← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.15 Rolnummer: P.05.0698.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-09-20 Raadplegingen: 561 - laatst gezien 2026-07-04 07:31 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 4 A.W.D.A., dat in werking getreden is op 1 januari 1994, en de koninklijke besluiten betreffende de rechtsopvolgers van de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen hebben geen terugwerkende kracht en zijn niet toepasbaar op volledig onder de oude wet ontstane en definitief voltrokken toestanden, zodat de inning betreffende rechten verschuldigd vóór 1 januari 1994 nog steeds behoort aan de rechtsopvolgers van deze dienst, ook wanneer de inningshandelingen gesteld worden na deze datum

(1).
(1)Cass., 1 april 2003, AR P.02.1547.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030401.8, nr 219; 27 jan. 2004, AR P.03.0956.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040127.7, nr 47. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Landbouwheffingen Rechten verschuldigd vóór 1 januari 1994 Inning door de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen Overdracht van de bevoegdheid tot inning aan het bestuur van douane en accijnzen Volledig onder de oude wet ontstane en definitief voltrokken toestand Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1977 - Artt.1,4°en4 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Werking in de tijd Douane Algemene wet op de douane en accijnzen Artikel 4 Landbouwheffingen Inning door de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen Overdracht van de bevoegdheid tot inning aan het bestuur van douane en accijnzen Volledig onder de oude wet ontstane en definitief voltrokken toestand Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1977 - Artt.1,4°en4 Fiches 3 - 4 De omstandigheid dat artikel 4 A.W.D.A., gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 23 december 1993, in werking getreden op 1 januari 1994, onmiddellijke werking heeft, doet niet af aan de vóór die inwerkingtreding verworven bevoegdheid van de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen, rechtsvoorganger van het Belgisch Interventie en Restitutiebureau, tot inning van rechten verschuldigd vóór 1 januari 1994
(1).
(1)Cass., 1 april 2003, AR P.02.1547.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030401.8, nr 219; 27 jan. 2004, AR P.03.0956.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040127.7, nr 47. Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Algemene wet op de douane en accijnzen Artikel 4 Onmiddellijke werking Landbouwheffingen Rechten verschuldigd vóór 1 januari 1994 Inning door de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen Overdracht van de bevoegdheid tot inning aan het bestuur van douane en accijnzen Volledig onder de oude wet ontstane en definitief voltrokken toestand Gevolg WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Werking in de tijd Douane Algemene wet op de douane en accijnzen Artikel 4 Onmiddellijke werking Landbouwheffingen Inning door de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen Overdracht van de bevoegdheid tot inning aan het bestuur van douane en accijnzen Volledig onder de oude wet ontstane en definitief voltrokken toestand Gevolg Fiches 5 - 6 Het vroegere artikel 6, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr 1854/89 en het thans toepasselijke artikel 221, eerste lid, Communautair Douanewetboek, zijn geen materiële bepalingen, maar procedurele bepalingen, zodat voornoemd artikel 221, eerste lid, onmiddellijk toepasbaar is op hangende rechtsgedingen
(1).
(1)Artikel 221, eerste lid, Communautair Douanewetboek is krachtens artikel 253 van dit wetboek in werking getreden op de derde dag volgend op die van zijn bekendmaking in het Pulicatieblad van de Europese Gemeenschappen op 19 oktober 1992 en is van toepassing met ingang van 1 januari
  1. Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Werking in de tijd Douane Communautair Douanewetboek Artikel 221, eerste lid Verplichting tot mededeling van het bedrag van de te betalen rechten aan de schuldenaar Aard Procedurele bepaling Gevolg DOUANE EN ACCIJNZEN Communautair Douanewetboek Artikel 221, eerste lid Verplichting tot mededeling van het bedrag van de te betalen rechten aan de schuldenaar Aard Procedurele bepaling Werking in de tijd Fiche 7 De interpretatie van artikel 221 Communautair Douanewetboek, waarbij wordt aangevoerd dat de tekst van het oorspronkelijk artikel 221, derde lid, en van het nieuwe artikel 221, vierde lid, van dit wetboek, zo moet begrepen worden dat het niet in staat zijn om het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen enkel slaat op de onmogelijkheid om dit bedrag vast te stellen binnen de periode van drie jaar en dat deze tekst onmogelijk kan inhouden dat het louter bestaan van een strafrechtelijke invorderingsprocedure, zonder dat wordt aangetoond dat de douaneautoriteiten de betrokken douanebedragen niet konden berekenen, volstaat om af te wijken van artikel 221, eerste lid, Communautair Douanewetboek, voegt toe aan deze duidelijke bepalingen en faalt bijgevolg naar recht. Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Communautair Douanewetboek Artikel 221 Onmogelijkheid om het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.05.0698.N REYNIERS & SOGAMA bvba, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
  2. BELGISCH INTERVENTIE- EN RESTITUTIEBUREAU (BIRB),
  3. BELGISCHE STAAT, minister van Economie, verweerders, burgerlijke partijen, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 20 april 2005 op verwijzing gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. Deze verwijzing werd bevolen bij arrest van het Hof van 29 april 2003, dat omwille van een verschrijving verbeterd werd bij arrest van het Hof van 30 september
  4. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiseres stelt in een memorie vier middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Feitelijke gegevens en voorafgaande rechtspleging
  5. Uit het bestreden arrest blijken de volgende relevante feiten.
  6. Reyniers & Sogama bvba deed in de periode van 23 juni 1992 tot en met 27 oktober 1993, in haar hoedanigheid van douane-expediteur, in opdracht en voor rekening van de Liechtensteinse vennootschap Ani Fin en van de Zwitserse vennootschap Treufina, met T1-documenten aangifte van een aantal zendingen diepgevroren boter als niet-communautaire goederen met oog op extern communautair douanevervoer. Die boter was afkomstig uit een derde land, namelijk Tsjechië, en zou vanuit Gent in België, via Triëste in Italië naar Zagreb in Kroatië of Ljubljana in Slovenië worden vervoerd.
  7. De Belgische douane stelde een onderzoek in. Uit het proces-verbaal nr. A 8146 van 22 oktober 1996 van de opsporingsectie te Gent, die het onderzoek heeft verricht, blijkt dat het communautair douanevervoer niet werd voltrokken. De zendingen waren aangezuiverd met valse douanestempels.
  8. In de loop van het onderzoek hadden de verbalisanten op 29 oktober 1993 J. R., bestuurder van Reyniers & Sogama bvba, kennis gegeven dat de T1-documenten waren gewaarmerkt met valse stempels en dus niet als aangezuiverd konden worden beschouwd. De raadsman van Reyniers & Sogama bvba vroeg bij fax van 27 januari 1994 aan de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen (CDCV) welke in die omstandigheden de verschuldigde heffingen, BTW enz. waren. Hij ontving antwoord. De douane gaf ook Generale Bank nv, borgsteller voor Reyniers & Sogama bvba, bij brieven van 21 oktober en 10 november 1993 kennis van de niet-aanzuivering van de T1-documenten.
  9. Op 22 oktober 1996 gaf de opsporingsectie aan Reyniers & Sogama bvba, vertegenwoordigd door J. R., lezing van haar proces-verbaal dat de bedragen van de heffingen vermeldt, en overhandigde J. R. tegen ontvangstbewijs een afschrift van het originele proces-verbaal. De douane gaf Reyniers & Sogama bvba bij aangetekende brief van 25 november 1996 kennis van de invordering van onder meer het verschuldigde bedrag aan invoerrechten.
  10. J. R. en Reyniers & Sogama bvba werden op 3 februari 1997 op verzoek van de Belgische Staat, minister van Financiën, (administratie der Douane en Accijnzen) vervolgd: - de eerste: om als mededader zich te Gent in de periode van 23 juni 1992 tot en met 30 september 1993 schuldig gemaakt te hebben aan de niet-aanzuivering van 28 communautaire doorvoerdocumenten T1, waarvan de aanzuivering ten kantore van uitreiking is voorgeschreven, feit strafbaar gesteld door artikel 257, ,§ 1, Algemene Wet Douane en Accijnzen (AWDA); - de tweede: als civielrechtelijk aansprakelijke partij voor de eerste.
  11. J. R. en Reyniers & Sogama bvba werden bij exploten van 18 en 22 februari 1997 tevens rechtstreeks gedagvaard door de Belgische Staat, minister van Economie (CDCV) en door het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (BIRB) om hen solidair, hetzij in solidum, hetzij de ene bij gebreke aan de andere, 76.610.984 frank en interest te betalen.
  12. Het vonnis van 27 juni 2001 van de Correctionele Rechtbank te Gent heeft J. R. vrijgesproken en Reyniers & Sogama bvba buiten zake gesteld. Het openbaar ministerie, het BIRB en de Belgische Staat (CDCV) kwamen van dit vonnis in hoger beroep.
  13. Het arrest van 21 november 2002 van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, oordeelde dat het hoger beroep van het openbaar ministerie niet ontvankelijk was en sprak, na evocatie van de zaak, J. R. vrij en stelde de civielrechtelijk aansprakelijke partij Reyniers & Sogama bvba buiten zake. Verder verklaarde het arrest de rechtstreekse dagvaarding van de Belgische Staat (CDCV) en het BIRB ontvankelijk doch ongegrond. Deze laatsten stelden tegen dit arrest cassatieberoep in.
  14. Het arrest van het Hof van 29 april 2003 verwierp de cassatieberoepen voor zover ze gericht waren tegen J. R.. Het vernietigde anderzijds het arrest: - in zoverre het beslist dat het enkel geadieerd is van de vervolgingen van de Belgische Staat (CDCV) en van het BIRB tegen Reyniers & Sogama bvba in haar hoedanigheid van civielrechtelijk aansprakelijke partij; - in zoverre het de vordering van deze eisers als burgerlijke partijen tegen Reyniers & Sogama bvba afwijst.
  15. Het thans bestreden arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, rechtdoende binnen de perken van de verwijzing en met éénparigheid van stemmen: - verklaart de vordering van de Belgische Staat (CDCV) niet ontvankelijk; - verklaart de vordering van het BIRB wel ontvankelijk en veroordeelt Reyniers & Sogama bvba tot betaling van 1.899.136,69 euro verschuldigde invoerheffingen plus interest. V. Beslissing van het Hof
  16. Eerste middel 1.1 Eerste onderdeel
  17. Overwegende dat artikel 1, ,§ 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 betreffende de toepassing van de handelingen uitgaande van de bevoegde instellingen der Europese Gemeenschappen in verband met de landbouw, de CDCV, gemandateerd door de Belgisch-Luxemburgse administratieve commissie, belast met het innen, voor rekening van de Europese Gemeenschappen, van de heffingen, premies, extrabedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen en de overige in het kader van het landbouwbeleid ingevoerde of in te voeren rechten verschuldigd bij de invoer en bij de uitvoer van sommige producten;
  18. Overwegende dat ingevolge het artikel 3, ,§ 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1995 houdende herstructurering van het ministerie van Economische Zaken en het koninklijk besluit van 11 december 1995 tot regeling van de overdracht van goederen, de rechten en plichten van de CDCV en van de sector "Industrieel bedrijfsleven" van de Belgische Dienst voor bedrijfsleven en landbouw, de bevoegdheden van de CDCV werden overgeheveld naar het BIRB;
  19. Overwegende dat artikel 4 AWDA, gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 23 december 1993, in werking getreden op 1 januari 1994, bepaalt: "De administratie der douane en accijnzen is belast met de inning van de rechten bij invoer bedoeld in artikel 1, 4°, a, 1, van de rechten bij uitvoer bedoeld in artikel 1, 4°, b, 1 en van de accijnzen. Binnen de beperkingen en volgens de voorwaarden vastgesteld door de Koning, is de administratie der douane en accijnzen eveneens bevoegd om de rechten bij invoer te innen bedoeld in artikel 1, 4°, a, 2, en de rechten bij uitvoer bedoeld in artikel 1, 4°, b, 2".
  20. Overwegende dat het koninklijk besluit van 30 december 1993 betreffende de toepassing van de handelingen uitgaande van de bevoegde instellingen der Europese Gemeenschappen in verband met de landbouw, inzonderheid de artikelen 1, ,§ 1, 15, 16, en 33, de inning van landbouwheffingen toevertrouwt aan de administratie van douane en accijnzen en het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 opheft;
  21. Overwegende dat het vermelde artikel 4 AWDA en het koninklijk besluit van 30 december 1993 geen terugwerkende kracht hebben en ook niet toepasbaar zijn op de volledig onder de oude wet ontstane en definitief voltrokken toestanden; Dat het onderdeel in zoverre faalt naar recht;
  22. Overwegende dat de bevoegdheid tot inning van rechten verschuldigd vóór 1 januari 1994 een volledig onder de oude wet ontstane en definitief voltrokken, met andere woorden verworven toestand is; dat het arrest derhalve wettig vermocht te oordelen dat deze inning nog steeds behoort aan de rechtsopvolger van de CDCV, dit is het BIRB, ook wanneer inningshandelingen gesteld worden na 1 januari 1994; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen; 1.2 Tweede onderdeel
  23. Overwegende dat de omstandigheid dat artikel 4 AWDA, gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 23 december 1993, in werking getreden op 1 januari 1994, onmiddellijke werking heeft, niet afdoet aan de voor zijn inwerkingtreding verworven bevoegdheid van de CDCV, rechtsvoorganger van het BIRB, tot inning van rechten verschuldigd vóór 1 januari 1994; Dat het onderdeel faalt naar recht;
  24. Tweede middel 2.1 Eerste onderdeel
  25. Overwegende dat het arrest oordeelt: "Dat vooreerst dient vastgesteld (te worden) dat de feiten waarmee de douaneschuld in casu verband houdt zich hebben voorgedaan vóór 1 januari 1994 (datum van de inwerkingtreding van het CDW en van de Uitvoeringsverordening nummer 2454/93 van de Commissie), namelijk in 1992 en 1993 zoals voormeld; Dat derhalve te dezen de materiële voorschriften van toepassing zijn van de regeling die gold vóór de inwerkingtreding van het Communautair Douanewetboek, meer bepaald, wat de mededeling van de douaneschuld betreft, de Verordening (EEG) nummer 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij invoer of bij uitvoer (Publicatieblad 30 juni 1989, afl. 186, blz. 1), van toepassing zijnde op de bedragen aan rechten die met ingang van 1 juli 1990 werden geboekt (artikel 26)";
  26. Overwegende dat artikel 6, lid 1, van de Verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer, bepaalde: "Onmiddellijk na de boeking dient het bedrag van de rechten op de voorgeschreven wijze aan de tot betaling gehouden persoon te worden medegedeeld".
  27. Dat artikel 221, lid 1, Communautair Douanewetboek (CDW), dat krachtens artikel 253 in werking treedt de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, dit is 12 oktober 1992, en van toepassing is met ingang van 1 januari 1994, bepaalt: "Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld".
  28. Overwegende dat, zoals eiseres aanvoert, artikel 6, lid 1, van de Verordening (EEG) nr. 1854/89 en artikel 221, lid 1, CDW, geen materiële bepalingen zijn maar procedurele bepalingen, zodat, anders dan het arrest oordeelt, te dezen artikel 221, lid 1, CDW onmiddellijk toepasbaar is op het hangende rechtsgeding;
  29. Overwegende dat evenwel, zoals ook het arrest overweegt, artikel 6, lid 1, van de vermelde verordening nagenoeg identiek is aan artikel 221, lid 1, CDW;
  30. Overwegende dat het arrest oordeelt dat te dezen de kennisgeving van de douaneschuld gebeurde met een rechtstreekse dagvaarding voor de Correctionele Rechtbank te Gent, betekend op 21 februari 1997;
  31. Overwegende dat de beslissing van het arrest, op grond van de feitelijke gegevens die het onaantastbaar vaststelt en waartegen eiseres niet opkomt, bij toepassing van artikel 221, lid 1, CDW, naar recht verantwoord blijft; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; 2.2 Tweede onderdeel
  32. Overwegende dat het arrest zegt: "Dat, met andere woorden, de boeking geen absolute geldigheidsvoorwaarde of procedureformaliteit uitmaakt voor de mededeling of de invordering (cf. Beschikking van het Hof van Justitie de dato 11 oktober 2001 in de zaak C-300/00 m.b.t. William Hinton & Sons Lda)";
  33. Overwegende dat het arrest hiermede zijn oordeel verantwoordt ongeacht de omstandigheid dat de beschikking niet handelt over artikel 221 CDW, maar over onder meer de Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide;
  34. Overwegende dat het arrest, na een verwijzing naar de overweging nr. 64 van het arrest van het Hof van Justitie van 13 maart 2003 inzake het Koninkrijk der Nederlanden tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen Zaak C-156/00, oordeelt: "Dat uit generlei nationale of communautaire regelgeving blijkt of dient afgeleid (te worden) dat de kwestieuze mededeling op een welbepaalde formele wijze zou dienen te geschieden of slechts na boeking van de douaneschuld rechtsgeldig zou kunnen geschieden";
  35. Overwegende dat, afgezien dat, zoals de eiseres aanvoert, deze laatste overweging berust op een onjuiste lezing van het arrest van het Hof van Justitie, deze overweging en de hoger vermelde overweging geen afbreuk doen aan de verdere overweging van het arrest omtrent de omstandigheid dat de CDVC noch het BIRB de mogelijkheid hebben om een dwangbevel uit te vaardigen en aldus hun invordering instellen voor de burgerlijke rechtbank of voor de strafrechter tegelijkertijd met de strafvordering met een dagvaarding, in casu de rechtstreekse dagvaarding voor de Correctionele Rechtbank te Gent die betekend werd op 21 februari 1997;
  36. Overwegende dat het arrest verder onaantastbaar oordeelt dat: - op 22 oktober 1996 aan eiseres, vertegenwoordigd door J. R., lezing werd gegeven van het proces-verbaal van de administratie der douane en accijnzen te Gent, waarin op duidelijke en gedetailleerde wijze de bedragen van de heffingen zijn vermeld, en hem tegen ontvangstbewijs, een afschrift van het originele proces-verbaal werd afgegeven; - bij aangetekende brief van 25 november 1996 door de administratie van douane en accijnzen aan eiseres kennis werd gegeven van de invordering van onder meer het verschuldigde bedrag aan invoerrechten;
  37. Overwegende dat op grond van deze overwegingen, waarop de eiseres geen kritiek uitoefent, de beslissing van het arrest naar recht is verantwoord; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
  38. Derde middel 3.1 Eerste onderdeel
  39. Overwegende dat de hier toepasselijke tekst van artikel 221, lid 3, CDW, vóór de vervanging ervan bij artikel 1, 17, Verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, luidt: "De mededeling aan de schuldenaar mag niet meer geschieden na het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. Wanneer de douaneautoriteiten evenwel ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen, mag de vorenbedoelde mededeling, voor zover de geldende bepalingen daarin voorzien, nog na het verstrijken van de genoemde termijn van drie jaar worden gedaan".
  40. Overwegende dat het arrest oordeelt: "Dat zowel het oorspronkelijke artikel 221, derde lid, in fine als het nieuwe artikel 221, vierde lid, (CDW) dan ook in die zin moeten begrepen worden dat de vervaltermijn van drie jaar niet geldt wanneer de douaneschuld die ontstaat het gevolg is van een strafrechtelijk vervolgbare handeling";
  41. Overwegende dat de eiseres aanvoert dat de tekst zo moet begrepen worden dat "niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen" slaat op de onmogelijkheid om dit bedrag vast te stellen binnen die periode van drie jaar en dat hij onmogelijk kan inhouden dat het louter bestaan van een strafrechterlijke invorderingsprocedure, zonder dat wordt aangetoond dat de douaneautoriteiten de betrokken douanebedragen niet konden berekenen, volstaat om af te wijken van artikel 221, lid 1, CDW;
  42. Overwegende dat evenwel het oorspronkelijke artikel 221, lid 3, in fine, evenals als het nieuwe artikel 221, lid 4, CDW, duidelijk zijn; Dat het onderdeel in zoverre faalt naar recht;
  43. Overwegende dat het arrest onaantastbaar vaststelt dat strafbare handelingen werden gepleegd; dat het ook oordeelt dat de mededeling van het bedrag van de douaneschuld, op de wijze en in de omstandigheden die het arrest vermeldt, niet laattijdig is geschied; Dat het arrest hiermede zijn beslissing naar recht verantwoordt; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen; 3.
  44. Tweede onderdeel
  45. Overwegende dat het arrest oordeelt dat zowel de vroegere versie van artikel 221, lid 3, CDW, als de huidige versie van het lid 3 en het nieuwe lid 4 CDW, zoals respectievelijk vervangen en toegevoegd bij artikel 1, 17, Verordening (EG) nr. 2700/2000 op dezelfde wijze moeten worden begrepen;
  46. Overwegende dat het arrest hiermede niet zegt dat te dezen de huidige versie van artikel 221, lid 3 en 4, CDW toepasselijk is; Dat het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, feitelijke grondslag mist;
  47. Vierde middel 4.1 Eerste onderdeel
  48. Overwegende dat het arrest oordeelt dat de door de douanediensten aan eiseres en aan haar borgsteller, de Generale Bank nv, gedane kennisgevingen eiseres op duidelijke en ondubbelzinnige wijze op de hoogte brachten van de niet-aanzuivering van de betrokken documenten;
  49. Overwegende dat het arrest met de redenen die het ter zake bevat, het verweer van eiseres met betrekking tot de haar gedane kennisgeving beantwoordt; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 4.2 Tweede onderdeel
  50. Overwegende dat het arrest oordeelt: "Dat uit het geheel van voormelde kennisgevingen vaststaat dat (eiseres) op duidelijke en ondubbelzinnige wijze door de douanediensten op de hoogte werd gebracht van de niet-aanzuivering van de betrokken documenten; Dat hieruit, minstens impliciet maar zeker volgt dat (eiseres), te dezen een ervaren professionele actor zijnde, kennis had of diende te hebben van de voormelde termijn van drie maanden waarover zij beschikte en binnen dewelke ten genoegen van het kantoor van vertrek de regelmatigheid van het douanevervoer of de plaats waar de overtreding of regelmatigheid daadwerkelijk werd begaan, kon worden bewezen; Dat aldus wel degelijk het normdoel, zoals het ten grondslag ligt aan de te dezen geviseerde toepasselijke bepalingen van artikel 11bis van de Verordening (EEG) nummer 1062/87, artikel 34 van de Verordening (EEG) nummer 2726/90 en artikel 49 van de Verordening (EEG) nummer 1214/92 werd verwezenlijkt";
  51. Overwegende dat eiseres schending aanvoert van volgende verordeningsbepalingen: - Artikel 11bis van de Verordening (EEG) nr. 1062/87 van de Commissie van 27 maart 1987 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer, ingevoegd bij artikel 1 van de Verordening (EEG) nr. 1429/90 van de Commissie van 29 mei 1990 tot wijziging van de vermelde verordening: "
  52. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangeboden en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, geeft het kantoor van vertrek de aangever zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen elf maanden na de datum van geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer, daarvan kennis.
  53. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving dient met name de termijn te worden vermeld waarbinnen, ten genoegen van het kantoor van vertrek het bewijs van regelmatigheid van het douanevervoer moet worden geleverd of de plaats moet worden medegedeeld waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie maanden te rekenen van de datum van de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verlopen van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde Lid-Staat over tot de invordering van het bedrag aan rechten en andere heffingen dat verschuldigd is. In de gevallen waarin deze Lid-Staat niet die Lid-Staat is, waarin het kantoor van vertrek is gelegen, zal het kantoor van vertrek deze Lid-Staat informeren." - Artikel 34 van de Verordening (EEG) nr. 2726/90 van de Raad van 17 september 1990 betreffende communautair douanevervoer: "
  54. Wanneer wordt vastgesteld dat tijdens of naar aanleiding van een communautair douanevervoer in een bepaalde Lid-Staat een overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt de actie tot invordering van de eventueel opeisbare rechten en andere heffingen - onverminderd eventuele strafvervolging - door deze Lid-Staat ingesteld volgens de communautaire of nationale bepalingen.
  55. Wanneer wordt vastgesteld dat bij een communautair douanevervoer een overtreding of een onregelmatigheid is begaan, zonder dat het mogelijk is de plaats te bepalen waar zij is begaan, wordt deze overtreding of onregelmatigheid geacht te zijn begaan in de Lid-Staat waar zij is vastgesteld.
  56. Wanneer de zending niet aan het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, wordt deze overtreding of onregelmatigheid geacht te zijn begaan - in de Lid-Staat waartoe het kantoor van vertrek behoort, of - in de Lid-Staat waartoe het kantoor van doorgang bij binnenkomst in de Gemeenschap behoort en waaraan een kennisgeving van doorgang is afgegeven, tenzij binnen een nader te bepalen termijn, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan. Indien, bij gebreke van een dergelijk bewijs, genoemde overtreding of onregelmatigheid geacht blijkt te zijn begaan in de Lid-Staat van vertrek of in de Lid-Staat van binnenkomst als bedoeld in de eerste alinea, tweede streepje, worden de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door deze Lid-Staat geïnd volgens de communautaire of nationale bepalingen. Indien vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van geldigmaking van de aangifte T1, kan worden vastgesteld in welke Lid-Staat genoemde overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, gaat deze Lid-Staat overeenkomstig de communautaire of nationale bepalingen over tot de inning van de rechten en andere heffingen (met uitzondering van die welke overeenkomstig de tweede alinea als eigen middelen van de Gemeenschap worden geïnd) op de betrokken goederen. In dat geval worden de aanvankelijk geïnde rechten en andere heffingen (met uitzondering van die welke als eigen middelen van de Gemeenschap worden geïnd) terugbetaald zodra het bewijs is geleverd dat deze zijn geïnd. De zekerheid waaronder het communautair douanevervoer heeft plaatsgevonden, wordt pas vrijgegeven aan het eind van genoemde termijn van drie jaar of eventueel na betaling van de rechten en andere heffingen die van toepassing zijn in de Lid-Staat waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om overtredingen en onregelmatigheden te bestrijden en doeltreffend te bestraffen." - Artikel 49 van Verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie van 21 april 1992 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer: "
  57. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangeboden en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, geeft het kantoor van vertrek de aangever zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen elf maanden na de datum van geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer, daarvan kennis.
  58. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving dient met name de termijn te worden vermeld waarbinnen aan het kantoor van vertrek, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, de regelmatigheid van het douanevervoer kan worden bewezen of de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan, kan worden medegedeeld. Deze termijn bedraagt drie maanden te rekenen van de datum van de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verlopen van deze termijn niet wordt geleverd, gaat de bevoegde Lid-Staat over tot de invordering van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen. In de gevallen waarin deze Lid-Staat niet die is waarin het kantoor van vertrek is gelegen, zal dat kantoor genoemde Lid-Staat daarvan onverwijld op de hoogte brengen."
  59. Overwegende dat eiseres betoogt dat het oordeel van het bestreden arrest in strijd is met de duidelijke wetteksten die zij in haar middel aanvoert, maar ook met de rechtspraak van het Hof van Justitie; dat zij ter zake verwijst naar de rechtsoverwegingen nr. 29-31 van het arrest in de zaak C-233/98, Lensing/Brockhausen, 21 oktober 1999, met betrekking tot zowel artikel 3, lid 3, Verordening (EEG) nr 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer, als artikel 11bis, lid 2, van de Verordening (EEG) nr. 1062/87, en ook naar de rechtsoverweging nr. 24 van het arrest in de zaak C-300/03 in de zaak Honeywell Aerospace Gmbh/Hauptzollamt Giessen, betreffende de artikelen 378, lid 1, en 379, van de Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 21 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening nr. 2913/92, die nagenoeg identiek zijn aan de in het middel vermelde EG-bepalingen;
  60. Overwegende dat aldus een vraag rijst over de uitlegging van deze bepaling, waarop het antwoord noodzakelijk is voor het beoordelen van het onderdeel van het middel, zodat het Hof bij toepassing van artikel 234 (ex artikel 177) van het EEG-verdrag het Hof van Justitie een prejudiciële vraag moet stellen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Houdt iedere verdere uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak heeft gedaan over onderstaande vraag: "Moeten artikel 11bis van de Verordening (EEG) nr. 1062/87 van de Commissie van 27 maart 1987 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer, ingevoegd bij artikel 1 van de Verordening (EEG) nr. 1429/90 van de Commissie van 29 mei 1990 tot wijziging van de vermelde verordening, artikel 34 van de Verordening (EEG) nr. 2726/90 van de Raad van 17 september 1990 betreffende communautair douanevervoer en artikel 49 van Verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie van 21 april 1992 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer, zo uitgelegd worden: - dat ondanks dat de kennisgeving aan de aangever geen melding maakte van de termijn van drie maanden waarbinnen aan het kantoor van vertrek, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, de regelmatigheid van het douanevervoer kan worden bewezen of de plaats waar de onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan, de rechter naar feitelijke omstandigheden die zijn beslissing kunnen wettigen, kan oordelen dat de kennisgeving zonder melding van de termijn van drie maanden toch het wettelijke normdoel heeft verwezenlijkt; - dan wel dat de kennisgeving aan de aangever verplicht melding moet maken van de termijn van drie maanden waarbinnen aan het kantoor van vertrek, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, de regelmatigheid van het douanevervoer kan worden bewezen of de plaats waar de onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan, zodat de bevoegde autoriteit slechts tot inning kan overgaan nadat hij de aangever er expliciet op gewezen heeft dat hij over drie maanden beschikt om het gevraagde bewijs te leveren en wanneer dat bewijs niet binnen deze termijn geleverd is". Houdt de kosten aan. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.15 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061024.10 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030401.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040127.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.