krachtens artikel 2 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt de gehele rechtspleging in het Nederlands gevoerd voor de rechtbanken van koophandel die hun zetel hebben in de provincie Antwerpen. Artikel 24 van voormelde wet bepaalt dat voor de rechtspleging in de rechtscolleges in hoger beroep de taal gebruikt wordt waarin de bestreden beslissing is gesteld, één en ander op straffe van nietigheid (zie artikel 40, eerste lid, van diezelfde wet). Aangezien de zaak te dezen was ingeleid bij de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen diende de akte van hoger beroep derhalve in het Nederlands te zijn gesteld. Een beroepsakte voldoet aan voormelde vereiste van ééntaligheid wanneer de beroepsgrieven, die op straffe van nietigheid in de beroepsakte moeten worden uiteengezet, volledig in de taal van de rechtspleging worden weergegeven (zie artikel 1057, 7°, Ger. W.). De opname in de beroepsakte van een grief in een andere taal dan de taal van de rechtspleging zal slechts dan geen afbreuk doen aan de fundamentele regel van de ééntaligheid van de rechtspleging indien een vertaling is opgenomen dan wel de zakelijke inhoud ervan in de taal van de rechtspleging wordt weergegeven. Vermeldingen die niet zijn vereist voor de processuele regelmatigheid van de beroepsakte, m.a.w. vermeldingen die een overtollig of overbodig karakter bezitten, zoals bijvoorbeeld een loutere toelichting, illustratie of commentaar bij een in de beroepsakte vermelde grief, kunnen daarentegen onvertaald worden opgenomen in de beroepsakte zonder miskenning van de taalwetgeving. Het bestreden arrest maakte in casu voormeld onderscheid tussen, enerzijds, "de grieven" die op straffe van nietigheid in de taal van de rechtspleging, het Nederlands, moeten worden ontwikkeld, en, anderzijds, de "verdere ontwikkeling en toelichting van deze grieven, waarvan de weergave in de huidige stand van de wetgeving niet op straffe van nietigheid in het verzoekschrift tot hoger beroep dient opgenomen" (p.4, bovenaan), en bijgevolg in een andere taal dan de taal van de rechtspleging mogen worden weergegeven. Inzonderheid oordeelde het bestreden arrest dat alle beroepsgrieven van de curatoren in het Nederlands waren ontwikkeld en dat de in het Frans weergegeven citaten uit rechtsleer en rechtspraak enkel een verdere ontwikkeling en toelichting vormden van deze grieven zodat de opname van deze anderstalige citaten niet tot de nietigheid van de beroepsakte kon leiden. Deze grieven waren volgens de appèlrechters, kort samengevat, de volgende : "in hoofdorde doen (de curatoren) gelden dat de eerste rechter bij het onderzoek naar de datum van de staking van betaling onterecht het tijdstip heeft gezocht waarop het krediet geschokt was ; in ondergeschikte orde bepleiten zij dat de eerste rechter voorbijgegaan is aan een aantal feitelijke omstandigheden waaruit zij afleiden dat het krediet reeds vóór de door de eerste rechter weerhouden datum wankelde" (arrest, p.3, 2.1). In de franstalige citaten uit rechtspraak en rechtsleer werden evenwel andere argumenten ontwikkeld dan deze vermeld in voormelde samenvatting waarvan de inhoud niet elders in de beroepsakte in het Nederlands voorkomt. - arrest van het Hof van Cassatie van 2 december 1963 : "Attendu que l'ébranlement du crédit est étroitement lié à la cessation des payements, qui est la conséquence d'un manque de crédits ; que le juge détermine souverainement la nature des faits qui ont causé la cessation des payements, et apprécie si le non-payement des dettes commerciales ou civiles est de nature à ébranler le crédit du commerçant et à compromettre le gage commun des créanciers ; Attendu que si, en général, les moyens dont use le commerçant pour prolonger son crédit n'importent pas, il faut cependant que les moyens soient réguliers ; que le juge prononce ou constate la faillite si ces moyens sont artificiels, illicites ou frauduleux, l'ébranlement du crédit ne pouvant être exclu que si le commerçant jouit d'un crédit réel à l'exclusion de tout crédit fictif". (vrije vertaling) : "Overwegende dat het wankelen van het krediet nauw is verbonden met het ophouden van betalen ten gevolge van een gebrek aan krediet, dat de rechter soeverein de aard van de feiten bepaalt die het ophouden van betalen hebben veroorzaakt, en oordeelt of het ophouden van betalen van handels- of burgerlijke schulden van die aard is dat dit het krediet van de koopman aan het wankelen en het gemeenschappelijk pand van de schuldeisers in gevaar brengt ; Overwegende dat indien, in beginsel, het niet van belang is welke middelen de koopman aanwendt om zijn krediet te verlengen, niettemin is vereist dat deze middelen regelmatig zijn ; dat de rechter het faillissement uitspreekt of vaststelt indien deze middelen kunstmatig, ongeoorloofd of frauduleus zijn, dat het wankelen van het krediet slechts dan kan worden uitgesloten indien de koopman van een werkelijk krediet geniet met uitsluiting van elk fictief krediet". - arrest van het Hof van Cassatie van 24 april 1975 (zie A.C., 1975, 938) : "Que la cour d'appel a pu, légalement et sans se contredire, déduire l'ébranlement du crédit du procès-verbal de carence auquel a abouti une saisie-exécution et écarter, parce que dépourvues de pertinence, d'autres circonstances dont ce commerçant prétendait déduire qu'il disposait encore d'un crédit réel". (vrije vertaling) "Dat het hof van beroep, wettelijk en zonder zichzelf tegen te spreken, uit het proces-verbaal van niet-bevinding, waartoe een uitvoerend beslag geleid heeft, heeft kunnen afleiden dat het krediet aan het wankelen gebracht is en andere omstandigheden, waaruit de handelaar beweerde af te leiden dat hij nog over een werkelijk krediet kon beschikken, als niet pertinent heeft kunnen verwerpen". Citaat Van Ryn en Heenen, die de voorwaarde van het wankelen van krediet als volgt omschrijven : "Le refus de tout crédit par les créanciers, par les fournisseurs et par les bailleurs de fonds, en raison d'une carence notoire". (vrije vertaling) "De weigering van elk krediet vanwege de schuldeisers, de leveranciers en de geldverstrekkers, om reden van een klaarblijkelijk in gebreke blijven". Al deze citaten betreffen de tweede faillissementsvoorwaarde, te weten het wankelen van krediet, en werden door de curatoren in hun beroepsakte aangehaald om aan te tonen in welke zin deze voorwaarde door de rechtspraak werd verfijnd : "Dat dergelijke voorwaarde in de wet omschreven is, en verfijnd door de rechtspraak ; Dat desbetreffend door geïntimeerden in eerste aanleg verwezen werd naar cassatierechtspraak en onder meer naar een arrest van 2.12.1963 ..." (zie beroepsakte, punt III.3). In de mate dat in deze citaten op het nauwe verband wordt gewezen tussen het wankelen van het krediet en het ophouden van betalen (cassatiearrest van 2 december 1963), wordt betoogd dat bij het beoordelen van het wankel krediet niet met een fictief krediet rekening mag worden gehouden (cassatiearresten van 2 december 1963 en 24 april 1975) en een begripsomschrijving van het wankelen van het krediet wordt gegeven (citaat Van Ryn en Heenen), was de inhoud van deze citaten van belang voor een goed begrip van de grieven. De beroepsgrieven van de curatoren berusten m.a.w. mede op deze anderstalige citaten, wat formeel ook blijkt uit de opname van deze citaten onder punt III van de beroepsakte dat als titel draagt "De grieven", terwijl de verdere uitwerking en toelichting van deze grieven zich situeert onder titel IV "In rechte". De in het Frans weergegeven citaten uit rechtsleer en rechtspraak vormen bijgevolg geen loutere toelichting strekkend tot ondersteuning van de door de curatoren ontwikkelde grieven, maar moeten zelf als zelfstandige grieven worden beschouwd. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat deze citaten slechts de grieven verder ontwikkelen en toelichten zonder zelf een grief te zijn (schending van artikel 1057, 7°, Ger. W.). De beslissing dat de curatoren al hun grieven in het Nederlands hebben ontwikkeld en dat de opname van de onvertaalde citaten niet tot de nietigheid van de beroepsakte kan leiden, is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 2, 24 en 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken). IV. Beslissing van het Hof Rechtspleging Overwegende dat eiser op 27 oktober 2004 ter griffie van het Hof een verzoekschrift tot cassatie heeft ingediend tegen het arrest van 13 november 2003 ; Dat hij bij verzoekschrift neergelegd op 3 maart 2005, F.V.D. en F.V.G. in de zaak heeft betrokken ; Dat de zaken die ter griffie een afzonderlijk rolnummer gekregen hebben, als één zaak moeten worden behandeld ; Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 2.
  14. Eerste middel van niet-ontvankelijkheid Over het door de eerste tot de vierde verweerder opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep : het cassatieberoep is laattijdig : Overwegende dat noch uit artikel 14 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 noch uit enige andere wetsbepaling, af te leiden is dat de termijn om cassatieberoep in te stellen ten aanzien van eiser, die partij was in het geding, is beginnen lopen vanaf de dag waarop het uittreksel uit het bestreden arrest is opgenomen in het Belgisch Staatsblad ; Dat het bestreden arrest niet is betekend aan eiser ; Dat het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen ; 2.
  15. Tweede middel van niet-ontvankelijkheid Over het door de eerste tot de vierde verweerder opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep : het cassatieberoep is niet ontvankelijk bij toepassing van artikel 1084 van het Gerechtelijk Wetboek : Overwegende dat, krachtens artikel 1084 van het Gerechtelijk Wetboek het cassatieberoep moet worden gericht tegen alle bij de bestreden beslissing betrokken partijen wier belang strijdig is met dat van de eiser indien het geschil onsplitsbaar is en dat bij niet-inachtneming van die regel de voorziening niet wordt toegelaten ; Dat te dezen V.D. en V.G. voor de sluiting van het debat in het geding betrokken werden ; Dat het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen ; Middel Overwegende dat het verzoekschrift tot hoger beroep dat opkomt tegen een in het Nederlands gesteld vonnis, geheel in het Nederlands moet zijn gesteld, althans in het Nederlands de zakelijke inhoud van de citaten in een andere taal moet weergeven ; Dat het verzoekschrift tot hoger beroep aan deze vereiste voldoet ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot in de zaak C.04.0502.N op de som van zeshonderd zeventig euro achtenveertig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en negen euro zevenenzestig cent jegens de verwerende partijen sub 1, 2, 3 en 4 en in de zaak C.05.0105.N op de som van zeshonderd achtendertig euro een cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Dirk Debruyne, en in openbare terechtzitting van drie november tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051103.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.