id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.16 Rolnummer: P.05.0791.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Belastingrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-09-20 Raadplegingen: 554 - laatst gezien 2026-07-04 08:34 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De strafrechter, die ter gelegenheid van de strafvervolging kennis neemt van de vordering tot betaling van de ontdoken douane- of accijnsrechten, is niet verplicht de beklaagde tijdens het debat toelichting te geven over de wetsbepalingen betreffende die vordering, die in de rechtstreekse dagvaarding van de administratie worden vermeld en waarop hij zich kan verdedigen. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Accijnzen Vordering van de administratie tot betaling van ontdoken accijnsrechten Wetsbepalingen vermeld in de rechtstreekse dagvaarding van de administratie Verplichting van de rechter Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Accijnzen Vordering van de administratie tot betaling van ontdoken accijnsrechten Wetsbepalingen vermeld in de rechtstreekse dagvaarding van de administratie Verplichting van de rechter Thesaurus CAS: DAGVAARDING Vrije woorden: DAGVAARDING Rechtstreekse dagvaarding Strafzaken Accijnzen Vordering van de administratie tot betaling van ontdoken accijnsrechten Wetsbepalingen vermeld in de rechtstreekse dagvaarding van de administratie Verplichting van de rechter Fiches 4 - 6 Artikel 50, eerste lid, Strafwetboek geldt ook voor de enige boete die in zake douane en accijnzen tegen de overtreders wordt uitgesproken, daar zij het materiële feit van de overtreding treft en een zakelijk karakter heeft
(1)Zie Cass., 28 nov. 1881, Pas., 1882, I, 5; 5 okt. 1903, Pas., 1904, I, 21; R.P.D.B., dl. IV, tw. "Douane et accises", nr 441. De boete inzake douane en accijnzen heeft sinds de opheffing van artikel 100, tweede lid, Strafwetboek, niet meer het gemengd karakter van een straf en een schadevergoeding, maar is enkel nog een straf met een zakelijk karakter (Zie Cass., 21 sept. 1999, AR P.98.1346.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990921.8, nr 474; 29 april 2003, AR P.02.1459.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8 - P.02.1578.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8, nr 268). Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Veroordeling tot een geldboete Aard Gevolg Hoofdelijkheid Artikel 50, Sw. Thesaurus CAS: HOOFDELIJKHEID Vrije woorden: HOOFDELIJKHEID Strafzaken Douane en accijnzen Veroordeling tot een geldboete Aard Gevolg Artikel 50, Sw. Toepasselijkheid Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Vrije woorden: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Douane en accijnzen Veroordeling tot een geldboete Aard Gevolg Artikel 50, Sw. Toepasselijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.05.0791.N I. 1. C. P. F. J. M., eiser, beklaagde, 2. KAPELSE DRANKENHALLE nv, eiseres, civielrechtelijk aansprakelijke partij, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie. II. V. M. A., eiseres, beklaagde, allen tegen FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, verweerder, vervolgende partij, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 27 april 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers sub I stellen in een memorie vier middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De eiseres sub II stelt geen middel voor. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen 1. Eerste middel in zijn geheel Overwegende dat het arrest beslist over drie vervolgingen tegen respectievelijk: - zaak I. beklaagden: P. C., M. V., F. N., M. L.; - zaak II. beklaagden: P. C., M. V., K. A., G. D., M. W., S. J., H. H., S. W., A. S., R. T. en S. T.; - zaak III. beklaagden: P. C., M. V., K. A. en G. D.; Overwegende dat het arrest beslist: "Verklaart beklaagden P. C. en M. V. schuldig, als dader/mededader, aan de hen: - in zaak I sub 1 en 2 (beide zoals thans aangehouden), - in de zaak II sub 1 en 2 (beide zoals thans aangehouden), - in de zaak III sub 1, 2 en 3 (alle zoals thans aangehouden) ten laste gelegde feiten. Veroordeelt beklaagden P. C. en M. V. dienvolgens hoofdens deze vermengde feiten onderling soldidair tot een geldboete van (277.718.510: 40,3399 euro
- of)zes miljoen achthonderd vierentachtigduizend vierhonderd tweeënzestig euro drie cent (EUR 6.884.462,03), zijnde tienmaal de ontdoken accijnzen en bijzondere accijnzen (zaken I, II en III) of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, deze beklaagden hiertoe solidair veroordeeld wordende met: - beklaagden F. N. en M. L. ten belope van (205.629.950 : 40,3399 euro
- of)EUR 5.097.433,31; - beklaagden K. A. en G. D. ten belope van (72.088.560 : 40,3399 euro
- of)EUR 1.787.028,72; - beklaagden S. J., H. H., S. W., A. S., R. T. en S. T. ten belope van (57.853.040 : 40,3399 euro
- of)EUR 1.434.139,40; Verklaart de beklaagden F. N. en M. L. schuldig, als dader/mededader aan de hen in zaak I sub 2 ten laste gelegde feiten (zoals thans aangehouden). Veroordeelt de beklaagden F. N. en M. L. onderling solidair en mede solidair met de beklaagden P. C. en M. V., tot een geldboete van (205.629.950 : 40,3399 euro
- of)vijf miljoen zevenenzeventigduizend vierhonderd drieëndertig euro eenendertig cent (EUR 5.097.433,31) of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden. Verklaart de beklaagden K. A. en G. D. schuldig, als dader/mededader, aan de hen: - in zaak II sub 1 en 2 (zoals thans aangehouden), - in zaak III sub 1, 2 en 3 (zoals thans aangehouden), ten laste gelegde feiten. Veroordeelt de beklaagden K. A. en G. D. dienvolgens hoofdens deze vermengde feiten onderling solidair tot een geldboete van (72.088.560 : 40,3399 euro
- of)een miljoen zevenhonderd zevenentachtigduizend achtentwintig euro tweeënzeventig cent (EUR 1.787.028,72), zijnde tienmaal de ontdoken accijnzen en bijzondere accijnzen (zaken II en III) of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, deze beklaagden hiertoe solidair veroordeeld wordende met: - beklaagden P. C. en M. V. voor het volledige bedrag; - beklaagden S. J., H. H., S. W., A. S., R. T. en S. T. ten belope van (57.853.040 : 40,3399 euro
- of)EUR 1.434.139,40. Verklaart de beklaagden S. J., H. H., S. W., A. S., R. T. en S. T. schuldig, als dader/mededader aan de hen in de zaak II, sub 1 en 2 (zoals thans aangehouden) ten laste gelegde feiten. Veroordeelt deze beklaagden dienvolgens hoofdens deze vermengde feiten onderling solidair en mede solidair met de beklaagden P. C., M. V., K. A. en G. D. tot een geldboete van (57.853.040 : 40,3399 euro
- of)een miljoen vierhonderd vierendertigduizend honderd negenendertig euro veertig cent (EUR1.434.139,40), zijnde tienmaal de ontdoken accijns en bijzondere accijns (zaak II) of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden". Overwegende dat het arrest de eisers aldus, solidair met anderen, tot de navolgende geldboetes veroordeelt: - in zaak I: 5.097.433,31 euro; -in zaak II: 1.434.139,40 euro; -in zaak III: 1.787.027,72 1.434.139,40 = 352.889,32 euro of in totaal: 6.884.462,03 euro Overwegende dat, anders dan het onderdeel aanvoert, de appelrechters eisers slechts veroordelen tot een boete van 6.884.462,03 euro en niet tot een boete van 8.318.601,43 euro; Dat de aangevoerde tegenstrijdigheid en onwettigheid dus niet bestaan; Dat de onderdelen niet kunnen worden aangenomen; 2. Tweede middel Overwegende dat het middel enkel betrekking heeft op de veroordeling van de eerste eiser en eiseres in de zaak I, feiten 1 en 2, tot betaling van de accijns op de alcoholvrije dranken; Overwegende dat de rechtstreekse dagvaarding in de zaak I artikel 5, eerste tot en met derde paragraaf, van de wet van 13 februari 1995 betreffende het accijnsstelsel van de alcoholvrije dranken, vermeldt; Overwegende dat de strafrechter die ter gelegenheid van de strafvervolging kennisneemt van de vordering tot betaling van de ontdoken douane- of accijnsrechten, niet verplicht is de beklaagde tijdens het debat toelichting te geven over de wetsbepalingen betreffende die vordering, die in de rechtstreekse dagvaarding van de administratie worden vermeld en waarop hij zich kan verdedigen; Overwegende dat het arrest verwijst naar het artikel 5, ,§ 1 en 3, van de wet van 13 februari 1995 betreffende het accijnsstelsel van de alcoholvrije dranken, die het in het kort samenvat; Overwegende dat het arrest, na dit oordeel dat de toepasselijkheid van artikel 5, ,§ 1 en 3, van de wet van 13 februari 1995 impliceert, niet meer hoefde te antwoorden op de daardoor doelloos geworden conclusie van eiser dat artikel 50 van het ministerieel besluit van 23 december 1993 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken, zijn veroordeling tot betaling van de accijns niet kan rechtvaardigen; Dat het middel niet kan worden aangenomen; 3. Derde middel Overwegende dat het arrest niet enkel verwijst naar artikel 259 AWDA, maar onder meer ook naar artikel 50 Strafwetboek; Overwegende dat artikel 50, eerste lid, Strafwetboek bepaalt: "Alle wegens eenzelfde misdrijf veroordeelde personen zijn hoofdelijk gehouden tot teruggave en schadevergoeding"; Dat deze bepaling ook geldt voor de enige boete die in zake douane en accijnzen tegen de overtreders wordt uitgesproken, daar zij het materiële feit van de overtreding treft en een zakelijk karakter heeft; Overwegende dat het middel dat uitgaat van de aanvoering dat het arrest nalaat de wetsbepaling te vermelden krachtens dewelke hier de veroordelingen tot de geldboete solidair tegen de overtreders en de medeplichtigen worden uitgesproken, feitelijke grondslag mist; 4. Vierde middel Overwegende dat het arrest eiser veroordeelt op grond van artikel 261 AWDA bekrachtigd bij artikel 1 van de wet van 6 juli 1978, en de artikelen 2, 5, 15, 18, 20 en 29 van het koninklijk besluit van 29 december 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, dat bekrachtigd werd bij artikel 43 van de wet van 10 juni 1997 met dezelfde titel; Overwegende dat het middel aanvoert dat naar luid van artikel 11, ,§ 2, AWDA de besluiten die in de loop van een jaar zijn getroffen bij toepassing van artikel 11, ,§ 1, tezamen het voorwerp dienden uit te maken van een ontwerp van bekrachtigingswet dat bij het begin van het volgende jaar bij de wetgevende kamers wordt ingediend, zodat de bekrachtiging van het koninklijk besluit van 29 december 1992 laattijdig geschiedde; dat eiser verder aanvoert dat deze laattijdige bekrachtiging tot gevolg heeft dat een belastingplichtige die een inbreuk heeft gepleegd vóór de bekrachtiging in een merkelijk meer ongunstige positie verkeert op het vlak van de in artikel 170, 171 en 172 Grondwet vermelde grondwettelijke waarborgen; Dat het middel, in ondergeschikte orde, de aan het Arbitragehof te stellen prejudiciële vraag opwerpt: "Schenden artikel 11 van het koninklijk besluit van 18 juli 1977 tot coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen (bekrachtigd bij artikel 1 van de wet van 6 juli 1978), gewijzigd bij wet van 30 november 1979 (artikel 2) en bij wet van 22 december 1989 (artikel 75), en/of artikel 43 van de wet van 10 juni 1977 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, afzonderlijk gelezen of gelezen in samenhang met de artikelen 170, 171 en 172 van de gecoördineerde Grondwet, doordat zij, door de laattijdige bekrachtiging van het koninklijk besluit van 29 december 1992 door voormeld artikel 43 van de wet van 10 juni 1997, een bepaalde categorie van belastingplichtigen inzake douane en accijnzen de grondwettelijke waarborg ontnemen dat belastingen en eventuele vrijstellingen of verminderingen daarvan door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering worden vastgesteld, terwijl deze garantie wel geboden wordt aan de belastingplichtigen inzake douane en accijnzen die wel deze grondwettelijke waarborg genieten?" Overwegende dat eiser veroordeeld wordt na de bekrachtiging van het koninklijk besluit van 29 december 1992 bij artikel 43 van de wet van 10 juni 1997 met dezelfde titel; dat hij niet tegen deze bekrachtiging zelf opkomt; Overwegende dat het middel niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is, zodat er evenmin grond is aan het Arbitragehof de opgeworpen prejudiciële vraag te stellen; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van vijfhonderd negenenveertig euro achtenzeventig cent, waarvan I. op het cassatieberoep van P. C. en Kapelse Drankenhalle nv: tweehonderd zeventien euro achtenveertig cent verschuldigd en honderd veertien euro eenentachtig cent door de eisers betaald en II. op het cassatieberoep van M. V.: tweehonderd zeventien euro negenenveertig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.16 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990921.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div