← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051107.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051107.3 Rolnummer: C.04.0027.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-11-15 Raadplegingen: 532 - laatst gezien 2026-07-04 05:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is vastgesteld heeft tot doel de schuldenaar ter kennis te brengen dat de schuldeiser nakoming van de rechterlijke uitspraak verlangt

(1).
(1)Cass., 20 september 2002, AR C.97.0383.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020920.5, nr 466. Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: DWANGSOM Verbeuring Uitspraak Betekening Doel Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1385bis,de Fiche 2 In geval de rechter in eerste aanleg een dwangsom heeft opgelegd en zijn vonnis op dit punt in hoger beroep wordt bevestigd, geldt de rechter in eerste aanleg als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd; de rechter in hoger beroep als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd dient te worden beschouwd wanneer uit het dictum van de beslissing in hoger beroep onmiskenbaar blijkt dat de appèlrechter de uitspraak van de rechter in eerste aanleg betreffende de hoofdveroordeling waaraan de veroordeling tot betaling van de dwangsom was verbonden, dan wel veroordeling tot de dwangsom, geheel of ten dele, heeft vernietigd en op een van deze punten een van de uitspraak in eerste aanleg afwijkende beslissing heeft genomen
(1).
(1)Zie Cass., 27 oktober 1988, AR 8236, A.C. 1988-89, nr 120. Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: DWANGSOM Opleggen van een dwangsom Bepaling van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1385bis Tekst van de beslissing Nr. C.04.0027.N.- VLAAMS GEWEST, in de persoon van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Inspecteur voor het grondgebied van de provincie Vlaams Brabant, met kantoor te 3000 Leuven, Blijde Inkomststraat 103-105, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.A., verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 maart 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 27 september 2005 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1385bis, eerste en derde lid, en 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing Bij het bestreden arrest van 12 maart 2003 verwerpt het Hof van Beroep te Brussel eisers beroep tegen het vonnis van de eerste rechter, die verweerders verzet tegen het bevel tot betaling van verbeurde dwangsommen ontvankelijk en gegrond verklaarde op volgende gronden : "12. Bedoeld vonnis werd door het hof van beroep bevestigd wat de vordering van de gemachtigde ambtenaar betreft inzake het herstel van de plaats in de vorige toestand, mits de wijziging dat dit herstel diende te gebeuren tegen 31 december 2000. Het arrest vermeldt de inhoud van het dispositief van het vonnis bij het exposé van het geding, maar niet in zijn beschikkend gedeelte. In het dispositief van het arrest wordt desbetreffend als volgt beslist : 'Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijzigingen dat beklaagde wordt veroordeeld tot het herstel van de plaats in de vorige toestand tegen uiterlijk 31 december 2000 en dat behoudens van het bestreden vonnis ook van huidig arrest melding zal worden gemaakt in de rand van de overschrijving op het eerste hypotheekkantoor, (
  1. te)Leuven, boek 5474, nummer 3'. 14. Het geschil betreft in eerste instantie de vraag of de wettelijke voorwaarde inzake betekening werd vervuld opdat ten laste van (verweerder) dwangsommen konden worden verbeurd. Met name staan twee rechtsvragen in het bijzonder ter discussie : - diende benevens het arrest van het hof tevens het vonnis van 8 maart 1999 hoe dan ook te worden betekend vooraleer dwangsommen konden worden verbeurd ? - zo niet, diende in het voorliggende geval dit vonnis niettemin te worden betekend, gelet op de bewoordingen in het dispositief van het vonnis, dat naar voorafgaande betekening verwijst ? 15. Het arrest van het hof van beroep van 20 april 2000 bevestigt het bestreden vonnis wat de veroordeling op vordering van de gemachtigde ambtenaar aangaat, mits twee wijzigingen die evenwel niet de dwangsom betreffen. De dwangsomrechter is zodoende de Correctionele Rechtbank te Leuven (cfr. K. Wagner, Dwangsom, APR, E. Story-Scientia, 2003, nrs. 145-148; Benelux Hof, 15 april 2002, R.W. 1991-92, 1425). 16. Ten aanzien van het betekeningsvereiste in geval de beslissing die de dwangsom oplegt na hoger beroep wordt bevestigd, geldt dat de bekrachtigde uitspraak aan de veroordeelde (opnieuw) moet worden betekend, samen met de uitspraak in hoger beroep, alvorens dwangsommen kunnen worden verbeurd (Benelux Hof, 12 mei 1997, R.W. 1997-98, 71, met conclusie Th. B. ten Kate; K. Wagner, o. c., nr. 96). Deze regel geldt onverkort indien de dwangsom wordt opgelegd door een correctionele rechtbank (Benelux Hof, 25 juni 2002, zaak Vlaamse Gewest t. Jeca nv ; Cass., 20 september 2002, A.R. C. 970383N). 17. ln het voorliggende geval werd de beslissing van 8 maart 1999 van de correctionele rechtbank niet betekend samen met het arrest van het hof van 26 april 2000 - evenmin trouwens als voordien - en derhalve werd aan het betekeningsvereiste opgelegd in artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek niet voldaan. Zodoende konden ten laste van (verweerder) geen dwangsommen worden verbeurd. De vordering van (verweerder) werd terecht toegewezen, weze het op een grond welke het hof (van beroep) niet beaamt". Grieven Luidens artikel 1385bis, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter op vordering van één der partijen de wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan, onverminderd het recht op schadevergoeding indien daartoe gronden zijn. Blijkens artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan de dwangsom niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt voorts dat de rechter die de dwangsom heeft opgelegd op vordering van de veroordeelde de dwangsom kan opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Uit de samenlezing van deze wetsbepalingen volgt dat de beslissing, waarvan de betekening ter verbeuring van de dwangsom vereist is, deze is van de rechter die moet worden aangezien als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd. In de regel geldt de rechter in eerste aanleg als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, tenzij in het dictum van de beslissing gewezen in hoger beroep onmiskenbaar is uitgesproken dan wel uit het dictum van die beslissing onmiskenbaar blijkt dat de appèlrechter de uitspraak van de eerste rechter op het stuk van de hoofdveroordeling waaraan een dwangsom was verbonden, geheel of ten dele hervormt. In dat geval zal de appèlrechter worden aangezien als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd. Zo ook zal de appèlrechter gelden als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd wanneer hij de hoofdveroordeling van de eerste rechter weliswaar in stand houdt, doch een nieuwe veroordeling uitspreekt, gekoppeld aan een nieuwe dwangsom of aan dezelfde dwangsom zoals uitgesproken in eerste aanleg. Te dezen blijkt uit de door het hof van beroep aangehaalde overwegingen dat het Hof van Beroep te Brussel, rechtdoende in strafzaken, bij het arrest van 26 april 2000 het vonnis van de eerste rechter, gewezen op 8 maart 1999, wat betreft de herstelvordering, door de eerste rechter toegewezen onder verbeurte van een dwangsom van 2.500 BEF per dag vertraging, - veroordeling die blijkens de vaststelling van het bestreden arrest in het arrest van 26 april 2000 uitdrukkelijk werd vermeld in het exposé van het geding -, bevestigde "mits de enkele wijzigingen dat beklaagde werd veroordeeld tot het herstel van de plaats in de vorige toestand tegen uiterlijk 31 december 2000 en dat behoudens van het bestreden vonnis ook van huidig arrest melding zou worden gemaakt in de rand van de overschrijving op het eerste hypotheekkantoor (
  2. te)Leuven, boek 5474, nummer 3". Uit voornoemde vaststelling volgt zodoende dat de door de eerste rechter uitgesproken hoofdveroordeling, met name het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, waaraan de dwangsom gekoppeld werd, door de appèlrechter ten dele werd gewijzigd. Het hof van beroep kon, gelet op de gedane vaststellingen, waaruit bleek dat de hoofdveroordeling, waaraan de dwangsom werd gekoppeld, door de appèlrechter ten dele werd gewijzigd, niet wettig beslissen dat de Correctionele Rechtbank te Leuven was te aanzien als de dwangsomrechter, derwijze dat de in eerste aanleg gewezen beslissing van 8 maart 1999 samen met het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 26 april 2000 diende te worden betekend opdat de dwangsommen konden verbeuren (schending van de artikelen 1385bis, eerste en derde lid, en 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid Over de door verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid : het middel voert de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek niet als geschonden aan : Overwegende dat het middel de uitlegging die de appèlrechter van het arrest van 26 april 2000 geeft niet bekritiseert en slechts de wettigheid van de bestreden beslissing aanvecht ; dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen ; B. Het middel zelf Overwegende dat, luidens artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, derde lid, van de eenvormige wet betreffende de dwangsom, de dwangsom niet kan worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld ; Overwegende dat de betekening tot doel heeft ter kennis van de schuldenaar te brengen dat de schuldeiser nakoming van de rechterlijke uitspraak verlangt ; Dat uit voornoemd artikel 1385bis, zoals het moet worden begrepen overeenkomstig het arrest van 15 april 1992 van het Benelux-Gerechtshof, in de zaak A 91/2, volgt dat : - in geval de rechter in eerste aanleg een dwangsom heeft opgelegd en zijn vonnis op dit punt in hoger beroep wordt bevestigd ; - de rechter in eerste aanleg geldt als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd ; - de rechter in hoger beroep als rechter die de dwangsom heeft opgelegd dient te worden beschouwd, wanneer uit het dictum van de beslissing in hoger beroep onmiskenbaar blijkt dat de appèlrechter de uitspraak van de rechter in eerste aanleg betreffende de hoofdveroordeling waaraan de veroordeling tot betaling van de dwangsom was verbonden, dan wel veroordeling tot de dwangsom, geheel of ten dele, heeft vernietigd en op een van deze punten een van de uitspraak in eerste aanleg afwijkende beslissing heeft genomen ; Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat : - de Correctionele Rechtbank te Leuven op 8 maart 1999 ten aanzien van verweerder een rechterlijk bevel, op straffe van de betaling van een dwangsom, heeft uitgesproken; - het Hof van Beroep te Brussel, bij arrest van 26 april 2000, dit rechterlijk bevel met de daaraan verbonden veroordeling tot betaling van een dwangsom, herneemt en bevestigt mits de wijziging dat beklaagde wordt veroordeeld tot het herstel van de plaats in de vorige toestand tegen uiterlijk 31 december 2000, in plaats van 8 maart 2000 ; Dat hieruit volgt dat de rechter in hoger beroep dient te worden beschouwd als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat de Correctionele Rechtbank te Leuven te aanzien is als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd en dat de dwangsom niet is verbeurd omdat dit vonnis niet samen met het arrest van 26 april 2000 werd betekend ; Dat door aldus te oordelen, het arrest zijn beslissing niet naar recht verantwoordt ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van zeven november tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051107.3 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020920.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.