id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.23 Rolnummer: P.05.0915.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht Invoerdatum: 2006-04-03 Raadplegingen: 789 - laatst gezien 2026-07-04 13:24 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer bij de opeenvolging van drie strafwetten in de tijd, de straf gesteld door de eerste wet, die van kracht was op het ogenblik van het plegen van het misdrijf, zwaarder is dan de straf gesteld door de derde wet, die van kracht is op het ogenblik van de uitspraak, maar deze straf, op haar beurt, strenger is dan de straf die op het misdrijf was gesteld tussen het ogenblik van het plegen ervan en de uitspraak, dient de straf te worden toegepast, die op het misdrijf was gesteld door de minst zware tweede tussenliggende wet
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Werking in de tijd Opeenvolging van drie strafwetten in de tijd Straf op ogenblik van uitspraak lichter dan op ogenblik van het plegen misdrijf, maar zwaarder dan in de tussenliggende periode Toepasselijke straf Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1867 - Art.2,tweedel Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF Vrije woorden: STRAF - ZWAARSTE STRAF Werking van de wet in de tijd Opeenvolging van drie strafwetten in de tijd Straf op ogenblik van uitspraak lichter dan op ogenblik van het plegen misdrijf, maar zwaarder dan in de tussenliggende periode Toepasselijke straf Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1867 - Art.2,tweedel Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. DUINSLAEGER, Cass., 8 nov. 2005, AR P.05.0915.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Werking in de tijd Opeenvolging van drie strafwetten in de tijd Straf op ogenblik van uitspraak lichter dan op ogenblik van het plegen misdrijf, maar zwaarder dan in de tussenliggende periode Toepasselijke straf Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF Vrije woorden: STRAF - ZWAARSTE STRAF Werking van de wet in de tijd Opeenvolging van drie strafwetten in de tijd Straf op ogenblik van uitspraak lichter dan op ogenblik van het plegen misdrijf, maar zwaarder dan in de tussenliggende periode Toepasselijke straf Nota: P.05.0915.N Advocaat-generaal P. Duinslaeger heeft in substantie gezegd:
- In deze zaak werd eiser vervolgd voor zowel een inbreuk op het artikelen 4.4 Wegverkeersreglement (verplichting een stilstaand of geparkeerd voertuig te verplaatsen na daartoe door een bevoegd persoon te zijn aangemaand) als voor een inbreuk op het artikel 35.1.1 Wegverkeersregelement (dragen van de veiligheidsgordel). Bij vonnis van 6 mei 2005, in hoger beroep gewezen door de correctionele rechtbank te Brussel, wordt hij, bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek, tot één enkele straf veroordeeld, te weten de zwaarste, met name tot een geldboete van 100 euro of een vervangend rijverbod van dertig dagen, met gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging, alsmede tot een rijverbod van acht dagen. Naar het oordeel van de appèlrechters is de zwaarste straf deze gesteld op de inbreuk van artikel 4.4 Wegverkeersreglement.
- De feiten dateren van vóór de inwerkingtreding van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid. Onder de wet die van toepassing was op het ogenblik van het plegen van de feiten werd de overtreding van artikel 4.4 Wegverkeersreglement, krachtens het toen toepasselijke artikel 29, tweede lid, Wegverkeerswet, gestraft met een gevangenisstraf van een dag tot een maand en met een geldboete van 10 tot 500 euro of met een van die straffen alleen. Het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot aanwijzing van de zware overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen in uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, dat in werking trad op 1 maart 2004, maakte in zijn oorspronkelijk versie
(1)geen melding van het artikel 4.4 Wegverkeersreglement als zware overtreding in de zin van artikel 29, ,§ 1, Wegverkeerswet , zoals gewijzigd bij wet van 7 februari 2003, eveneens in werking getreden op 1 maart 2004, zodat de overtreding ervan vanaf 1 maart 2004 enkel gestraft werd overeenkomstig artikel 29, ,§ 2, Wegverkeerswet, met name met een geldboete van 10 tot 250 euro. Het artikel 4.1.2° van het koninklijk besluit van 22 december 2003 werd evenwel opnieuw gewijzigd door artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 april 2004
(2), dat in werking trad op 30 april 2004 en dat sindsdien de overtreding van artikel 4.4 Wegverkeersreglement, als zware overtreding van de derde graad in de zin van artikel 29, ,§ 1, eerste lid, Wegverkeerswet, strafbaar stelt met een geldboete van 100 tot 500 euro en met een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar. Samengevat kan dus gesteld worden dat dezelfde inbreuk: - op het ogenblik van de feiten strafbaar gesteld werd met een gevangenisstraf van een dag tot een maand en met een geldboete van 10 tot 500 euro of met een van die straffen alleen, - in de navolgende periode van 1 maart 2004 tot 29 april strafbaar gesteld werd met een geldboete van 10 tot 250 euro, - en, ten slotte, vanaf 30 maart 2004 (en dus ook reeds op het ogenblik van het vonnis, dat dateert van 6 mei 2005) strafbaar gesteld wordt met een geldboete van 100 tot 500 euro en met een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar.
- Wij staan dus voor een probleem van de toepassing van de wet in de tijd, waarbij de eerste wet strenger is dan de derde en laatste wet, die op haar beurt strenger is dan de tussenliggende tweede wet en waarbij het Hof gehouden is het voorschrift van artikel 2, tweede lid, Strafwetboek toe te passen dat bepaalt dat, indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, de minst zware straf moet worden toegepast. Het artikel 2, tweede lid, Strafwetboek houdt dus enkel rekening met twee momentopnamen, met name de straf op het ogenblik van het plegen van het misdrijf en de straf op het ogenblik van de uitspraak, maar geeft geen onmiddellijke oplossing voor het geval waarbij op dit misdrijf een lichtere straf gesteld werd tussen beide momentopnamen. De vraag rijst dan ook of er volledig abstractie moet gemaakt worden van deze tussenliggende lichtere straf, dan wel of deze tussenliggende lichtere straf, ondanks de latere verzwaring toch moet worden toegepast.
- Het Hof heeft zich omtrent dit probleem nog niet moeten uitspreken. Dat was wel het geval voor het Franse Hof van Cassatie dat, zij het in lang vervlogen tijden, in drie gelijkaardige zaken besliste dat in dergelijke gevallen de tussenliggende wet en dus de tussenliggende lichtere straf moet worden toegepast
(3). Telkens betrof het misdrijven die gepleegd werden in de Romeinse Staten, vóór hun aanhechting bij het Franse Keizerrijk en waarop, volgens de Romeinse wetgeving de doodstraf gesteld was. Na de inlijving bij het Franse Keizerrijk werd de Franse Code pénal van 1791, die voor deze misdrijven slechts de tijdelijke dwangarbeid voorzag, van toepassing, maar op het ogenblik van de uitspraak in deze drie zaken was de Franse Code pénal van 1810 in werking getreden, die dezelfde misdrijven met levenslange dwangarbeid bestrafte. Het Franse Hof van Cassatie besliste keer op keer dat de rechters, die in toepassing van de Franse Code pénal van 1810 de daders veroordeeld hadden tot levenslange dwangarbeid, het artikel 6 van het Keizerlijk Decreet van 13 juli 1810, dat inhoudelijk overeenstemt met het artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, geschonden hadden, door de levenslange dwangarbeid van de Code pénal van 1810 te vergelijken met de doodstraf uit de Romeinse wetgeving en niet met de tijdelijke dwangarbeid uit de Code pénal van 1791. Deze rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie kreeg instemmende commentaar van de meeste Franse rechtsgeleerde auteurs
(4). Anderen waren kritischer, omdat het conflict enkel bestaat tussen de eerste en de derde wet of tussen de "wet van het misdrijf" en de "wet van de uitspraak": volgens deze auteurs heeft de beklaagde geen enkel recht op de toepassing van de intermediaire wet "omdat onder het regime van deze tussenliggende wet geen enkele rechtshandeling gesteld wordt"
(5). De regel van de toepassing van de tussenliggende lichtere wet werd overigens in een aantal landen ook uitdrukkelijk opgenomen in de wet
(6). 5. Dit is, zoals hiervoor uiteengezet, niet het geval in het Belgisch Strafwetboek. Toch werd bij de parlementaire voorbereiding van het Strafwetboek van 8 juni 1867 ook aandacht besteed aan het probleem van de toepassing van de wet in de tijd in het geval van verschillende opeenvolgende wetten. Bij de bespreking van het huidige artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, in de Commissie voor de Justitie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd immers een amendement ingediend om dit tweede lid als volgt te formuleren: "Indien evenwel de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, in de tijd die verloopt tussen het misdrijf en het vonnis bepaald, en ten tijde van het misdrijf bepaald, verschillen, wordt altijd de minst zware straf toegepast"
(7). In dit amendement werd dus wel degelijk rekening gehouden met de hypothese die ons thans bezighoudt en werd het probleem van de toepassing van de wet in de tijd opgelost in dezelfde zin als in de arresten van het Franse Hof van Cassatie: indien de straf, op eender welk ogenblik tussen het plegen van het misdrijf en de uitspraak, gewijzigd wordt, zal steeds de lichtste straf moeten worden toegepast. De toenmalige minister van Justitie TESCH verzette zich tegen dit amendement en vroeg de toevoeging, onder de vorm van amendement, aan het oorspronkelijk ontwerp van de woorden " in de tijd die verloopt tussen het misdrijf en het vonnis bepaald" te schrappen. Volgens de minister van Justitie was de regel van de toepassing van de minst zware wet een algemeen aanvaard principe en was de uitdrukkelijke toevoeging van de uiterst zeldzame hypothese van drie opeenvolgende wetten overbodig omdat het oorspronkelijk wetsontwerp ook dit probleem regelde. Steeds volgens de minister van Justitie diende ook in dit geval , bij toepassing van het oorspronkelijk artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, de meest gunstige wet van de drie toegepast te worden, ook al was dat de tweede intermediaire wet. Als argument voor zijn stelling voerde de minister van Justitie aan dat het bestaan van deze tussenliggende mildere wet een verworven recht voor de beklaagde uitmaakt, dat hem niet kan worden ontnomen door een derde strengere wet. Dit antwoord kon de Commissie voor de Justitie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers blijkbaar bevredigen, want het amendement werd uiteindelijk geschrapt, waarbij de verslaggever, die wellicht zijn wensen voor werkelijkheid nam
(8), preciseerde dat het de Commissie "compleet onverschillig laat of het principe nu vastgelegd wordt door een publieke verklaring in het parlement, dan wel door een uitdrukkelijk opname ervan in de wettekst zelf"
(9)... 6. De Belgische rechtsleer besteedt maar relatief weinig aandacht aan dit probleem. Volgens J. HAUS
(10)vindt het principe dat de strafwetten enkel terugwerken ten gunste van de beklaagde en niet in zijn nadeel ook toepassing wanneer er een conflict ontstaat tussen drie opeenvolgende wetten die betrekking hebben op hetzelfde misdrijf. Bijgevolg moet ook volgens deze auteur, wanneer een nieuwe wet de straf, die bepaald was door een vroegere wet die gold ten tijde van het misdrijf, mildert, deze mildering ten goede komen aan de beklaagde, ook wanneer naderhand een derde wet de eerste straf terug zou hebben ingevoerd. Hetzelfde geldt, volgens HAUS, wanneer de door de beklaagde overtreden wet door een mildere wet vervangen wordt en deze laatste wet, voor de uitspraak, wordt gevolgd door een derde wet, die strenger is dan de tussenliggende tweede wet, maar minder streng dan de eerste: ook in dit geval dient de intermediaire tweede wet toegepast te worden. Hij preciseert dat, in dit laatste geval, de eerste wet niet (meer) kan toegepast worden, omdat de tweede terugwerkt in het voordeel van de beklaagde en dat de derde wet niet kan toegepast worden omdat deze laatste wet dan zou terugwerken in het nadeel van de beklaagde. Het probleem van de (theoretische) gelijktijdige toepasselijkheid van drie opeenvolgende wetgevingen wordt ook, heel even, aangeraakt door Advocaat-generaal L. DEPELCHIN
(11)in zijn plechtige rede van 1 september 1965. Hij sluit zich aan bij de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie en de Franse doctrine, die voorhouden dat de minst strenge wet moet worden toegepast. Hij bespreekt daarbij ook het argument dat door BOUZAT en PINATEL
(12)wordt aangehaald, waar zij stellen dat de toepassing van de tweede tussenliggende en mildere wet verantwoord is, omdat, zo de procedure sneller was gegaan, de beklaagde onder die tweede zachtere wet zou zijn gevonnist en dat men de beklaagde, door hem volgens de (derde) strengere wet te vonnissen, zou doen lijden onder de "traagheid van de procedure". Advocaat-generaal DEPELCHIN voegt daar evenwel aan toe dat men hierbij wel moet bedenken dat, zo de procedure nog sneller was verlopen, het vonnis reeds vóór de inwerkingtreding van de tweede wet was kunnen worden uitgesproken en dat, in deze "ideale eventualiteit", de eerste, bij onderstelling strengere wet, noodzakelijk had dienen te worden toegepast. Deze laatste opmerking doet evenwel de vraag rijzen of het billijk en rechtvaardig is de zwaarte van de op te leggen straf te laten afhangen van de snelheid of de traagheid van de rechtspleging. De meeste andere Belgische auteurs lijken zich, één enkele uitzondering niet te na gesproken
(13), aan te sluiten bij de zienswijze dat de tussenliggende wet in mitius moet worden toegepast
(14).
- De voorgaande elementen werden geput uit rechtspraak en rechtsleer uit een ver verleden. Toch is er nog een uitermate belangrijk argument uit de meer recente rechtsgeschiedenis die toelaat het oude standpunt, dat de meest gunstige intermediaire wet dient te worden toegepast, nog te versterken. Artikel 15.1, laatste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, bepaalt immers, na gepreciseerd te hebben dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was, dat "indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan (dient) te profiteren". Zoals uit de formulering van deze verdragstekst blijkt wordt het principe van de toepassing van de mildere wet, anders dan in de tekst zelf van het artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, hier niet beperkt tot de twee referentiepunten van het ogenblik van het plegen van het misdrijf en van het ogenblik van de uitspraak: elke wettelijke strafvermindering, die ingevoerd werd tussen deze twee referentiepunten, hoe kort ook, moet bijgevolg ten goede komen aan de beklaagde.
- In het geval dat ons thans bezighoudt werd de eiser veroordeeld tot een geldboete van 100 euro of een vervangend rijverbod van dertig dagen, met gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging, alsmede tot een rijverbod van acht dagen. Enkel de derde "wet", die van kracht was vanaf 30 maart 2004 en op het ogenblik van de uitspraak, stelt de overtreding van artikel 4.4 Wegverkeersreglement strafbaar met een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar. Daaruit blijkt duidelijk dat de appèlrechters, ten onrechte, toepassing maken van de derde wet, die weliswaar minder streng is dan de eerste wet, maar die wel degelijk strenger is dan de tweede tussenliggende wet. Het aangevoerde middel is bijgevolg gegrond, en de onwettigheid van één van de bestanddelen van de straf maakt de gehele straf onwettig
(15), maar, bij toepassing van de rechtspraak van het Hof sinds het arrest van 8 februari 2000
(16), kan de schuldigverklaring, waarvoor de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht werden genomen en waarvoor de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen, onverkort blijven bestaan. Conclusie: vernietiging van het bestreden vonnis in zoverre het eiser tot straf veroordeelt. ___________________________
(1)B.S., 31 december 2003 (tweede uitgave)
(2)B.S., 30 april 2004.
(3)Cass. fr., Crim., 9 juillet 1813, n°. 154; Cass. fr., Crim., 30 juillet 1813, n° 167, p. 406; Cass. fr., Crim., 1 octobre 1813, n° 211, p. 519.
(4)BOITARD, Code pénal et Code d'instruction criminelle, Paris, 1842, p. 1842; GARCON, Code pénal annoté, 1901, art. 4, n° 80; DONNEDIEU DE VABRES, Traité de Droit Criminel, n° 1593; BOUZAT ET PINATEL, Traité de droit pénal et de criminologie, II, n° 1681, p. 1611; BOUZAT, Traité théorique et pratique de droit pénal, Paris, 1951, p. 1036; ORTOLAN, J., Eléments de droit pénal, 4ieme ed., Paris, 1875, n° 588, p. 230; GARRAUD, Droit pénal français, T. I, n° 155, p. 323; CHAVEAU, AD. Et HELIE, F., Théorie du Code pénal, 1845, I, n° 47, p.18.
(5)MERLE, R. et VITU, A., Traité de droit criminel, Tome I, 7ieme ed., 1978, , n° 260, p. 353.
(6)Zo onder meer in het Italiaanse Strafwetboek van 1930 (art. 2, derde lid) en in het Grieks Strafwetboek van 1924 (art.1, tweede lid).
(7)In de franse tekst: "Néanmoins, si la peine établie au temps du jugement, dans l'intervalle entre l'infraction et le jugement, et celle portée au temps de l'infraction, sont différentes, la peine la moins forte est toujours appliquée".
(8)Sindsdien heeft het Hof immers meermaals beslist dat de parlementaire voorbereiding van een wet niet kan worden aangevoerd tegen de klare en duidelijke tekst ervan. Zie Cass., 31 jan. 1961, Pas. 1961, I, 584; 18 sept. 1978, Pas., 1979, I, 66; 22 dec. 1994, A.R. C.94.0035.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941222.9, nr. 573.
(9)NYPELS, J., Commentaire et complément du Code pénal Belge, T. I, p.208; GOEDSEELS, J., Commentaire du Code pénal Belge, 2ieme ed., 1948, n° 26-27, p. 15.
(10)HAUS, J., Principes généraux du droit pénal, T. I., 1879, nr. 185, p. 126.
(11)DEPELCHIN, L., Overwegingen bij artikel 2 van het Strafwetboek, rede uitgesproken ter pelchtige zitting van 1 september 1965, Bull., 1965, p. 4.
(12)BOUZAT et PINATEL, o.c., II, p. 1287; BOUZAT, P., o.c., 1037.
(13)THIRY, Cours de Droit Criminel, 1909, nr. 40, p. 40: deze auteur is van mening dat de logica voorschrijft dat de derde wet zou worden toegepast, maar geeft daarvoor geen andere argumenten op.
(14)BRAAS., A., Précis de droit pénal, Bruxelles, 1946, p. 69, noot 2; R.P.D.B., V° Infraction et répression en général, nr. 47; VANHOUDT, C.J. en CALEWAERT, W., Belgisch Strafrecht, deel I, nr. 353, p. 172; RUBBERECHT, J. en DECLERCQ, R., Het niet-terugwerken van strafwetten, in "Annalen voor Rechtsgeleerdheid en Staatswetenschappen", X, p. 126.
(15)Cass., 8 feb. 2000, A.R. P.97.1697.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000208.9, nr. 98 met concl. van procureur-generaal du Jardin; 25 feb. 2003, A.R. P.02.0672.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030225.4, nr. 132.
(16)Cass., 8 feb. 2000, A.R. P.97.1697.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000208.9, nr. 98 met concl. van procureur-generaal du Jardin; 16 feb. 2000, A.R. P.99.1553.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000216.5, nr. 127; 21 maart 2000, A.R.P.98.0605.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000321.17, nr. 192; 4 april 2000, A.R. P.97.0832.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000404.25, nr. 220; 4 april 2000, A.R. P.99.1072.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000404.22, nr. 223; 2 mei 2000, A.R. P.00.0100.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000502.7, nr. 267; 30 mei 2000, A.R. P.98.0405.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000530.14, nr. 329. Tekst van de beslissing Nr. P.05.0915.N C. F. H., eiser, beklaagde, met als raadsman mr. Patrick Zonderman, advocaat bij de balie te Leuven. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 6 mei 2005 in hoger beroep gewezen door de Correctionele Rechtbank te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiser stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van het middel Overwegende dat de appelrechters de eiser schuldig verklaren aan de vermengde telastleggingen A en B, namelijk inbreuken op de artikelen 4.4 en 35.1.1, Wegverkeersreglement, en tot één straf veroordelen, te weten de zwaarste; Overwegende dat de overtreding van artikel 4.4 Wegverkeersreglement, onder de wet die van toepassing was op het ogenblik van het plegen van het feit, krachtens artikel 29, tweede lid, Wegverkeerswet, gestraft wordt met gevangenisstraf van een dag tot een maand en met geldboete van 10 tot 500 euro of met een van die straffen alleen; Overwegende dat het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot aanwijzing van de zware overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen in uitvoering van de wet betreffende de politie op het wegverkeer geen melding maakt van artikel 4.4 Wegverkeersreglement als zware overtreding in de zin van artikel 29, ,§ 1, Wegverkeerswet, in werking getreden met ingang van 1 maart 2004, zodat de overtreding ervan vanaf deze datum van inwerkingtreding gestraft wordt overeenkomstig artikel 29, ,§ 2, Wegverkeerswet, te weten met een geldboete van 10 euro tot 250 euro; Overwegende dat de overtreding van artikel 4.4 Wegverkeersreglement krachtens artikel 4.1.2° van het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot aanwijzing van de zware overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen in uitvoering van de wet betreffende de politie op het wegverkeer, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 26 april 2004, thans een zware overtreding van de derde graad in de zin van artikel 29, ,§ 1, eerste lid, Wegverkeerswet is; Dat deze overtreding onder de thans van toepassing zijnde wet krachtens artikel 29, ,§ 1, eerste lid, Wegverkeerswet, zoals vervangen door artikel 6 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, gestraft wordt met een geldboete van 100 euro tot 500 euro en met een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar; Overwegende dat de overtreding van artikel 35.1.1, Wegverkeersreglement, onder de wet die van toepassing was op het ogenblik van het plegen van het feit, krachtens artikel 29, tweede lid, Wegverkeerswet, gestraft wordt met gevangenisstraf van een dag tot een maand en met geldboete van 10 tot 500 euro of met een van die straffen alleen; dat deze overtreding onder de thans van toepassing zijnde wet krachtens artikel 29, ,§ 2 Wegverkeerswet, zoals vervangen door artikel 6 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, gestraft wordt met een geldboete van 10 euro tot 250 euro; Dat hieruit volgt dat op de overtreding van artikel 4.4 Wegverkeersreglement de zwaarste straf is gesteld; Overwegende dat, krachtens artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, indien de straf ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, de minst zware straf wordt toegepast; Overwegende dat te dezen de minst zware straf is, de straf die krachtens artikel 29, ,§ 2, Wegverkeerswet van 1 maart 2004 tot 29 april 2004 op de overtreding van artikel 4.4 Wegverkeersreglement was gesteld; dat voor die inbreuk in die periode geen wettelijke bepaling voorziet in rijverbod; Overwegende dat het vonnis, met bevestiging van het beroepen vonnis, eiser wegens de telastleggingen A en B samen veroordeelt tot een geldboete van 100 euro of een vervangend rijverbod van 30 dagen met gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging, alsmede tot een rijverbod van 8 dagen; Dat mitsdien het door de rechters uitgesproken verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig onwettig is; Dat het middel gegrond is; Overwegende dat de onwettigheid van één van de bestanddelen van de straf, de gehele straf onwettig maakt; Overwegende dat de onwettigheid van de straf de wettigheid van de schuldigverklaring niet aantast; Overwegende dat, wat de schuldigverklaring betreft, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het eiser tot straf veroordeelt voor de vermengde telastleggingen A en B; Verwerpt het cassatieberoep voor het overige; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis; Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten en laat de overige helft ten laste van de Staat; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Correctionele Rechtbank te Leuven, zitting houdende in hoger beroep; Gezegde kosten begroot op de som van honderd en acht euro acht cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.23 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110301.2 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110614.2 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120207.1 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190130.8 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.1 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.399 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941222.9 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000208.9 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000216.5 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000321.17 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000404.22 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000404.25 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000502.7 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000530.14 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030225.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div