id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051110.10 Rolnummer: C.03.0525.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2006-03-24 Raadplegingen: 213 - laatst gezien 2026-07-03 10:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer een curator of een vereffenaar een met een zekerheidsrecht bezwaard goed verkoopt wordt het recht van voorrang van de schuldeiser overgedragen op het bedrag dat voortkomt uit de tegeldemaking, zowel wat de hoofdsom als wat de rente betreft, en zulks tot op de dag van de betaling
(1).
(1)Cass., 18 dec. 1970, A.C. 1971, 377; H. Geinger, Chr. Van Buggenhout en Chr. Van Heuverswyn, "Overzicht van rechtspraak - Het faillissement en het gerechtelijk akkoord (1990-1995)", T.P.R. 1996,
(909), nr
- Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEVOORRECHTE EN HYPOTHECAIRE SCHULDEISERS Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEVOORRECHTE EN HYPOTHECAIRE SCHULDEISERS Met een zekerheidsrecht bezwaard goed Verkoop door de curator Wettelijke bepalingen: Wet - 18-04-1851 - Art.451 Fiche 2 De storting door de curator in de Deposito- en Consignatiekas van gelden die voortkomen uit verkopen en inningen kan niet beschouwd worden als een betaling aan de schuldeisers. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Goederen Verkoop en inning door de curator Opbrengst Storting in de Deposito- en Consignatiekas Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 18-04-1851 - Art.479 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0525.N ING BELGIË, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Marnixlaan 24, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1.a. V.J., 1.b. W.G., beiden optredend in hun hoedanigheid van curators van het faillissement van de NV Home Discount Center,
- G.J., optredend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van C.Y., verweerders, 3.a. V.S., 3.b. V.O., 3.c. V.P., 3.d. D.V., verweerders, handelende als rechtsopvolgers van V.P., vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 mei 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 8, 9 en 87 van de Hypotheekwet ; &§9472; de artikelen 1198, 1234, 1235, 1238, 1239, 2011, 2021, 2034, 2036, 2037 en 2073 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 1, 4 en 9, zoals van toepassing vóór de wijziging bij de wet van 8 augustus 1997, van de wet van 5 mei 1872 houdende herziening van de bepalingen van het Wetboek van Koophandel betreffende het pand en de commissie, vormende boek I, titel VI ; &§9472; de artikelen 1, 4, 6, 8, 9, 11 en 12 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen ; &§9472; de artikelen 451, 454, 479, 480, 528, 542, 543, 544, 547 en 561 van de Faillissementswet van 18 april 1851 ; &§9472; artikel 51 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 ; &§9472; de artikelen 1403 en 1404 van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 12 mei 2003 verklaart het Hof van Beroep te Gent het hoger beroep van eiseres ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, vernietigt het bestreden vonnis, stelt vast dat de curator de opbrengst van de handelszaak binnen acht dagen na de ontvangst moest reserveren op de Deposito- en Consignatiekas om te voldoen aan de schuldvordering van eiseres, die op de dag van het faillissement 25.973,91 euro of 1.047.785 BEF beliep en die het voorrecht geniet voor 24.789,35 euro, in hoofdsom en drie jaar intrest in dezelfde rang, eiseres op de gereserveerde opbrengst voor het "bedrag van haar schuldvordering, begroot op de dag van de reservatie" en in verhouding tot het bevoorrecht bedrag van deze schuldvordering - de intrest geniet die de gereserveerde opbrengst opbracht/opbrengt tot aan de uitbetaling van deze bijzonder bevoorrechte schuldvordering en de vordering van eiseres tegen de curator van het faillissement C. en de erfgenamen V. zonder voorwerp is, nu de gereserveerde opbrengst volstaat om de schuldvordering van eiseres integraal aan te zuiveren en het bedrag van deze schuldvordering het voorrecht van 24.789,35 euro in hoofdsom en drie jaar intrest niet te boven gaat, verwijst eiseres, de curator van het faillissement C. en de erfgenamen V. elk in de eigen gedingkosten, houdt de eis tegenover de curatoren van het faillissement Home Discount Center in betaling van haar bijzonder bevoorrechte schuldvordering en de beslissing over de kosten tussen deze partijen aan en beveelt de heropening van de debatten na voornoemde partijen te hebben opgedragen om de schuldvordering van eiseres te begroten op datum waarop de opbrengst van het handelsfonds werd gereserveerd en om de intrestverrekening bij de Deposito- en Consignatiekas op te vragen voor het bedrag van de gereserveerde schuldvordering van eiseres. Deze beslissing is gestoeld op volgende gronden : "2.2 Als pandhouder van de handelszaak geniet BBL NV voor haar schuldvordering het voorrecht voor de hoofdsom van 1.000.000 BEF meer drie jaar rente. De akte van kredietopening herneemt hier - wat de intrest betreft - alleen artikel 6 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van de handelszaak en artikel 87 van de Hypotheekwet, dat bepaalt : 'De bevoorrechte of hypothecaire schuldeiser die ingeschreven is voor een kapitaal dat intresten of rentetermijnen opbrengt, heeft het recht om ten hoogste voor drie jaren in dezelfde rang te worden geplaatst als voor zijn kapitaal (...)'. Met de aangifte van schuldvordering verzaakte BBL NV niet aan dit voorrecht en de uitoefening van dit voorrecht, zodat zij het voorrecht ook kan uitoefenen voor de intresten. Het vonnis van 10 januari 1989 van de rechtbank van koophandel beperkte evenmin de uitoefening van het voorrecht, aangezien het zich niet uitsprak over de toerekening van de bijzonder bevoorrechte schuldvordering van BBL NV op de door de curatoren behaalde verkoopprijs voor de handelszaak. De rechter sprak zich alleen uit over de betwisting die partijen voor hem hebben gevoerd en die beperkt bleef tot de vraag of BBL NV al dan niet een onrechtmatig krediet toestond aan Home Discount Center NV. Eenmaal de goederen waarop het pand betrekking heeft werden verzilverd, gaat het voorrecht van de pandhoudende schuldeiser over op de opbrengst van deze goederen en dit geldt zowel voor de vordering in hoofdsom, als voor de intresten. 2.3 Als pandhouder van de handelszaak - die als schuldeiser buiten de boedel valt - kon BBL NV haar schuldvordering zelf verhalen. Zij kon overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van de handelszaak en de artikelen 4 tot 10 van titel 1 van de wet van 5 mei 1872 (die titel VI van het Wetboek van Koophandel uitmaakt) zelf de verzilvering van de handelszaak benaarstigen. Artikel 9 van de wet van 5 mei 1872 bepaalt uitdrukkelijk, dat de uitoefening van de rechten die aan de pandhoudende schuldeiser toegekend worden, niet geschorst worden door faillissement. BBL NV liet de realisatie hier wel over aan de curatoren van het faillissement Home Discount Center NV. Dit belet evenwel niet : - dat de curatoren de realisatie in eerste orde vervolgden voor de pandhouder, - dat zij de erelonen en kosten voor hun tussenkomsten betreffende de verzilvering van de handelszaak bij toepassing van artikel 17 en 21 van de hypotheekwet op de behaalde verkoopprijs moeten vooraf nemen en niet zomaar op de boedel mogen verhalen, - dat zij het saldo van de verkoopprijs meteen moesten toerekenen op de bijzonder bevoorrechte schuldvordering van BBL NV en de beschikbare gelden voor de aanzuivering van het bijzonder voorrecht ook meteen moesten uitbetalen (zie o.a. Cloquet, Les Novelles, uitgave 1985, nr. 2697). Na de toerekening van de bijzonder bevoorrechte schuldvordering op de opbrengst, kon de schuldvordering van BBL NV voor een eventueel saldo alleen nog in het gewoon passief van het faillissement Home Discount Center NV worden ingeschreven. 2.4 Uit de overgelegde stukken volgt dat de curatoren van het faillissement Home Discount Center NV op 19 februari 1986 de handelszaak voor de som van 3.361.345 BEF (exclusief BTW) hebben verkocht. De betwisting die zij betreffende de rechtmatigheid van de kredietverstrekking van BBL NV aan Home Discount Center NV voerden, voorkwam hier evenwel dat zij tot de uitbetaling van de bevoorrechte schuldvordering overgingen. De curator die niet tot de betaling kan overgaan, is evenwel verplicht de opbrengst onmiddellijk te reserveren voor rekening van wie de opbrengst zou kunnen toekomen. Artikel 479 van de Faillissementswet van 18 april 1851 - hernomen door artikel 51 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 - schrijft voor, dat deze reservering gebeurt door de storting van de gelden in de consignatiekas binnen de 8 dagen na ontvangst van de opbrengst. En aan de reservering van de opbrengst moeten dezelfde gevolgen worden toegekend als aan de 'betaling'. (Zie bij analogie, het kantonnement, o.a. J. Van Compernolle, R.C.J.B. 1987, pg 393, inz. nr 27 ; ook Huguette Geinger, Het faillissement en het gerechtelijk akkoord - Overzicht rechtspraak 1990-1995, T.P.R. 1996, pg 909, inz. nr. 164 : 'Wanneer na de verkoop van de activabestanddelen, bepaalde rechten nog niet werden vastgesteld, heeft de curator de plicht de opbrengst van de realisatie van deze actiefbestanddelen te reserveren (Cloquet, A., Les faillites et les concordats, Les Novelles, Droit Commercial, D. IV, 1981, p. 783 en 784, nrs. 2699 en 2700). Deze verkoopprijs wordt gerubriceerd bij de Deposito- en Consignatiekas, de intresten zullen moeten berekend worden op de verkoopprijs van de individuele vermogensbestanddelen, waarop het voorrecht van de betrokken schuldeiser rust, en dit te rekenen vanaf de opeisbaarheid (Verougstraete, I., Manuel du curateur de la faillite, 1987, p. 428, nr. 784)'.) Bij gebrek aan 'betaling' of aan 'reservering' zou alleen de verantwoordelijkheid van de curator nog in vraag kunnen gesteld worden. 2.5 De toerekening van de bijzonder bevoorrechte schuldvordering van de BBL NV op de opbrengst van de handelszaak, die het onderpand van haar schuldvordering uitmaakte, moet hier dan ook gebeuren op de datum, dat de opbrengst voor haar rekening werd gereserveerd. BBL NV kan ten opzichte van de boedel geen andere intrestvordering laten gelden, dan de intresten die de voor haar gereserveerde gelden bij de Depositoen Consignatiekas opbrengen tot op de dag van de betaling. Het hof (van beroep) draagt partijen dan ook op de schuldvordering van BBL NV te begroten op de datum waarop de opbrengst van het handelsfonds werd gereserveerd en de intrestverrekening bij de Deposito- en Consignatiekas op te vragen voor het bedrag van deze gereserveerde schuldvordering tot aan de betaling. Bij de betaling van de bevoorrechte schuldvordering van BBL NV moet rekening gehouden worden met een eerste aanbetaling van 1.047.785 BEF op 24 april
- De curator zal de Deposito- en Consignatiekas dan ook moeten verzoeken : - om eerst de intrestverrekening te maken tot op 24 april
- Op de som die op 24 april 1989 al voor BBL NV was gereserveerd (het geconsigneerde bedrag van de schuldvordering van BBL NV, meer de hierop al verworven intresten), moeten de partijen immers de betaling van 1.047.785 BEF in mindering brengen. - om op het daarna nog verschuldigd saldo de intresten te verrekenen vanaf 24 april 1989 tot aan de dag, waarop het saldo zal kunnen uitbetaald worden. 2.6 Uit de verstrekte gegevens volgt : - dat de opbrengst van de handelszaak - die voor de bijzonder bevoorrechte schuldvordering van BBL NV bij de Deposito- en Consignatiekas gereserveerd werd en waaraan het hof (van beroep) de gevolgen van een betaling toekent - volstond om de bijzonder bevoorrechte schuldvordering van BBL NV integraal aan te zuiveren. - dat het bedrag van de schuldvordering het voorrecht van (1.000.000 BEF=) 24.789,35 euro in hoofdsom en drie intresten niet te boven gaat. De aanspraken van BBL NV op de borgen heeft dan ook geen voorwerp meer. Het hof (van beroep) verwijst hier elk van de partijen in de eigen gedingkosten". Grieven
- Eerste onderdeel Het staat wellicht de rechter om desnoods ambtshalve de door partijen aangevoerde rechtsgronden ter verwerping of toewijzing van de eis aan te vullen, mits eerbiediging weliswaar van het recht van verdediging van partijen. Te dezen werpt het hof van beroep in het bestreden arrest op dat "de curator die niet tot de betaling kan overgaan, evenwel verplicht (is) de opbrengst onmiddellijk te reserveren voor rekening van wie de opbrengst zou kunnen toekomen. Artikel 479 van de Faillissementswet van 18 april 1851 schrijft voor dat deze reservering gebeurt door de storting van de gelden in de consignatiekas binnen 8 dagen na ontvangst van de opbrengst. En aan de reservering van de opbrengst moeten dezelfde gevolgen worden toegekend als aan de 'betaling'" en voorts "De toerekening van de bijzonder bevoorrechte schuldvordering van (eiseres) op de opbrengst van de handelszaak, die het onderpand van haar schuldvordering uitmaakte, moet hier dan ook gebeuren op de datum, dat de opbrengst voor haar rekening werd gereserveerd". Uit de besluiten, die tussen partijen worden uitgewisseld, blijkt weliswaar niet dat een der partijen zou hebben opgeworpen dat deze reservering der opbrengst door de curator overeenkomstig artikel 479 van de Faillissementswet van 18 april 1851 binnen acht dagen als betaling was te aanzien. Zo partij V. aanvoerde dat de curatele bij machte was om zonder problemen eiseres volledig te betalen, zelfs wanneer men een evenredig deel van de staat van kosten en ereloon van de curatoren zou aftrekken, erkende deze partij evenwel dat er eerst op 24 april 1989 een bedrag van 1.047.785 BEF werd "betaald" en dat er zodoende enkel nog discussie denkbaar bleef met betrekking tot de rente die al dan niet kon verschuldigd zijn van eind 1985 tot 24 april 1989, daarbij erkennende dat in principe de rente zolang doorliep, ex lege, zelfs zonder dat dit werd gevraagd, gezien het bijzonder bevoorrecht karakter van de vordering van eiseres (zie besluiten, pagina 3 en antwoordbesluiten, pagina 4). Op geen enkel ogenblik voerde zij aan dat de betaling diende te worden gesitueerd op het tijdstip van reservering van de opbrengst van de verkoop, zoals door het hof van beroep weerhouden, met als gevolg dat de conventionele intresten vanaf dat tijdstip niet meer konden lopen. De curatoren van de gefailleerde naamloze vennootschap Home Discount Center voerden hunnerzijds aan dat zij slechts een bedrag van 1.047.785 BEF verschuldigd waren, zijnde het bedrag dat volgens hen volgens het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Gent van 10 januari 1989 diende te worden opgenomen in het bevoorrecht passief van het faillissement, daaraan toevoegende dat het bedrag werd "betaald" op 24 april 1989 (conclusie van 17 november 2000, pagina 3). Ten slotte nam de curator van het faillissement C. terzake geen enkel standpunt in. Besluit Het hof van beroep dat ambtshalve oordeelt dat er tot reservering moest worden overgegaan binnen acht dagen na ontvangst van de opbrengst en dat deze "reservering" als "betaling" gold en vervolgens besluit dat er met eiseres' vordering slechts rekening kon worden gehouden, zoals deze was begroot op datum van die reservering, haar aldus het recht op de conventionele intresten tussen het tijdstip waarop de koopsom beweerdelijk werd gereserveerd en de datum van uitbetaling van het bedrag van 1.047.785 BEF of 25.973,91 euro ontzeggende, zonder eiseres voorafgaandelijk te hebben uitgenodigd om desbetreffend haar verweer te laten gelden, doet uitspraak in miskenning van eiseres' recht van verdediging (schending van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft).
- Tweede onderdeel
- Artikel 8 van de Hypotheekwet bepaalt dat de goederen van de schuldenaar strekken tot gemeenschappelijke waarborg voor zijn schuldeisers, en de prijs ervan onder hen naar evenredigheid van hun vordering wordt verdeeld, tenzij er tussen de schuldeisers wettige redenen van voorrang bestaan. Conform artikel 9 van de Hypotheekwet zijn die wettige redenen van voorrang de voorrechten en hypotheken. Blijkens artikel 1 van de Wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen kan aldus de handelszaak onder de bij de wet bepaalde omstandigheden in pand worden gegeven. De in pand gegeven handelszaak strekt zodoende tot zekerheid van de schuldvordering van de pandhoudende schuldeiser, met dien verstande dat in geval van vervreemding van de in pand gegeven zaak het uit de zekerheid voortvloeiende recht van voorrang op de verkoopprijs wordt overgedragen ; de aan de verkoper betaalde prijs blijft met dit recht van voorrang bezwaard, niet alleen ten aanzien van de hoofdsom, maar ook ten aanzien van de intresten ervan, tot op de dag van de betaling. De tegeldemaking van een met een zekerheid bezwaard goed door een andere persoon dan de schuldeiser, zoals de curator van het faillissement van de schuldenaar, doet immers de aan de zekerheid verbonden gevolgen niet teniet.
- Artikel 451 van de Faillissementswet van 18 april 1851 bepaalt bovendien uitdrukkelijk dat te rekenen van het vonnis van faillietverklaring de loop van de intresten van elke vordering die niet door voorrecht, pand of hypotheek is gewaarborgd, afgesloten wordt alleen ten aanzien van de boedel. De intresten van de gewaarborgde schuldvordering kunnen slechts geëist worden op de bedragen die voortkomen van de voor het voorrecht, het pand of de hypothecair verbonden goederen. Wordt de prijs van de verkoop van het bezwaarde goed om een of andere reden niet onmiddellijk uitbetaald aan de bevoorrechte schuldeiser, dan zal laatstgenoemde bovendien verder aanspraak kunnen maken op de conventionele intresten van zijn schuldvordering tot op datum van de betaling van die schuldvordering, zonder dat terzake nog enige beperking geldt. Artikel 87 van de Hypotheekwet, waarnaar het door het bestreden arrest aangehaalde artikel 6 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen verwijst en dat bepaalt dat de bevoorrechte of hypothecaire schuldeiser, die ingeschreven is voor een kapitaal dat intresten of rentetermijnen opbrengt, het recht heeft om ten hoogste drie jaar in dezelfde rang te worden geplaatst als deze voor zijn kapitaal, onverminderd de bijzondere inschrijvingen, die voor andere intresten of rentetermijnen kunnen worden genomen en hypotheken medebrengen, te rekenen van hun dagtekening, houdt immers op uitwerking te hebben op datum van de verwezenlijking van het bezwaarde goed. De wetgever heeft inderdaad niet gewild dat de schuldeiser zou lijden onder de vertraging in de uitbetaling van de hoofdsom. Derhalve zullen alle intresten, vervallen sinds het tijdstip waarop het recht van voorrang werd overgedragen op de prijs, in dezelfde rang als de hoofdsom op die prijs worden overgedragen. Uit het voorgaande volgt dat de precieze omvang van de op de prijs bevoorrechte schuldvordering eerst definitief zal komen vast te staan op datum van aanwending van de opbrengst van de verwezenlijking van het pand ter aanzuivering van die schuldvordering, hetzij op datum van de betaling.
- De "reservering" of "consignatie" van gelden geldt evenwel slechts dan als een betaling wanneer de wet dan wel de partijen aan deze reservering dergelijke gevolgen verbonden heeft. Artikel 479 van de Faillissementswet van 18 april 1851, waarnaar het hof van beroep verwijst, bepaalt wellicht dat de gelden die voortkomen van de verkopen en inningen door de curatoren gedaan, na aftrek van de bedragen door de rechter-commissaris begroot, in de consignatiekas worden gestort, binnen acht dagen na ontvangst. In geval van vertraging, zijn de curators de commerciële intrest verschuldigd op de niet-gestorte bedragen, onverminderd de toepassing van de artikelen 459 en
- Hieruit blijkt geenszins dat deze "reservering", zoals door het hof van beroep uitgedrukt, op dat ogenblik reeds als betaling zou gelden. Uit voornoemd artikel kan enkel worden afgeleid dat de gelden, ontvangen door de curator, zullen moeten worden gestort, anders gezegd geconsigneerd, in de consignatiekas. Uit artikel 480 van diezelfde wet volgt bovendien dat de gelden slechts zullen worden uitbetaald door de aangestelde van de Deposito- en Consignatiekas op inzage van een duplicaat van een verdelingsstaat getekend door de curatoren en geviseerd door de rechter-commissaris. De "reservering" staat dan ook geenszins gelijk met een betaling. Een betaling veronderstelt immers een eigendomsoverdracht van de gelden ten voordele van degenen, voor wie de gelden bestemd zijn, desgevallend onder de ontbindende voorwaarde van de tussenkomst van een toekomstige, doch onzekere gebeurtenis, welke die betaling ongedaan zou kunnen maken. Uit hogervernoemd artikel 479 van de Faillissementswet van 18 april 1851 volgt evenwel geenszins dat dergelijke eigendomsoverdracht ten voordele van de bijzonder bevoorrechte schuldeiser zou plaatsvinden op datum van consignatie der gelden bij de consignatiekas ; de toewijzing van de gelden aan een welbepaald schuldeiser is integendeel afhankelijk van de gebeurlijke rangregeling die zal moeten worden opgesteld ; bovendien zal de curator die tot de realisatie van het bezwaarde goed overging, zoals overigens door het hof van beroep vastgesteld, op dit bedrag zijn ereloon en kosten kunnen voorafnemen ; ten slotte zal de uitbetaling van dit bedrag aan de schuldeiser afhankelijk zijn van een betalingsopdracht daartoe van de curator. Besluit Het hof van beroep, dat bij het bestreden arrest oordeelt dat de pandhoudende schuldeiser op handelszaak slechts aanspraak kan maken op de schuldvordering, zoals die werd begroot op datum van reservering van de opbrengst der verkoop door de curator op de consignatiekas, aldus oordelende dat die reservering gelijkstaat met een betaling, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 479 en 480 van de Faillissementswet van 18 april 1851, 1234, 1235, 1238, 1239 van het Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig de artikelen 1403 en 1404 van het Gerechtelijk Wetboek en 51 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997). Bovendien oordeelt het hof van beroep op onwettige wijze dat de beperking van drie jaar, waarvan sprake in artikel 87 van de Hypotheekwet, waarnaar artikel 6 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen verwijst, ook geldt ten aanzien van de conventionele intresten, vervallen na datum van de verwezenlijking van het met een pand bezwaarde goed door een derde, zoals de curator van de gefailleerde schuldenaar (schending van de artikelen 8, 9, 87 van de Hypotheekwet, 1, 4, 6 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen, 2073 van het Burgerlijk Wetboek en 451 van de Faillissementswet van 18 april 1851), aldus de regel miskennende dat het recht van voorrang zowel wat betreft de hoofdsom als wat betreft de intresten wordt overgedragen op de verkoopprijs tot op de dag van de betaling (schending van de artikelen 1, 4, 9, zoals van toepassing vóór de wijziging bij de wet van 8 augustus 1997, van de wet van 5 mei 1872 houdende herziening van de bepalingen van het Wetboek van Koophandel betreffende het pand en de commissie, vormende boek I, titel VI, 1, 4, 8, 9, 11, 12 van de wet van 25 oktober 1919 betr effende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen, 451, 454, 528, 542, 543, 544, 547 en 561 van de Faillissementswet van 18 april 1851). Derhalve kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat de vordering tegen de borgen geen voorwerp meer had (schending van de artikelen 1198, 2011, 2021, 2034, 2036 en 2037 van het Burgerlijk Wetboek).
- Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 2011 van het Burgerlijk Wetboek verplicht hij die zich borg stelt voor een verbintenis zich jegens de schuldeiser aan die verbintenis te voldoen, indien de schuldenaar niet zelf daaraan voldoet. De borg is jegens de schuldeiser niet tot betaling gehouden dan bij gebreke van de schuldenaar, wiens goederen vooraf moeten worden uitgewonnen, tenzij de borg afstand heeft gedaan van het voorrecht van uitwinning of tenzij hij zich hoofdelijk met de schuldenaar heeft verbonden, in welk geval de gevolgen van zijn verbintenis worden geregeld naar de beginselen die ten opzichte van hoofdelijke schulden zijn vastgesteld. Uit artikel 2036 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de borg zich kan beroepen tegenover de schuldeiser op alle excepties die aan de hoofdschuldenaar toekomen en die tot de schuld zelf behoren, maar hij kan zich niet beroepen op excepties die alleen de schuldenaar persoonlijk betreffen. Bovendien is hij blijkens artikel 2037 van het Burgerlijk Wetboek ontslagen wanneer hij door toedoen van de schuldeiser niet meer in de rechten, hypotheken en voorrechten van die schuldeiser kan treden. Uit het voorgaande volgt dat de omstandigheid dat de schuldenaar c.q. de curator in gebreke zou zijn gebleven om tijdig de opbrengst van het verkochte pand in aanzuivering van de schuld te betalen dan wel, in de redenering van het hof van beroep, te "reserveren", geenszins door de borg ter bevrijding van zijn eigen verbintenissen ten aanzien van de schuldeiser kan worden ingeroepen. Besluit In zoverre het hof van beroep oordeelt dat bij gebrek aan "betaling" of aan "reservering" alleen de verantwoordelijkheid van de curator nog in vraag zou kunnen worden gesteld en dat de aanspraken van eiseres op de borgen geen voorwerp meer hebben, nu de opbrengst van de handelszaak volstond om de bijzonder bevoorrechte schuldvordering van eiseres integraal aan te zuiveren, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 2011, 2021, 2034, 2036 en 2037 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof Tweede onderdeel Overwegende dat, krachtens het toepasselijke artikel 451 van de Faillissementswet van 18 april 1851, de rente van een door een voorrecht, pand of hypotheek gewaarborgde schuldvordering niet ophoudt te lopen door het vonnis van faillietverklaring en dat de rente van de gewaarborgde schuldvordering enkel kan worden gevorderd op de sommen die voortkomen uit de tegeldemaking van de aldus bezwaarde goederen ; Overwegende dat wanneer het met een zekerheidsrecht bezwaard goed wordt verkocht door een curator of vereffenaar, het recht van voorrang van de schuldeiser wordt overgedragen op het bedrag dat voortkomt uit deze tegeldemaking, zowel wat de hoofdsom als wat de rente betreft, en zulks tot op de dag van de betaling ; Overwegende dat, krachtens artikel 479 van de Faillissementswet
(1851)de curators gehouden zijn de gelden die voortkomen van de verkopen en de inningen, onder aftrek van de bedragen door de rechter begroot, in de consignatiekas te storten ; dat artikel 480, eerste lid, van die wet bepaalt dat de betaling van de sommen aan de schuldeisers van het faillissement rechtstreeks wordt gedaan door de aangestelde van de Deposito- en Consignatiekas op inzage van een duplicaat van de verdelingstaat getekend door de curator en geviseerd door de rechter-commissaris ; Dat hieruit volgt dat de storting door de curator in de consignatiekas van de gelden die voortkomen uit verkopen en inningen, niet kan beschouwd worden als een betaling aan de schuldeisers ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat de curators de handelszaak waarop eiseres een pandrecht heeft, hebben verkocht voor de som van 3.361.345 BEF en zij de opbrengst hebben gestort in de consignatiekas ; dat zij oordelen dat door deze storting de opbrengst van de verkoop van de handelszaak voor eiseres wordt "gereserveerd" zodat eiseres als pandhouder "ten opzichte van de boedel geen andere intrestvordering (kan) laten gelden, dan de interesten die de voor haar gereserveerde gelden bij de Deposito- en Consignatiekas opbrengen" ; Dat zij op grond hiervan beslissen dat de door het pandrecht gewaarborgde schuldvordering van eiseres dient begroot te worden "op de datum waarop de opbrengst van het handelsfonds werd gereserveerd" ; Dat de appèlrechters door aldus te oordelen, hun beslissing niet naar recht verantwoorden ; Dat het onderdeel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van tien november tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051110.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div