id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.20 Rolnummer: P.05.1191.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2006-09-20 Raadplegingen: 747 - laatst gezien 2026-07-04 12:18 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De kamer van inbeschuldigingstelling die in hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking oordeelt dat de raadkamer die uitspraak deed over de regeling van de rechtspleging, onterecht een conclusie van de inverdenkinggestelde onwettig verklaart en uit het debat weert, moet zelf over het bestaan van voldoende bezwaren en over de verwijzing oordelen
(1).
(1)Zie Cass., 29 jan. 2003, AR P.02.1368.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030129.10, nr 64. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Raadkamer Regeling van de rechtspleging Conclusie van inverdenkinggestelde ten onrechte onwettig verklaard en uit het debat geweerd Verwijzingsbeschikking Hoger beroep Kamer van inbeschuldigingstelling Beslissing waarbij de onregelmatigheid van de verwijzingsbeschikking wordt vastgesteld Opdracht van de kamer van inbeschuldigingstelling Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Onderzoeksgerechten Raadkamer Regeling van de rechtspleging Conclusie van inverdenkinggestelde ten onrechte onwettig verklaard en uit het debat geweerd Verwijzingsbeschikking Kamer van inbeschuldigingstelling Beslissing waarbij de onregelmatigheid van de verwijzingsbeschikking wordt vastgesteld Opdracht van de kamer van inbeschuldigingstelling Fiches 3 - 4 Uit artikel 6.1, E.V.R.M. volgt dat het in de regel niet het onderzoeksgerecht, maar de rechter die uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvervolging is, die oordeelt of de zaak behandeld is binnen een redelijke termijn en die, in geval van overschrijding van die termijn, bepaalt wat voor de beklaagde het passende rechtsherstel is; het middel dat aanvoert dat het rechtsherstel voor de schending van artikel 6.1, E.V.R.M. ook voor de onderzoeksgerechten, die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering, moet kunnen verkregen worden, faalt derhalve naar recht
(1).
(1)Zie Cass., 6 okt. 1999, AR P.99.1247.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010424.13, nr 512; 14 feb. 2001, AR P.00.1350.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.14 - P.00.1353.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.14 - P.00.1363.F, nr 91; 26 maart, AR P.03.0136.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030326.20, nr 206. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Redelijke termijn Bevoegdheid van de rechter die uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvervolging Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Vrije woorden: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Beoordeling van de redelijke termijn Fiches 5 - 6 De enkele omstandigheid dat van de in beslaggenomen voorwerpen niet onmiddellijk, maar slechts later, een inventaris wordt opgemaakt levert geen nietigheid van het beslag, noch een miskenning van het recht van verdediging op
(1).
(1)Cass., 7 feb. 2001, AR P.01.0168.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010207.22, nr
- Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Beslag Vormvereisten Laattijdige inventaris Thesaurus CAS: BESLAG - ALLERLEI Vrije woorden: BESLAG - ALLERLEI Strafzaken Onderzoek in strafzaken Vormvereisten Laattijdige inventaris Tekst van de beslissing Nr. P.05.1191.N B. M. A. H., eiser, beklaagde, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie te Gent, tegen C. A., verweerder, burgerlijke partij. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 28 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie vijf middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Overwegende dat het bestreden arrest uitspraak doet over, onder meer, de volledigheid van het onderzoek; Dat het cassatieberoep, in zoverre het tegen die beslissing is gericht die geen eindbeslissing inhoudt noch uitspraak doet met toepassing van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, niet ontvankelijk is; B. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikelen 127, lid 6, en 135, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering. Overwegende dat de kamer van inbeschuldigingstelling die oordeelt dat de raadkamer die uitspraak doet over de regeling van de rechtspleging, onterecht de conclusie van de inverdenkinggestelde onwettig verklaart en uit het debat weert, zelf over het bestaan van voldoende bezwaren en over de verwijzing moet oordelen; Overwegende dat het arrest oordeelt dat: - eisers conclusie voor de raadkamer rechtsgeldig was en niet uit het debat mocht worden geweerd; - zij niet over het bestaan van bezwaren kan oordelen; Overwegende dat het arrest aldus zijn beslissing niet naar recht verantwoordt; C. Onderzoek van de middelen
- Eerste middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat het onderdeel niet tot ruimere cassatie of tot cassatie zonder verwijzing kan leiden, mitsdien geen antwoord behoeft; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het arrest niet oordeelt dat de onduidelijkheid van het ten laste gelegde feit pas voor het eerst in hoger beroep is weggenomen; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
- Tweede middel in zijn geheel Overwegende dat het arrest oordeelt dat de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR enkel betrekking hebben op de uitoefening van het recht van verdediging voor vonnisgerechten en in de regel niet van toepassing zijn op de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering of de burgerlijke rechtsvordering, behalve wanneer de schending van deze verdragsrechtelijke bepalingen het eerlijk karakter van het proces ernstig in het gedrang brengt; dat het arrest ook oordeelt dat de lange duur sedert de datum van het ten laste gelegde feit eiser in de uitoefening van zijn recht van verdediging op generlei wijze geschaad heeft daar hij ruimschoots de gelegenheid kreeg om alle elementen ter verdediging naar voor te brengen en hem ook geen bewijselementen werden ontzegd of ontnomen; Dat die redenen de beslissing dragen; Dat het middel in zijn beide onderdelen opkomt tegen overtollige redenen van het arrest, mitsdien niet ontvankelijk is;
- Derde middel Overwegende dat artikel 6.1 EVRM bepaalt dat eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn; Dat in de regel de rechter die uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvervolging, oordeelt of de zaak behandeld is binnen een redelijke termijn en in geval van overschrijding van die termijn bepaalt welk het passende rechtsherstel is; Dat het middel dat aanvoert dat het rechtsherstel voor de schending van artikel 6.1 EVRM ook voor de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering, moet kunnen verkregen worden, faalt naar recht;
- Vierde middel 4.
- Eerste onderdeel Overwegende dat de enkele omstandigheid dat van de inbeslaggenomen voorwerpen niet onmiddellijk maar slechts later een inventaris wordt opgesteld, geen nietigheid van het beslag noch miskenning van het recht van verdediging oplevert; Dat het onderdeel faalt naar recht; 4.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het arrest, met de redenen die het bevat, eisers verweer met betrekking tot het disproportionele karakter van de massale blokkering van zijn bankrekeningen niet beantwoordt; Dat het onderdeel gegrond is;
- Vijfde middel Overwegende dat eiser aanvoerde dat zijn recht op een eerlijk proces is miskend daar bij eerdere beslissingen genomen met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering, de kamer van inbeschuldigingstelling ten onrechte geweigerd heeft in te gaan op zijn verzoeken tot opheffing van beslagmaatregelen op grond van een onvolledig dossier dat haar werd voorgelegd; Overwegende dat dit verweer niet gericht was tegen de beroepen verwijzingsbeschikking en geen verband houdt met een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 131, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking, of met een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering; dat de kamer van inbeschuldigingstelling bijgevolg niet gehouden was dit verweer te beantwoorden; Dat het middel niet kan worden aangenomen; D. Ambtshalve onderzoek voor het overige Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het: - oordeelt over de bezwaren en de verwijzing; - uitspraak doet over de regelmatigheid van de blokkering van de bankrekeningen; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Verwerpt het cassatieberoep voor het overige; Veroordeelt eiser in de helft van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Gezegde kosten begroot op de som van tweehonderd eenenveertig euro zeven cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.20 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080528.7 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091124.9 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100915.2 ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.016 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010207.22 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.14 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010424.13 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030129.10 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030326.20 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.10 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061219.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div