← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051110.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051110.12 Rolnummer: C.04.0263.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-03-24 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-07-03 10:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een dominante onderneming treedt niet discriminatoir op wanneer zij haar handelspartners gelijkwaardige prestaties aanbiedt tegen gelijke voorwaarden. Thesaurus CAS: ECONOMIE Vrije woorden: ECONOMIE Onderneming Mededinging Misbruik van machtspositie Discriminatie van een handelspartner Wettelijke bepalingen: Wet - 01-07-1999 - Art.3,c Fiche 2 Er ontstaat niet noodzakelijk een verboden discriminatie wanneer de dominante onderneming een deel van haar verrichtingen laat verlopen onder de vorm van ruil met haar afnemers en de verhouding tussen het aantal ruilverrichtingen en het aantal verrichtingen tegen betaling in geld varieert van de ene afnemer tot de andere. Thesaurus CAS: ECONOMIE Vrije woorden: ECONOMIE Onderneming Mededinging Misbruik van machtspositie Discriminatie van een handelspartner Wettelijke bepalingen: Wet - 01-07-1999 - Art.3,c Tekst van de beslissing Nr. C.04.0263.N VLAAMSE UITGEVERSMAATSCHAPPIJ, naamloze vennootschap, met zetel te 1702 Dilbeek, Gossetlaan 30, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. VLAAMSE MEDIA MAATSCHAPPIJ, naamloze vennootschap, met zetel te 1800 Vilvoorde, Medialaan 1, 2. DE PERSGROEP, naamloze vennootschap, met zetel te 1730 Asse, Brusselsesteenweg 347, 3. AUREX, naamloze vennootschap, met zetel te 1730 Asse, Brusselsesteenweg 347, 4. UITGEVERIJ DE MORGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Arduinkaai 28-29, verweersters, de partijen sub 2, 3 en 4, minstens in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 maart 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, dat uitspraak doet in hoger beroep tegen beslissingen van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ; &§9472; de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 702, 3°, en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 3 en 35 van de gecoördineerde wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging. Aangevochten beslissingen Bij arrest van 10 maart 2004 ontvangt het Hof van Beroep te Brussel de hogere beroepen van eerste verweerster en van de in gemeenverklaring opgeroepen partijen, verklaart deze gegrond, doet de bestreden beslissing, waarbij eiseres' vordering tot het bekomen van voorlopige maatregelen in afwachting van de behandeling ten gronde van de door haar op 7 oktober 2002 bij de Raad voor de Mededinging ingediende klacht ten dele werd ingewilligd, teniet en, opnieuw wijzende, stelt dat het bestaan van het aan eerste verweerster verweten misbruik van machtspositie prima facie niet vaststaat en verwerpt de vraag tot het nemen van voorlopige maatregelen, op grond van volgende overwegingen : "25. Wat VUM als een misbruik van machtspositie aanklaagt, is het feit dat VMMa geweigerd heeft met haar een ruilovereenkomst af te sluiten voor een hoger bedrag dan het voor het jaar 2002 vastgesteld ruilbedrag, hoewel VMMa ruimere ruilrechten toekent aan de Persgroep, en het feit dat VMMa een betaling in speciën eist indien de VUM meer zendtijd wenst dan de zendtijd begrepen in het toegekend ruilbudget. VUM is derhalve de mening toegedaan dat VMMa omwille van haar positie op de markt, verplicht zou zijn, in geval de behoeften van VUM aan reclamezendtijd op de VMMa- televisieomroepen, het budget dat VMMa wenst te besteden aan advertenties in de dagbladtitels van de VUM overschrijden, om - ten belope van het verschil -, hetzij zendtijd gratis ter beschikking te stellen van VUM, hetzij reclameruimte aan te kopen in de VUM-kranten die zij niet nuttig acht. Nochtans staat geenszins prima facie vast dat, vanuit strikt concurrentierechtelijk oogpunt, op een onderneming met machtspositie een verplichting tot aankoop zou kunnen berusten, of een verplichting tot levering zonder tegenprestatie. Een onderneming met machtspositie kan niet, op basis van het mededingingsrecht alleen, verplicht worden goederen of diensten aan te kopen die zij niet nuttig acht, zodat een aankoopweigering geen misbruik kan opleveren al kan de leverancier van deze goederen of diensten hierdoor van de markt verdreven worden. Het feit dat een onderneming met machtspositie alleen de goederen en de diensten verwerft die zij nuttig acht of dat zij weigert haar eigen goederen en diensten te verkopen zonder tegenprestatie, kan immers niet worden aangemerkt als een gedrag dat zij zich bij werkzame mededinging niet zou kunnen veroorloven of als een gedrag dat niet strookt met een op ondernemersprestaties berustende normale mededinging. Hieruit volgt dat het bestaan van het verweten misbruik niet vaststaat, zodat niet verder dient te worden ingegaan op de vraag of al dan niet terecht wordt voorgehouden dat VMMa een machtspositie heeft noch onderzocht dient te worden of de andere voorwaarden tot het nemen van voorlopige maatregelen voorhanden zijn". Grieven 1. Eerste onderdeel Eiseres liet in haar conclusie op pagina 7 voor het hof van beroep gelden dat het in de mediasector gebruikelijk is dat operatoren uit verschillende branches zogenaamde ruilakkoorden sluiten waarbij zij reclameruimte ruilen ter promotie van hun respectieve mediaproducten en wees erop dat zij reeds meerdere jaren zonder gunstig gevolg op een verhoging van haar ruilbedrag had aangedrongen (pagina 9), en dit terwijl blijkens het onderzoek door de Dienst van de Mededinging en de door eerste verweerster overgelegde stukken alle operaties tussen eerste verweerster en De Persgroep - onder te verstaan de NV De Persgroep, de NV Aurex en de NV Uitgeverij De Morgen - aangaande televisiereclame geschiedden op basis van ruil, en dit voor een veelvoud van de waarde van eerste verweersters' ruiloperaties met eiseres (pagina 28 van haar conclusie). Eiseres verweet eerste verweerster dan ook misbruik van machtspositie te maken door het opleggen van ongelijke voorwaarden met betrekking tot de ruilakkoorden, hierin bestaande dat eerste verweerster met De Persgroep blijkens de overgelegde ruilovereenkomsten "de laatste vijf jaar steeds met een factor van meer dan 2,8 meer had geruild dan met (eiseres)", terwijl eiseres nochtans, net zoals De Persgroep, met wie eiseres ontegensprekelijk in mededinging staat, sinds vele jaren haar handelspartner is en eerste verweerster haar nooit te kennen heeft gegeven dat er een ongelijkwaardigheid zou zijn tussen haar prestaties en deze van De Persgroep en tijdens de besprekingen ook nooit enige vorm van compensatie voor zogenaamde ongelijkwaardigheid heeft gevraagd, bijvoorbeeld via aanpassing van de ruilvoet. Zij besloot op pagina 38 van haar conclusie dat "door bijgevolg De Persgroep toe te laten alles in ruil te doen, terwijl deze mogelijkheid niet aan VUM wordt geboden, VMMa niet (voldoet) aan het discriminatieverbod van artikel 3, tweede lid, c, van de Mededingingswet. Dit verbod houdt immers voor een dominante onderneming de plicht in om haar handelspartners gelijke toegang tegen gelijke voorwaarden te geven. ln casu kan deze plicht alleen verwezenlijkt worden door aan VMMa op te leggen aan De Persgroep en VUM gelijke ruil te geven". Anders gezegd, eiseres' vordering strekte blijkens haar conclusie ertoe om bij wijze van voorlopige maatregel bij het aangaan van de ruilovereenkomsten op gelijke wijze behandeld te worden als De Persgroep. Haar vordering strekte er niet toe om naar gelang van haar behoeften toegang te krijgen tot reclametijd op de VMMa- televisieomroepen, doch om gelijke toegang te krijgen tot deze omroepen als eerste verweerster aan De Persgroep gaf. Op pagina 37 van haar conclusie liet eiseres bovendien uitdrukkelijk gelden dat de door haar neergelegde klacht en verzoek om voorlopige maatregelen vanuit deze optiek waren geformuleerd, dat zij om deze gelijkheid te bekomen in de door haar gevraagde voorlopige maatregelen twee opties naar voor had geschoven : een eerste waarbij het ruilbedrag van eiseres zou verhoogd worden tot op het bedrag van De Persgroep en een tweede waarbij het ruilbedrag van De Persgroep zou worden verlaagd tot op het niveau van dat van eiseres, en dat zij zich bereid verklaarde met deze tweede optie genoegen te nemen, omdat zij zich ervan bewust was dat de tweede optie diegene was die minst ingreep in de werking van eerste verweerster, opties die op pagina 33 van haar "verzoek om voorlopige maatregelen", neergelegd op 8 oktober 2002, werden uiteengezet. Ten slotte liet eiseres gelden op de pagina's 30 en volgende van haar conclusie dat de redenen die eerste verweerster inriep om haar discriminatoir gedrag te verantwoorden loutere drogredenen waren en geen economisch objectieve gronden waren voor de discriminatie. Besluit In zoverre het hof van beroep oordeelt dat "VUM derhalve de mening is toegedaan dat VMMa omwille van haar positie op de markt verplicht zou zijn ingeval de behoeften van VUM aan reclametijd op de VMMa televisieomroepen het budget dat VMMa wenst te besteden aan advertenties in de dagbladtitels van de VUM overschrijden, om - ten belope van het verschil -, hetzij zendtijd gratis ter beschikking te stellen van VUM, hetzij reclameruimte aan te kopen in de VUM-kranten die zij niet nuttig acht", daar waar eiseres in haar conclusies voor het hof van beroep, zoals hierboven aangehaald, eerste verweerster verweet haar, vergeleken met de Persgroep, waarvan alle operaties met eerste verweerster aangaande televisiereclame geschieden op basis van ruil, ongelijk te behandelen door haar in dezelfde voorwaarden een verhoging van de reclamezendtijd op basis van ruil te weigeren, zich bereid verklaarde genoegen te nemen met een maatregel die erin zou bestaan dat het ruilbedrag van De Persgroep zou worden verlaagd tot op het niveau van het ruilbedrag dat eerste verweerster aan eiseres toestond, optie die zij reeds in haar verzoek tot voorlopige maatregelen voor de Voorzitter van de Raad van de Mededinging had aangehaald op pagina 33, en voorts het bestaan van economische gronden ter verantwoording van die discriminatie uitdrukkelijk betwistte, miskent het hof van beroep de bewijskracht van eiseres' conclusie evenals van voormeld verzoekschrift door hieraan een uitlegging te geven die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) evenals het voorwerp van haar vordering, die beoogde de gelijkheid tussen handelspartners te herstellen (schending van de artikelen 702, 3°, en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek). 2. Tweede onderdeel Naar luid van artikel 3, lid 1, van de gecoördineerde wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging is het verboden dat één of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan. Blijkens het tweede lid van datzelfde artikel kan dit misbruik met name bestaan in het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging. Uit voorgaande wetsbepaling volgt dat een onderneming, die beschikt over een machtspositie op de Belgische markt of op een wezenlijk deel ervan, misbruik van die machtspositie maakt wanneer zij ten opzichte van haar handelspartners ongelijke voorwaarden toepast bij gelijke prestaties en hun daarmee een nadeel bij de mededinging berokkent. Door de wet worden voor de gelding van dit discriminatieverbod geen andere voorwaarden gesteld, zodat de rechter, aan wie een vordering strekkende tot het bekomen van voorlopige maatregelen, gestoeld op misbruik van machtspositie, bestaande in het toepassen van ongelijke voorwaarden, wordt voorgelegd, deze vordering slechts zal kunnen verwerpen voor zover hij vaststelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij dat artikel, met name dat de dominante onderneming geen toepassing maakt van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties. Voormeld discriminatieverbod geldt ongeacht de vorm die de relatie tussen handelspartners aanneemt en is derhalve evenzeer van toepassing in geval van ruilakkoorden. Er zal in die hypothese zodoende sprake zijn van misbruik van machtspositie zodra blijkt dat de onderneming die een machtspositie bekleedt de concurrenten, aan wie een ruiloperatie wordt aangeboden, op ongelijke wijze behandelt, met name door bij gelijkwaardige prestaties het voordeel van de ruilovereenkomst aan één der concurrenten te weigeren. Eiseres liet te dezen gelden dat, waar zij reeds meerdere jaren zonder gunstig gevolg op een verhoging van haar ruilbedrag had aangedrongen (pagina 9 van haar conclusie), blijkens het onderzoek door de Dienst van de Mededinging en de door eerste verweerster overgelegde stukken alle operaties van eerste verweerster met De Persgroep aangaande televisiereclame, waarvan de waarde een veelvoud betrof van de waarde van eerste verweersters ruiloperaties met eiseres, geschiedden op basis van ruil (pagina 28 van haar conclusie). Zij verweet eerste verweerster dan ook misbruik van machtspositie door met betrekking tot de ruilakkoorden, door eerste verweerster gesloten respectievelijk met De Persgroep en met eiseres, ongelijke voorwaarden op te leggen voor gelijkwaardige prestaties, daarbij erop wijzende dat zij sinds vele jaren een handelspartner is van eerste verweerster, net zoals De Persgroep, waarmee zij ontegensprekelijk in mededinging staat, en dat eerste verweerster haar nooit te kennen heeft gegeven dat er een ongelijkwaardigheid zou zijn tussen haar prestaties en deze van De Persgroep en ook nooit tijdens de besprekingen enige vorm van compensatie voor zogenaamde ongelijkwaardigheid heeft gevraagd, bijvoorbeeld via aanpassing van de ruilvoet. Eiseres besloot op pagina 38 van haar conclusie dat "door bijgevolg De Persgroep toe te laten alles in ruil te doen, terwijl deze mogelijkheid niet aan VUM wordt geboden, VMMa niet (voldoet) aan het discriminatieverbod van artikel 3, tweede lid, c, van de Mededingingswet. Dit verbod houdt immers voor een dominante onderneming de plicht in om haar handelspartners gelijke toegang tegen gelijke voorwaarden te geven. In casu kan deze plicht alleen verwezenlijkt worden door aan VMMa op te leggen aan De Persgroep en VUM gelijke ruil te geven". Zij liet voorts op pagina 39 van haar conclusie gelden, in antwoord op de aanvoering van eerste verweerster dat door de plicht van gelijke ruil in het leven te roepen de voorzitter geen rekening zou gehouden hebben met de specifieke karakteristieken van een mediaruilovereenkomst, m.n. het feit dat de bevolen voorlopige maatregelen ofwel een aankoopverplichting ofwel een aankoopverbod voor VMMa in het leven zouden roepen, dat eerste verweerster hiermee de eigenlijke kwestie, nl. het feit dat zij als dominante onderneming haar handelspartners gelijk moet behandelen, tracht te omzeilen en benadrukte dat de omstandigheid dat de markt hier werkt via een ruilmechanisme uiteraard de plicht niet mag teniet doen of in omvang doen afnemen, vermits het in die hypothese voor een dominante onderneming, toevallig actief op een markt die werkt via een ruilmechanisme, maar al te gemakkelijk zou zijn om haar verplichting tot gelijke behandeling te omzeilen. Ten slotte onderstreepte zij op pagina 55 onderaan van haar conclusie dat de beslissing van de voorzitter van de Raad voor de Mededinging geen "aankoopverplichting" oplegde aan eerste verweerster, nu VMMa niet werd verplicht om meer in ruilbudget bij eiseres te plaatsen dan wat VMMa in het verleden deed, met name 1.860.000 euro. Besluit Het hof van beroep dat eiseres' vordering verwerpt op grond van de overweging dat eerste verweerster niet kan worden verplicht op grond van het mededingingsrecht alleen goederen of diensten aan te kopen die zij niet nuttig acht, zodat een aankoopweigering geen misbruik kan opleveren, al kan de leverancier van deze goederen of diensten hierdoor van de markt worden verdreven, zonder na te gaan of de door eiseres aangevochten houding van eerste verweerster, die ten aanzien van eiseres' concurrent, met name De Persgroep, bereid bleek te zijn om alle operaties aangaande televisiereclame te laten geschieden op basis van ruil en om derhalve bij deze concurrent zonder enige beperking goederen of diensten aan te kopen, een discriminatie ten aanzien van eiseres opleverde, anders gezegd of haar weigering om, anders dan bij De Persgroep, niet alle operaties te laten plaatsvinden op basis van ruil, was gestoeld op objectieve gronden, minstens zonder vast te stellen dat iedere discriminatoire behandeling van eiseres door eerste verweerster uitgesloten was, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van artikel 3, tweede lid, c, van de gecoördineerde wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging). Waar het hof van beroep de toepasselijkheid van artikel 3, lid 2,

  1. c)van de Mededingingswet afhankelijk maakt van de vereiste dat de onderneming met machtspositie de wederprestatie nuttig moet achten, voegt het bovendien aan voornoemd artikel een voorwaarde toe die dit artikel niet bevat (schending van artikel 3, tweede lid,
  2. c)van de gecoördineerde wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging). Het hof van beroep kon bijgevolg niet wettig beslissen dat er geen reden was tot het bevelen van voorlopige maatregelen (schending van artikel 35 van de gecoördineerde wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging). Bovendien blijft het hof van beroep in gebreke eiseres' besluiten, waarin zij aanvoerde dat de omstandigheid dat er sprake was van een ruiloperatie geen afbreuk deed aan het discriminatieverbod, opgelegd door artikel 3, tweede lid,
  3. c)van de wet van 1 juli 1999 betreffende de economische mededinging, te beantwoorden en omkleedt derhalve zijn beslissing niet regelmatig met redenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Minstens is het bestreden arrest, waarvan de redengeving niet toelaat uit te maken of het hof van beroep iedere discriminatoire behandeling vanwege eerste verweerster heeft uitgesloten, zoals aangevoerd door eiseres in haar conclusie, en derhalve de wettigheidcontrole van het Hof onmogelijk maakt, niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). 3. Derde onderdeel Eiseres liet op pagina 30 e.v. van haar conclusie gelden dat de zogenaamde economische verantwoording van het discriminatoir gedrag van eerste verweerster feitelijk onjuist was en bovendien een drogreden, nu geen economische gronden deze discriminatie verantwoorden. In dat verband liet zij meer bepaald op de daaropvolgende pagina's gelden dat : - in tegenstelling tot wat eerste verweerster voorhield de WA 18-54 (verantwoordelijke voor aankoop) niet de enige doelgroep van eerste verweerster is, doch de realiteit complexer en genuanceerder is, - de aangevoerde elementen aangaande een beter bereik door De Persgroep, een betere selectiviteit en een betere exclusiviteit geen steun vonden in de feiten, - het argument van eerste verweerster aangaande het lezersprofiel van de kranten van De Persgroep moest worden verworpen, nu de aanvaarding van dit argument zou betekenen dat men de overtreder van het verbod op machtsmisbruik zou belonen voor zijn misbruik, - het argument van de geografische spreiding de discriminatie niet kan verantwoorden, - het argument aangaande de zogenaamde lagere kost-per-duizend lezers van De Persgroep geen hout snijdt, - de door eerste verweerster ingeroepen economische verantwoordingen een drogreden zijn, hetgeen blijkt uit het feit dat eerste verweerster zonder enig probleem met De Morgen ruilt, ondanks het profiel en de kostprijs van De Morgen, het feit dat het gedrag van eerste verweerster in vergelijking met dat van andere adverteerders die de doelgroep WA 18-54 viseren atypisch is en het feit dat eerste verweerster per jaar veel meer besteedt om een WA 18-54 te bereiken via de krantentitels van De Persgroep dan om dezelfde WA 18-54 te bereiken via de VUM-krantentitels. Eiseres herhaalde op pagina 36 van haar conclusie bij wijze van besluit dat de zogenaamde economische verantwoording van eerste verweerster voor haar weigering om het ruilbedrag te verhogen niet meer dan een drogreden was. Besluit Het hof van beroep dat oordeelt dat het feit dat een onderneming met machtspositie alleen de goederen en de diensten verwerft die zij nuttig acht of dat zij weigert haar eigen goederen en diensten te verkopen zonder tegenprestatie, niet kan worden aangemerkt als een gedrag dat zij zich bij werkzame mededinging niet zou kunnen veroorloven of als een gedrag dat niet strijdt met een ondernemersprestatie berustende normale mededinging, waaruit volgt dat het bestaan van het verweten misbruik niet vaststaat, zonder voornoemd middel (te beantwoorden,) waarin eiseres aanvoerde dat alle door eerste verweerster aangevoerde economische redenen om met eiseres niet te ruilen voor een hoger bedrag drogredenen waren, omkleedt zijn beslissing niet regelmatig met redenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). IV. Beslissing van het Hof Eerste onderdeel Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat : 1. eiseres, op pagina 34 van haar "verzoek om voorlopige maatregelen" van 8 oktober 2002, de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging verzocht als voorlopige maatregel te bevelen, onder meer "(eerste verweerster) gebod (op te leggen) tot op het ogenblik van de uitspraak ten gronde betreffende de klacht neergelegd door (eiseres) op 7 oktober 2002, om tijdens de televisieuitzendingen van haar omroepen VTM, Kanaal 2 en JIMTv aan (eiseres) dezelfde ruilrechten op jaarbasis toe te kennen als (eiseres) genoot tijdens het jaar 2002 krachtens de ruilovereenkomst van 21 januari 2002, met name voor een bedrag van 1.860.000 euro per jaar" en "indien (eerste verweerster) spotreclame en sponsoring met betrekking tot de dagbladtitels Het Laatste Nieuws, De Nieuwe Gazet of De Morgen wenst uit te zenden in een bepaald kalenderjaar boven dat bedrag, het meerbedrag (mee te delen) aan (eiseres) uiterlijk op 15 november van het voorafgaand jaar en aan (eiseres) een overeenstemmend bedrag ter beschikking te stellen bij wege van ruil" ; 2. eiseres, op pagina 33 van het vermelde verzoekschrift, aangeeft dat de discriminatie ten nadele van eiseres kan worden opgeheven, "hetzij door aan (eiseres) dezelfde ruilcapaciteit te geven als de zendcapaciteit die aan De Persgroep wordt toegestaan (ongeacht of deze het gevolg is van een ruiloperatie dan wel zogenaamd betalend is), hetzij door (eerste verweerster) te verbieden meer zendcapaciteit te besteden aan De Persgroep dan zij besteedt aan (eiseres)" ; dat eiseres vervolgt dat "hoewel (zij) bereid is haar ruilcapaciteit te verhogen ten voordele van (eerste verweerster) en het trouwens het voorwerp was van haar herhaalde verzoeken aan het adres van (eerste verweerster) gedurende 2001-2002 om overeenstemmende grotere ruilcapaciteit te krijgen bij (eerste verweerster), (eiseres) genoegen kan nemen met een voorlopige maatregel die het minst ingrijpt in de dagelijkse werking van (eerste verweerster), dit wil zeggen de tweede hypothese waarbij de De Persgroep-mediadruk op (eerste verweerster)-televisieomroepen wordt verminderd tot hetzelfde niveau als door (eerste verweerster) aan (eiseres) wordt toegekend", dat "op die wijze de gelijkheid tussen (eiseres) en De Persgroep evenzeer (wordt) hersteld" en dat "indien (eerste verweerster) zelf zou wensen de De Persgroep-mediadruk bij haar op een hoger niveau te brengen, dit mogelijk (blijft), onder voorwaarde evenwel dat het meerbedrag ook aan (eiseres) wordt ter beschikking gesteld bij wege van ruil" ; 3. de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging bij beslissing van 20 maart 2003 de sub 1 vermelde maatregel inwilligde ; 4. eiseres, op pagina 60 van haar appèlconclusie, de appèlrechters verzocht deze beslissing te bevestigen ; Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat "wat (eiseres) als een misbruik van machtspositie aanklaagt, het feit (
  4. is)dat (eerste verweerster) geweigerd heeft met haar een ruilovereenkomst af te sluiten voor een hoger bedrag dan het voor het jaar 2002 vastgesteld ruilbedrag, hoewel (eerste verweerster) ruimere ruilrechten toekent aan De Persgroep, en het feit dat (eerste verweerster) een betaling in speciën eist indien (eiseres) meer zendtijd wenst dan de zendtijd begrepen in het toegekend ruilbudget" en dat "(eiseres) derhalve de mening is toegedaan dat (eerste verweerster) omwille van haar positie op de markt, verplicht zou zijn, in geval de behoeften van (eiseres) aan reclamezendtijd op de televisieomroepen (van eerste verweerster), het budget dat (eerste verweerster) wenst te besteden aan advertenties in de dagbladtitels van (eiseres) overschrijden, om ten belope van het verschil, hetzij zendtijd gratis ter beschikking te stellen van (eiseres), hetzij reclameruimte aan te kopen in de kranten (van eiseres) die zij niet nuttig acht" ; Dat de appèlrechters, door aldus te oordelen, het voorwerp van eiseres' vordering niet wijzigen, noch van het voormelde verzoekschrift en de appèlconclusie een uitlegging geven die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en mitsdien de bewijskracht ervan niet miskennen ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; Tweede onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 3, c, van de Mededingingswet, het verboden is dat één of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan, meer bepaald door het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging ; Dat een dominante onderneming niet discriminatoir optreedt wanneer zij haar handelspartners gelijkwaardige prestaties aanbiedt tegen gelijke voorwaarden ; Dat er niet noodzakelijk een verboden discriminatie ontstaat wanneer de dominante onderneming een deel van haar verrichtingen laat verlopen onder de vorm van ruil van activa met haar afnemers en de verhouding tussen het aantal ruilverrichtingen en het aantal verrichtingen tegen betaling in geld varieert van de ene afnemer tot de andere ; Dat de weigering een ruiloperatie aan te gaan kan verantwoord zijn door de economische noodzaak alleen activa te kopen die voor de onderneming nuttig zijn en in die mate geen verstoring meebrengt van de werkzame mededinging ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat : 1. de eerste verweerster sedert geruime tijd akkoorden afsluit met enerzijds eiseres en anderzijds De Persgroep, waarbij de partijen, voor een bepaald bedrag, onderling reclameruimte in hun respectieve media ruilen ter promotie van hun respectieve mediaproducten ; 2. de ruilovereenkomsten worden gesloten voor één jaar ; 3. het evenwel iedere partij vrij staat om, boven op het afgesproken ruilbedrag, bijkomende reclameruimte te kopen bij de andere partij ; 4. hierbij de gewone tarieven van de ruilende media-operatoren worden toegepast ; 5. de vergelijking tussen de ruilbedragen aangeeft dat De Persgroep de jongste jaren, via ruil, ongeveer driemaal zoveel advertentieruimte op de zenders van de eerste verweerster heeft dan eiseres ; 6. niet blijkt dat de eerste verweerster ooit geweigerd heeft reclamezendtijd ter beschikking te stellen van eiseres tegen betaling in geld ; 7. eiseres dan ook geen verkoopweigering inroept en het doel van de door haar gevorderde maatregel derhalve niet is om de eerste verweerster tot verkoop te dwingen ; Dat de appèlrechters vervolgens oordelen dat : 1. wat eiseres als een misbruik van machtspositie aanklaagt, het feit is dat de eerste verweerster geweigerd heeft met haar een ruilovereenkomst af te sluiten voor een hoger bedrag dan het voor het jaar 2002 vastgesteld ruilbedrag, hoewel de eerste verweerster ruimere ruilrechten toekent aan De Persgroep, en het feit dat de eerste verweerster een betaling in geld eist indien eiseres meer zendtijd wenst dan de zendtijd begrepen in het toegekende ruilbudget ; 2. eiseres derhalve de mening is toegedaan dat de eerste verweerster omwille van haar positie op de markt, verplicht zou zijn, in geval de behoeften van eiseres aan reclamezendtijd op de televisieomroepen van de eerste verweerster, het budget dat de eerste verweerster wenst te besteden aan advertenties in de dagbladtitels van eiseres overschrijden, om ten belope van het verschil, hetzij zendtijd gratis ter beschikking te stellen van eiseres, hetzij reclameruimte aan te kopen in de kranten van eiseres die zij niet nuttig acht ; 3. het nochtans prima facie geenszins vaststaat dat, vanuit strikt concurrentierechtelijk oogpunt, op een onderneming met machtspositie een verplichting tot aankoop zou kunnen berusten of een verplichting tot levering zonder tegenprestatie ; 4. een onderneming met machtspositie niet, op basis van het mededingingsrecht alleen, verplicht kan worden goederen of diensten aan te kopen die zij niet nuttig acht, zodat een aankoopweigering geen misbruik kan opleveren al kan de leverancier van deze goederen of diensten hierdoor van de markt worden verdreven ; 5. het feit dat een onderneming met machtspositie alleen de goederen verwerft die zij nuttig acht of dat zij weigert haar eigen goederen en diensten te verkopen zonder tegenprestatie, immers niet kan worden aangemerkt als een gedrag dat zij zich bij werkzame mededinging niet zou kunnen veroorloven of als een gedrag dat niet strookt met een op ondernemingsprestaties berustende normale mededinging ; Dat de appèlrechters zodoende hun beslissing dat het beweerde misbruik van machtspositie door de eerste verweerster niet vaststaat, naar recht verantwoorden en het in het onderdeel bedoelde verweer verwerpen en beantwoorden ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; Derde onderdeel Overwegende dat eiseres de appèlrechters verwijt niet te hebben geantwoord op het in het onderdeel bedoelde verweer dat de door de eerste verweerster ingeroepen weigeringsgronden om met eiseres prestaties te ruilen in dezelfde mate als met De Persgroep, "drogredenen" zijn ; Overwegende dat de appèlrechters, zoals blijkt uit het antwoord op het tweede onderdeel, oordelen dat de eerste verweerster die weigert met eiseres prestaties te ruilen in dezelfde mate als met De Persgroep, ogenschijnlijk geen misbruik van machtspositie begaat ; Dat de appèlrechters, gelet op deze beslissing, niet meer behoefden te antwoorden op het vermelde verweer dat niet meer dienend was ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van zevenhonderd vijfenveertig euro zestig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd vierenzestig euro tweeëndertig cent jegens de verwerende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van tien november tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051110.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.