← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051107.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051107.4 Rolnummer: C.04.0230.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-11-15 Raadplegingen: 287 - laatst gezien 2026-07-04 11:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Vanaf de overschrijving van het bevel dat voorafgaat aan het uitvoerend beslag op onroerend goed of het beslagexploot kunnen de door de beslagen schuldenaar gestelde daden van beschikking niet worden tegengeworpen aan de beslagleggende schuldeiser; de niet-tegenwerpelijkheid heeft tot gevolg dat de beslagleggende schuldeiser de uitwinning kan vervolgen op het onroerend goed in handen van de persoon aan wie het goed werd overgedragen in weerwil van het overgeschreven bevel of beslag

(1).
(1)Het openbaar ministerie was van oordeel dat het middel gegrond was. De derde-bezitter bedoeld in de artikelen die het hoofdstuk VI van de wet van 16 december 1851 bevat, is de derde, die geen schuldenaar is, aan wie een onroerend goed, waarop een ingeschreven schuldeiser, hetzij een hypotheek, hetzij een voorrecht heeft, ten gevolge van een vervreemding wordt overgedragen of die een hypotheek op zijn onroerend goed toestaat tot zekerheid van de schuld van de debiteur, en die, aldus, ten aanzien van de ingeschreven schuldeiser, als eigenaar beschouwd wordt en tegen wie de schuldeiser over een volgrecht beschikt. Het bestreden arrest stelt vast dat het bevel voorafgaand aan het onroerend beslag en van het exploot van uitvoerend beslag op onroerend goed betekend door de verweerders aan de schuldenaars worden overgeschreven voor de datum van de verkoop van het onroerend goed door deze laatsten aan de eiseres. Het bestreden arrest oordeelt aldus niet wettig dat "zoals de hypotheken, deze overschrijvingen (...) een zakelijk recht (vormen) dat de goederen volgt in welke handen zij zich ook mogen bevinden", alsook dat, hoewel het niet vaststelt dat de verweerders op het onroerend goed, hetzij hypotheek, hetzij voorrecht hebben, de eiseres "in casu een derde-bezitter is" zodat zij "verplicht (is) van (dat) goed afstand te doen, ofwel alle opeisbare interesten en kapitalen te voldoen, hoe groot het bedrag daarvan ook mag zijn". Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Vrije woorden: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Overschrijving van het beslag of van het bevel door de schuldeiser Vervreemding door de schuldenaar Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.1565,1569 Fiche 2 De persoon aan wie het goed werd overgedragen in weerwil van het overgeschreven bevel of beslag kan de uitwinning verhinderen, inzonderheid door voldoende geld in consignatie te geven, maar evenzeer tot betaling van de schuld die de oorzaak is van het beslag; aldus verkeert hij in een gelijkaardige positie als een derde-bezitter zoals bedoeld in de artikelen 96 en volgende van de Hypotheekwet, door zonder zelf persoonlijk schuldenaar te zijn van de vervolgende partij, de schuld die de oorzaak is van het beslag te voldoen met het oog op de bevrijding van het beslagen onroerend goed
(1).
(1)Het openbaar ministerie was van oordeel dat het middel gegrond was. De derde-bezitter bedoeld in de artikelen die het hoofdstuk VI van de wet van 16 december 1851 bevat, is de derde, die geen schuldenaar is, aan wie een onroerend goed, waarop een ingeschreven schuldeiser, hetzij een hypotheek, hetzij een voorrecht heeft, ten gevolge van een vervreemding wordt overgedragen of die een hypotheek op zijn onroerend goed toestaat tot zekerheid van de schuld van de debiteur, en die, aldus, ten aanzien van de ingeschreven schuldeiser, als eigenaar beschouwd wordt en tegen wie de schuldeiser over een volgrecht beschikt. Het bestreden arrest stelt vast dat het bevel voorafgaand aan het onroerend beslag en van het exploot van uitvoerend beslag op onroerend goed betekend door de verweerders aan de schuldenaars worden overgeschreven voor de datum van de verkoop van het onroerend goed door deze laatsten aan de eiseres. Het bestreden arrest oordeelt aldus niet wettig dat "zoals de hypotheken, deze overschrijvingen (...) een zakelijk recht (vormen) dat de goederen volgt in welke handen zij zich ook mogen bevinden", alsook dat, hoewel het niet vaststelt dat de verweerders op het onroerend goed, hetzij hypotheek, hetzij voorrecht hebben, de eiseres "in casu een derde-bezitter is" zodat zij "verplicht (
  1. is)van (dat) goed afstand te doen, ofwel alle opeisbare interesten en kapitalen te voldoen, hoe groot het bedrag daarvan ook mag zijn". Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Vrije woorden: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Overschrijving van het beslag of van het bevel door de schuldeiser Vervreemding door de schuldenaar Tegenwerpelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1578 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0230.N.- IMPERIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 3370 Boutersem, Roosbeeksestraat 45, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. L. F., 2. V. G.C., 3. B. L., en zijn echtgenote, 4. A. G., verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, gewezen op 2 december 2003 door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 27 september 2005 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 543 van het Burgerlijk Wetboek ; - de artikelen 9, 27, 29, 41, 81, 96, 98 en 99 van de wet van 16 december 1851 (hierna genoemd 'Hypotheekwet'), zijnde titel XVIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek ; - de artikelen 1565, 1569, 1575 en 1577 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het hof van beroep zegt dat de door verweerders op 16 oktober 2002, samen met een "bevel voorafgaand aan het onroerend beslag", aan eiseres betekende aanmaning ("ofwel om de schuld die het voorwerp uitmaakt van deze aanmaning te betalen, te weten het volledig opeisbaar geworden kapitaal, met intresten en aanhorigheden, hoe groot het bedrag ervan ook mag zijn, ofwel, zonder voorbehoud afstand te doen aan elk der bestemmelingen van het (...) vermelde onroerend goed, welke belast werd met een hypotheek, ofwel tot aanzuivering ervan over te gaan...") geldig is voor de diverse in het dictum van het arrest vermelde sommen op grond van de beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven van 19 september 1991, van het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 20 juni 1995 en van beide titels, en verklaart eiseres' hoger beroep ongegrond, onder meer op volgende gronden : "Feiten en procedurale voorgaanden. Wat de feiten betreft, weze in het kort vermeld dat de echtgenoten R.P. en B.M. op hun adres (...) een sauna-complex en alle accommodaties hadden laten bouwen, niettegenstaande het feit dat krachtens de verkavelingsvoorwaarden de verkaveling een uitsluitend privé-karakter moest behouden en derhalve enkel mocht dienen voor de huisvesting van een gezin. Door (verweerders), aanpalende eigenaars, gedagvaard, werden de echtgenoten P.- M. door de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, zetelend in kort geding, bij beschikking van 19 september 1991 verbod opgelegd het sauna-complex, aldaar commercieel uit te baten, (...) tot er uitspraak zou zijn gedaan over de zaak door de rechter ten gronde. Zij werden eveneens veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van 25.000 BEF (619,73 euro) per bij gerechtsdeurwaarder vastgestelde overtreding en per dag vanaf de betekening van de beschikking. De echtgenoten P.- M. werden ook strafrechtelijk vervolgd, (...) (
  2. en)bij arrest (...) van 20 juni 1995 opnieuw strafrechtelijk veroordeeld tot het afbreken en aanpassen van een aantal precies omschreven bouwwerken. Op burgerlijk vlak bekwamen (verweerders) een schadevergoeding van 25.000 BEF (619,73 euro) per echtpaar, ... en werd er voor recht gezegd dat (de echtgenoten P.- M.) ten aanzien van elk 'dezer partijen' een dwangsom zouden verbeuren van 2.000 BEF (49,58 euro) per dag vertraging in de uitvoering van de bevolen (aanpassings- en herstel)werken. Het arrest van 20.juni 1995 werd op 4 september 1995 betekend. Op 27 november 1996 lieten (verweerders) een bevel betekenen, zich beperkend tot het vorderen, wat de dwangsom betreft, van 2.000 BEF per dag vertraging. Volgens akte verleden op 10 oktober 1997 voor notaris H., met standplaats te Tienen, heeft het echtpaar P.- M. hogervermeld onroerend goed verkocht aan de heer M. M., optredende namens de nog op te richten vennootschap, die (eiseres) zou worden volgens akte van 12 januari 1998 verleden voor dezelfde notaris. De overschrijving van deze akte van verkoop in de registers van de hypotheekbewaarder op 10 oktober 1997 werd, wat de relevante feiten van deze zaak betreft, voorafgegaan door overschrijving (en niet inschrijving, zoals blijkt uit de vermelding van de hypotheekbewaarder telkens op het exploot zelf, met afgifte van een dubbel van het exploot) van : 1. het bevel voorafgaand aan het onroerend beslag van 27 november 1996 betekend op grond van hogervermelde beschikking (...) van 19 september 1991, en van het arrest (...) van 20 juni 1995 (telkens voor schadevergoeding, dwangsom en kosten), bevel overgeschreven op het eerste hypotheekkantoor te Leuven op 2 december 1996. 2. het exploot van uitvoerend beslag op onroerend goed van 30 december 1996 op grond van dezelfde titels, overgeschreven op het eerste hypotheekkantoor te Leuven op 7 januari 1997. De twee exploten werden telkens betekend tot waarborg van 25.000 BEF per vastgestelde overtreding, en 2.000 BEF per dag vertraging in uitvoering van de bevolen werken, alsmede twee maal 25.000 BEF in hoofdsom. Het arrest (...) van 21 mei 2002 heeft voor recht gezegd dat de verdere tenuitvoerlegging van voormelde beschikking van 19 september 1991 en arrest van 20 juni 1995 zal gebeuren voor een aantal kosten van betekeningen, bevelen, uitgifte, uitvoerend beslag, overschrijving en hernieuwing van overschrijving en voor een schadevergoeding van (...) 1.237,47 euro, dwangsommen van (...) 619,73 euro, van (...) 49,58 euro per dag vanaf 24 juni 1996 tot de datum van uitvoering van de bevolen aanpassings- en herstelwerken. Op 16 oktober 2002, lieten (verweerders) aan de echtgenoten P.- M., een bevel betekenen voorafgaand aan onroerend beslag op het onroerend goed, (...), aan dit echtpaar door (eiseres) gekocht op 10 oktober 1997, met aanmaning aan laatstgenoemde als derde bezitter om afstand te doen van dit onroerend goed. Dit bevel werd betekend krachtens de volgende titels, alle vier uitgesproken tussen (verweerders) en het echtpaar P.- M. : 1. de beschikking (...) van 19 september 1991, 2. het arrest (...) van 20 juni 1995, 3. het arrest uitgesproken (...) op 15 januari 2002 4. het arrest uitgesproken (...) op 21 mei 2002. Het bevel beoogde de betaling, onder meer, van : "ten titel van dwangsom (...) 49,58 euro per dag vanaf 24 juni 1996 tot de datum van uitvoering van de door het arrest van 20 juni 1995 bevolen aanpassing en herstelwerken, hetzij ten voorlopige titel tot op 31 juli 2002 : 2.228 dagen x 49,58 euro = (...) 110.464,24 euro". Beoordeling : Tengevolge van de overschrijvingen die dagtekenen van voor de datum van de verkoop van het onroerend goed aan (eiseres), is deze laatste partij gehouden tot betaling van de schulden die er uit voortspruiten en wanneer zij geen gevolg geeft aan die bevelen, zijn (verweerders) gerechtigd de uitwinning van het onroerend goed te vervolgen. Dit volgt uit de artikelen 1577iuncto en 1575 van het Gerechtelijk Wetboek en 98 en 99 van de Hypotheekwet. De derde bezitter, die (eiseres) in casu is, is verplicht van het met overschrijvingen voorzien onroerend goed afstand te doen, ofwel alle opeisbare intresten en kapitalen te voldoen, "hoe groot het bedrag daarvan ook mag zijn". (cfr. artikel 98). En voldoet de derde bezitter niet aan deze verplichting, dan heeft de overgeschreven schuldeiser het recht om het met overschrijvingen bezwaard onroerend goed tegen hem te doen verkopen, dertig dagen na bevel te hebben gedaan aan de oorspronkelijke schuldenaar, en na aanmaning aan de derde-bezitter om de opeisbare schuld te betalen of van het erf afstand te doen (cfr. artikel 99 van de Hypotheekwet). Deze formaliteiten van bevel en aanmaning werden in hetzelfde exploot van 16 oktober 2002 vervuld. De vervreemding van het goed op 10 oktober 1997 geschiedde onder de opschortende voorwaarde dat het beslag verdwijnt : de verkoop maakt de eigendom van het goed niet over aan de koper. Deze laatste is, ten aanzien van de vervolgende partij een gewone bezitter zonder titel. De vervreemding heeft geen enkele invloed op het verder verloop van de uitwinning (...). Dit geldt uiteraard eveneens ten aanzien van de overgeschreven exploten van bevel en beslag, waarvan sprake in artikel 1577, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Door de overschrijvingen en door de betekening van de aanmaning in het zelfde exploot kan de derde-bezitter, in casu (eiseres), niet onwetend zijn van de titels tegen de oorspronkelijke schuldenaars. Deze titels moeten hem niet worden betekend (...). Niettegenstaande wat vermeld staat op het attest van de hypotheekbewaarder gehecht aan de aanmaning van 16 oktober 2002, werden het bevel en het beslag van 27 november en 30 december 1996 wel degelijk overgeschreven, en niet ingeschreven, zoals blijkt uit de vermelding van de hypotheekbewaarder telkens op het exploot zelf, met afgifte van een dubbel van het exploot. Zoals de hypotheken vormen deze overschrijvingen een zakelijk recht dat de goederen volgt in welke handen zij zich ook mogen bevinden (artikel 41 van de Hypotheekwet). De schuldvorderingen, die de derde-bezitter volgens de aanmaning dient te betalen, moeten echter volgens artikel 99, eerste lid, in fine, van de Hypotheekwet opeisbaar zijn. Het volgrecht van (verweerders) is beperkt tot de dwangsommen verbeurd tot 10 oktober 1997. Dwangsommen verbeurd na 10 oktober 1997, waren op die datum immers niet opeisbaar. (Verweerders) hebben een volgrecht op het onroerend goed gekocht door (eiseres) ten belope van dwangsommen verbeurd tussen 24 juni 1996 tot 10 oktober 1997, hetzij gedurende 553 dagen of (...) 27.417,02 euro per partij in het arrest van 20 juni 1995. De aanmaning is daarenboven geldig voor de andere bedragen en kosten die opeisbaar waren voor 10 oktober 1997, zoals nader bepaald in het dispositief van huidig arrest. De thans gevraagde dwangsom : (Eiseres) vraagt dat handlichting van het beslag zou worden bevolen onder verbeurte van een dwangsom van 200 euro per dag dat geen gevolg wordt gegeven aan dat bevel. Deze vordering is ongegrond, nu de eis van (eiseres) ongegrond is, weliswaar slechts ten belope van de sommen aangeduid in het dispositief. De schadevergoeding : Vervolgens vraagt (eiseres) nog een schadevergoeding van 2.000 euro wegens tergende en roekeloze aanmaning. Nu de aanmaning toch gegrond is, weze het voor een beperkter bedrag dan dat van het bevel, is de vordering in schadevergoeding ongegrond". Grieven 1.1. Uit de artikelen 1565, 1569, 1575 en 1577 van het Gerechtelijk Wetboek volgt weliswaar dat de handelingen van vervreemding verricht door de schuldenaar op de onroerende goederen waarop beslag is gelegd of die in het bevel zijn aangeduid, niet kunnen ingeroepen worden tegen onder andere de beslagleggende schuldeisers die het beslag of het voorafgaand bevel hebben laten overschrijven. Het gevolg hiervan is enkel dat bedoelde onroerende goederen onbeschikbaar worden voor de schuldenaar ten aanzien van de in deze bepalingen vermelde schuldeisers vanaf de dag van de overschrijvingen van het beslag of het voorafgaand bevel. Deze wetsbepalingen hebben echter geenszins tot gevolg dat de verkrijger van het onroerend goed waarop beslag is gelegd of dat in het bevel is aangeduid, zelf schuldenaar van de beslagleggende schuldeiser wordt en "gehouden is tot betaling" van de schulden die voortspruiten uit de verrichte overschrijvingen, na betekening van een "aanmaning" door deze schuldeiser. 1.2. Die overschrijvingen kunnen overigens niet worden gelijkgesteld met onroerende voorrechten in de zin van artikel 27 van de Hypotheekwet of hypotheken in de zin van artikel 41 van de Hypotheekwet, en leveren evenmin een "zakelijk recht" op. De enige wettige redenen van voorrang zijn, naar luid van artikel 9 van de Hypotheekwet, de voorrechten en hypotheken. Er bestaan geen andere zakelijke rechten dan de rechten vermeld in artikel 543 van het Burgerlijk Wetboek 1.3. Het "volgrecht", bedoeld in de artikelen 41 en 96 van de Hypotheekwet, kan in de regel enkel worden ingeroepen door schuldeisers die een ingeschreven onroerend voorrecht of hypotheek bezitten op het onroerend goed in de zin van de artikelen 29 of 81 van de Hypotheekwet. Slechts in dat geval is er sprake van een "derde-bezitter" in de zin van de artikelen 98 en 99 van de Hypotheekwet, die overigens, ondanks de bewoordingen van deze wetsbepalingen, geenszins "verplicht" is afstand te doen van het onroerend goed of alle opeisbare interesten en kapitalen te voldoen, of nog de zuivering van het goed te vorderen in de zin van artikel 97 van de Hypotheekwet. Hij kan van deze mogelijkheden gebruik maken. Indien hij hiervan geen gebruik maakt, is het enig gevolg hiervan dat de vervolgende schuldeiser, na aanmaning aan de derde-bezitter in de zin van artikel 99 van de Hypotheekwet, kan overgaan tot uitwinning van het onroerend goed. 1.4. Te dezen stelt het hof van beroep echter nergens vast dat de verweerders een ingeschreven onroerend voorrecht of hypotheek bezitten op het onroerend goed van eiseres. Volgens de vaststellingen in het aangevochten arrest hebben zij enkel herhaaldelijk een bevel voorafgaand aan een uitvoerend beslag op onroerend goed en dit beslag laten overschrijven - en niet inschrijven (arrest, p. 3, in fine en p. 6, al. 6) - in de registers van de hypotheekbewaarder. Uit het voorgaande volgt dan ook dat het hof niet wettig oordeelt : (
  3. a)dat "uit artikel 1577 iuncto en 1575, van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 98 en 99 van de Hypotheekwet" volgt dat louter "tengevolge van de overschrijvingen die dagtekenen van voor de datum van de verkoop van het onroerend goed aan (eiseres), deze laatste partij gehouden is tot betaling van de schulden die er uit voortspruiten en (dat) wanneer zij geen gevolg geeft aan die bevelen, (verweerders) gerechtigd (zijn) de uitwinning van het onroerend goed te vervolgen" (arrest, p. 5, in fine) (schending van de artikelen 1565, 1569, 1575 en 1577 van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 98 en 99 van de Hypotheekwet), (
  4. b)dat eiseres een "derde-bezitter" is in de zin van de artikelen 98 en 99 van de Hypotheekwet (arrest, p. 5, in fine) die de schuldvorderingen volgens de aanmaning dient te betalen, in zoverre ze opeisbaar zijn (arrest, p. 7, al. 3) (schending van deze wetsbepalingen), (
  5. c)dat eiseres als "derde-bezitter" verplicht is van het met overschrijvingen voorzien onroerend goed afstand te doen, ofwel alle opeisbare intresten en kapitalen te voldoen, "hoe groot het bedrag daarvan ook mag zijn" (cfr. art. 98)" (arrest, p. 5, in fine), bij ontstentenis waarvan de "overgeschreven schuldeiser het recht (heeft) om het met overschrijvingen bezwaard onroerend goed tegen hem te doen verkopen, dertig dagen na bevel te hebben gedaan aan de oorspronkelijke schuldenaar, en na aanmaning aan de derde-bezitter om de opeisbare schuld te betalen of van het erf afstand te doen (cfr. artikel 99 van de Hypotheekwet)'' (arrest, p. 5 in fine en p. 6, bovenaan) (schending van de artikelen 41, 96, 98 en 99 van de Hypotheekwet) en (
  6. d)dat de door verweerders verrichte overschrijvingen van "het bevel en het beslag van 27 november en 30 december 1996" (...) "zoals de hypotheken" een zakelijk recht "vormen (...) dat de goederen volgt in welke handen zij zich ook mogen bevinden (artikel 41 van de Hypotheekwet)" (arrest, p. 6, al. 6 en 7) (schending van artikel 543 van het Burgerlijk Wetboek, van de artikelen 9, 27, 29, 41, 81, 96, 98 en 99 van de Hypotheekwet en van de artikelen 1565, 1569, 1575 en 1577 van het Gerechtelijk Wetboek). Bijgevolg heeft het hof niet wettig kunnen beslissen dat de aan eiseres betekende "aanmaning van 16 oktober 2002" geldig is en dat eiseres' hoofdberoep "voor het overige ongegrond" is. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 1577, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vanaf de dag van de overschrijving van het beslag of van het bevel, de handelingen van vervreemding of van vestiging van een hypotheek, verricht door de schuldenaar op de onroerende goederen waarop beslag is gelegd of die in het bevel zijn aangeduid, niet kunnen worden ingeroepen tegen de in artikel 1575 bedoelde derden ; Dat artikel 1575 deze derden preciseert als de ingeschreven schuldeisers, enige andere schuldeiser die naar behoren de in artikel 1565 bedoelde overschrijving heeft gedaan, de beslagleggers en de koper ; Dat de in artikel 1565 bedoelde overschrijving deze is van het bevel dat voorafgaat aan het uitvoerend beslag op onroerend goed ; Dat, krachtens artikel 1569, eerste lid, ook het beslagexploot zelf moet worden overgeschreven en dit uiterlijk binnen vijftien dagen in het daartoe bestemde register op het hypotheekkantoor van de plaats waar de goederen gelegen zijn ; Overwegende dat uit voormelde bepalingen volgt dat, vanaf de overschrijving van het bevel of het beslag, de door de beslagen schuldenaar gestelde daden van beschikking niet kunnen worden tegengeworpen aan de beslagleggende schuldeiser ; Dat de niet-tegenwerpelijkheid tot gevolg heeft dat de beslagleggende schuldeiser de uitwinning kan vervolgen op het onroerend goed in handen van de persoon aan wie het goed werd overgedragen in weerwil van het overgeschreven bevel of beslag ; Dat deze laatste de uitwinning kan verhinderen, inzonderheid door overeenkomstig artikel 1578 voldoende geld in consignatie te geven, maar evenzeer door betaling van de schuld die de oorzaak is van het beslag ; dat hij aldus in een gelijkaardige positie verkeert als een derde-bezitter zoals bedoeld in de artikelen 96 en volgende van de Hypotheekwet, door zonder zelf persoonlijk schuldenaar te zijn van de vervolgende partij, de schuld die de oorzaak is van het beslag te voldoen met het oog op de bevrijding van het beslagen onroerend goed ; Overwegende dat het middel dat ervan uitgaat dat de artikelen 1565, 1569, 1575 en 1577 van het Gerechtelijk Wetboek er geenszins kunnen toe leiden dat de verkrijger van het onroerend goed waarop het beslag is gelegd of dat in het bevel is aangeduid, genoodzaakt wordt om de schulden te betalen die voortspruiten uit de verrichte overschrijvingen, om de onbeschikbaarheid van de onroerende goederen ongedaan te maken, berust op een onjuiste rechtsopvatting; Dat het middel faalt naar recht ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd zesennegentig euro eenennegentig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd vierenzestig euro tweeëndertig cent jegens de verwerende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van zeven november tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051107.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.