id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051110.12 Rolnummer: C.04.0263.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-03-24 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-07-03 10:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een dominante onderneming treedt niet discriminatoir op wanneer zij haar handelspartners gelijkwaardige prestaties aanbiedt tegen gelijke voorwaarden. Thesaurus CAS: ECONOMIE Vrije woorden: ECONOMIE Onderneming Mededinging Misbruik van machtspositie Discriminatie van een handelspartner Wettelijke bepalingen: Wet - 01-07-1999 - Art.3,c Fiche 2 Er ontstaat niet noodzakelijk een verboden discriminatie wanneer de dominante onderneming een deel van haar verrichtingen laat verlopen onder de vorm van ruil met haar afnemers en de verhouding tussen het aantal ruilverrichtingen en het aantal verrichtingen tegen betaling in geld varieert van de ene afnemer tot de andere. Thesaurus CAS: ECONOMIE Vrije woorden: ECONOMIE Onderneming Mededinging Misbruik van machtspositie Discriminatie van een handelspartner Wettelijke bepalingen: Wet - 01-07-1999 - Art.3,c Tekst van de beslissing Nr. C.04.0263.N VLAAMSE UITGEVERSMAATSCHAPPIJ, naamloze vennootschap, met zetel te 1702 Dilbeek, Gossetlaan 30, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. VLAAMSE MEDIA MAATSCHAPPIJ, naamloze vennootschap, met zetel te 1800 Vilvoorde, Medialaan 1, 2. DE PERSGROEP, naamloze vennootschap, met zetel te 1730 Asse, Brusselsesteenweg 347, 3. AUREX, naamloze vennootschap, met zetel te 1730 Asse, Brusselsesteenweg 347, 4. UITGEVERIJ DE MORGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Arduinkaai 28-29, verweersters, de partijen sub 2, 3 en 4, minstens in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 maart 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, dat uitspraak doet in hoger beroep tegen beslissingen van de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ; &§9472; de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 702, 3°, en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 3 en 35 van de gecoördineerde wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging. Aangevochten beslissingen Bij arrest van 10 maart 2004 ontvangt het Hof van Beroep te Brussel de hogere beroepen van eerste verweerster en van de in gemeenverklaring opgeroepen partijen, verklaart deze gegrond, doet de bestreden beslissing, waarbij eiseres' vordering tot het bekomen van voorlopige maatregelen in afwachting van de behandeling ten gronde van de door haar op 7 oktober 2002 bij de Raad voor de Mededinging ingediende klacht ten dele werd ingewilligd, teniet en, opnieuw wijzende, stelt dat het bestaan van het aan eerste verweerster verweten misbruik van machtspositie prima facie niet vaststaat en verwerpt de vraag tot het nemen van voorlopige maatregelen, op grond van volgende overwegingen : "25. Wat VUM als een misbruik van machtspositie aanklaagt, is het feit dat VMMa geweigerd heeft met haar een ruilovereenkomst af te sluiten voor een hoger bedrag dan het voor het jaar 2002 vastgesteld ruilbedrag, hoewel VMMa ruimere ruilrechten toekent aan de Persgroep, en het feit dat VMMa een betaling in speciën eist indien de VUM meer zendtijd wenst dan de zendtijd begrepen in het toegekend ruilbudget. VUM is derhalve de mening toegedaan dat VMMa omwille van haar positie op de markt, verplicht zou zijn, in geval de behoeften van VUM aan reclamezendtijd op de VMMa- televisieomroepen, het budget dat VMMa wenst te besteden aan advertenties in de dagbladtitels van de VUM overschrijden, om - ten belope van het verschil -, hetzij zendtijd gratis ter beschikking te stellen van VUM, hetzij reclameruimte aan te kopen in de VUM-kranten die zij niet nuttig acht. Nochtans staat geenszins prima facie vast dat, vanuit strikt concurrentierechtelijk oogpunt, op een onderneming met machtspositie een verplichting tot aankoop zou kunnen berusten, of een verplichting tot levering zonder tegenprestatie. Een onderneming met machtspositie kan niet, op basis van het mededingingsrecht alleen, verplicht worden goederen of diensten aan te kopen die zij niet nuttig acht, zodat een aankoopweigering geen misbruik kan opleveren al kan de leverancier van deze goederen of diensten hierdoor van de markt verdreven worden. Het feit dat een onderneming met machtspositie alleen de goederen en de diensten verwerft die zij nuttig acht of dat zij weigert haar eigen goederen en diensten te verkopen zonder tegenprestatie, kan immers niet worden aangemerkt als een gedrag dat zij zich bij werkzame mededinging niet zou kunnen veroorloven of als een gedrag dat niet strookt met een op ondernemersprestaties berustende normale mededinging. Hieruit volgt dat het bestaan van het verweten misbruik niet vaststaat, zodat niet verder dient te worden ingegaan op de vraag of al dan niet terecht wordt voorgehouden dat VMMa een machtspositie heeft noch onderzocht dient te worden of de andere voorwaarden tot het nemen van voorlopige maatregelen voorhanden zijn". Grieven 1. Eerste onderdeel Eiseres liet in haar conclusie op pagina 7 voor het hof van beroep gelden dat het in de mediasector gebruikelijk is dat operatoren uit verschillende branches zogenaamde ruilakkoorden sluiten waarbij zij reclameruimte ruilen ter promotie van hun respectieve mediaproducten en wees erop dat zij reeds meerdere jaren zonder gunstig gevolg op een verhoging van haar ruilbedrag had aangedrongen (pagina 9), en dit terwijl blijkens het onderzoek door de Dienst van de Mededinging en de door eerste verweerster overgelegde stukken alle operaties tussen eerste verweerster en De Persgroep - onder te verstaan de NV De Persgroep, de NV Aurex en de NV Uitgeverij De Morgen - aangaande televisiereclame geschiedden op basis van ruil, en dit voor een veelvoud van de waarde van eerste verweersters' ruiloperaties met eiseres (pagina 28 van haar conclusie). Eiseres verweet eerste verweerster dan ook misbruik van machtspositie te maken door het opleggen van ongelijke voorwaarden met betrekking tot de ruilakkoorden, hierin bestaande dat eerste verweerster met De Persgroep blijkens de overgelegde ruilovereenkomsten "de laatste vijf jaar steeds met een factor van meer dan 2,8 meer had geruild dan met (eiseres)", terwijl eiseres nochtans, net zoals De Persgroep, met wie eiseres ontegensprekelijk in mededinging staat, sinds vele jaren haar handelspartner is en eerste verweerster haar nooit te kennen heeft gegeven dat er een ongelijkwaardigheid zou zijn tussen haar prestaties en deze van De Persgroep en tijdens de besprekingen ook nooit enige vorm van compensatie voor zogenaamde ongelijkwaardigheid heeft gevraagd, bijvoorbeeld via aanpassing van de ruilvoet. Zij besloot op pagina 38 van haar conclusie dat "door bijgevolg De Persgroep toe te laten alles in ruil te doen, terwijl deze mogelijkheid niet aan VUM wordt geboden, VMMa niet (voldoet) aan het discriminatieverbod van artikel 3, tweede lid, c, van de Mededingingswet. Dit verbod houdt immers voor een dominante onderneming de plicht in om haar handelspartners gelijke toegang tegen gelijke voorwaarden te geven. ln casu kan deze plicht alleen verwezenlijkt worden door aan VMMa op te leggen aan De Persgroep en VUM gelijke ruil te geven". Anders gezegd, eiseres' vordering strekte blijkens haar conclusie ertoe om bij wijze van voorlopige maatregel bij het aangaan van de ruilovereenkomsten op gelijke wijze behandeld te worden als De Persgroep. Haar vordering strekte er niet toe om naar gelang van haar behoeften toegang te krijgen tot reclametijd op de VMMa- televisieomroepen, doch om gelijke toegang te krijgen tot deze omroepen als eerste verweerster aan De Persgroep gaf. Op pagina 37 van haar conclusie liet eiseres bovendien uitdrukkelijk gelden dat de door haar neergelegde klacht en verzoek om voorlopige maatregelen vanuit deze optiek waren geformuleerd, dat zij om deze gelijkheid te bekomen in de door haar gevraagde voorlopige maatregelen twee opties naar voor had geschoven : een eerste waarbij het ruilbedrag van eiseres zou verhoogd worden tot op het bedrag van De Persgroep en een tweede waarbij het ruilbedrag van De Persgroep zou worden verlaagd tot op het niveau van dat van eiseres, en dat zij zich bereid verklaarde met deze tweede optie genoegen te nemen, omdat zij zich ervan bewust was dat de tweede optie diegene was die minst ingreep in de werking van eerste verweerster, opties die op pagina 33 van haar "verzoek om voorlopige maatregelen", neergelegd op 8 oktober 2002, werden uiteengezet. Ten slotte liet eiseres gelden op de pagina's 30 en volgende van haar conclusie dat de redenen die eerste verweerster inriep om haar discriminatoir gedrag te verantwoorden loutere drogredenen waren en geen economisch objectieve gronden waren voor de discriminatie. Besluit In zoverre het hof van beroep oordeelt dat "VUM derhalve de mening is toegedaan dat VMMa omwille van haar positie op de markt verplicht zou zijn ingeval de behoeften van VUM aan reclametijd op de VMMa televisieomroepen het budget dat VMMa wenst te besteden aan advertenties in de dagbladtitels van de VUM overschrijden, om - ten belope van het verschil -, hetzij zendtijd gratis ter beschikking te stellen van VUM, hetzij reclameruimte aan te kopen in de VUM-kranten die zij niet nuttig acht", daar waar eiseres in haar conclusies voor het hof van beroep, zoals hierboven aangehaald, eerste verweerster verweet haar, vergeleken met de Persgroep, waarvan alle operaties met eerste verweerster aangaande televisiereclame geschieden op basis van ruil, ongelijk te behandelen door haar in dezelfde voorwaarden een verhoging van de reclamezendtijd op basis van ruil te weigeren, zich bereid verklaarde genoegen te nemen met een maatregel die erin zou bestaan dat het ruilbedrag van De Persgroep zou worden verlaagd tot op het niveau van het ruilbedrag dat eerste verweerster aan eiseres toestond, optie die zij reeds in haar verzoek tot voorlopige maatregelen voor de Voorzitter van de Raad van de Mededinging had aangehaald op pagina 33, en voorts het bestaan van economische gronden ter verantwoording van die discriminatie uitdrukkelijk betwistte, miskent het hof van beroep de bewijskracht van eiseres' conclusie evenals van voormeld verzoekschrift door hieraan een uitlegging te geven die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) evenals het voorwerp van haar vordering, die beoogde de gelijkheid tussen handelspartners te herstellen (schending van de artikelen 702, 3°, en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek). 2. Tweede onderdeel Naar luid van artikel 3, lid 1, van de gecoördineerde wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging is het verboden dat één of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan. Blijkens het tweede lid van datzelfde artikel kan dit misbruik met name bestaan in het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging. Uit voorgaande wetsbepaling volgt dat een onderneming, die beschikt over een machtspositie op de Belgische markt of op een wezenlijk deel ervan, misbruik van die machtspositie maakt wanneer zij ten opzichte van haar handelspartners ongelijke voorwaarden toepast bij gelijke prestaties en hun daarmee een nadeel bij de mededinging berokkent. Door de wet worden voor de gelding van dit discriminatieverbod geen andere voorwaarden gesteld, zodat de rechter, aan wie een vordering strekkende tot het bekomen van voorlopige maatregelen, gestoeld op misbruik van machtspositie, bestaande in het toepassen van ongelijke voorwaarden, wordt voorgelegd, deze vordering slechts zal kunnen verwerpen voor zover hij vaststelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij dat artikel, met name dat de dominante onderneming geen toepassing maakt van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties. Voormeld discriminatieverbod geldt ongeacht de vorm die de relatie tussen handelspartners aanneemt en is derhalve evenzeer van toepassing in geval van ruilakkoorden. Er zal in die hypothese zodoende sprake zijn van misbruik van machtspositie zodra blijkt dat de onderneming die een machtspositie bekleedt de concurrenten, aan wie een ruiloperatie wordt aangeboden, op ongelijke wijze behandelt, met name door bij gelijkwaardige prestaties het voordeel van de ruilovereenkomst aan één der concurrenten te weigeren. Eiseres liet te dezen gelden dat, waar zij reeds meerdere jaren zonder gunstig gevolg op een verhoging van haar ruilbedrag had aangedrongen (pagina 9 van haar conclusie), blijkens het onderzoek door de Dienst van de Mededinging en de door eerste verweerster overgelegde stukken alle operaties van eerste verweerster met De Persgroep aangaande televisiereclame, waarvan de waarde een veelvoud betrof van de waarde van eerste verweersters ruiloperaties met eiseres, geschiedden op basis van ruil (pagina 28 van haar conclusie). Zij verweet eerste verweerster dan ook misbruik van machtspositie door met betrekking tot de ruilakkoorden, door eerste verweerster gesloten respectievelijk met De Persgroep en met eiseres, ongelijke voorwaarden op te leggen voor gelijkwaardige prestaties, daarbij erop wijzende dat zij sinds vele jaren een handelspartner is van eerste verweerster, net zoals De Persgroep, waarmee zij ontegensprekelijk in mededinging staat, en dat eerste verweerster haar nooit te kennen heeft gegeven dat er een ongelijkwaardigheid zou zijn tussen haar prestaties en deze van De Persgroep en ook nooit tijdens de besprekingen enige vorm van compensatie voor zogenaamde ongelijkwaardigheid heeft gevraagd, bijvoorbeeld via aanpassing van de ruilvoet. Eiseres besloot op pagina 38 van haar conclusie dat "door bijgevolg De Persgroep toe te laten alles in ruil te doen, terwijl deze mogelijkheid niet aan VUM wordt geboden, VMMa niet (voldoet) aan het discriminatieverbod van artikel 3, tweede lid, c, van de Mededingingswet. Dit verbod houdt immers voor een dominante onderneming de plicht in om haar handelspartners gelijke toegang tegen gelijke voorwaarden te geven. In casu kan deze plicht alleen verwezenlijkt worden door aan VMMa op te leggen aan De Persgroep en VUM gelijke ruil te geven". Zij liet voorts op pagina 39 van haar conclusie gelden, in antwoord op de aanvoering van eerste verweerster dat door de plicht van gelijke ruil in het leven te roepen de voorzitter geen rekening zou gehouden hebben met de specifieke karakteristieken van een mediaruilovereenkomst, m.n. het feit dat de bevolen voorlopige maatregelen ofwel een aankoopverplichting ofwel een aankoopverbod voor VMMa in het leven zouden roepen, dat eerste verweerster hiermee de eigenlijke kwestie, nl. het feit dat zij als dominante onderneming haar handelspartners gelijk moet behandelen, tracht te omzeilen en benadrukte dat de omstandigheid dat de markt hier werkt via een ruilmechanisme uiteraard de plicht niet mag teniet doen of in omvang doen afnemen, vermits het in die hypothese voor een dominante onderneming, toevallig actief op een markt die werkt via een ruilmechanisme, maar al te gemakkelijk zou zijn om haar verplichting tot gelijke behandeling te omzeilen. Ten slotte onderstreepte zij op pagina 55 onderaan van haar conclusie dat de beslissing van de voorzitter van de Raad voor de Mededinging geen "aankoopverplichting" oplegde aan eerste verweerster, nu VMMa niet werd verplicht om meer in ruilbudget bij eiseres te plaatsen dan wat VMMa in het verleden deed, met name 1.860.000 euro. Besluit Het hof van beroep dat eiseres' vordering verwerpt op grond van de overweging dat eerste verweerster niet kan worden verplicht op grond van het mededingingsrecht alleen goederen of diensten aan te kopen die zij niet nuttig acht, zodat een aankoopweigering geen misbruik kan opleveren, al kan de leverancier van deze goederen of diensten hierdoor van de markt worden verdreven, zonder na te gaan of de door eiseres aangevochten houding van eerste verweerster, die ten aanzien van eiseres' concurrent, met name De Persgroep, bereid bleek te zijn om alle operaties aangaande televisiereclame te laten geschieden op basis van ruil en om derhalve bij deze concurrent zonder enige beperking goederen of diensten aan te kopen, een discriminatie ten aanzien van eiseres opleverde, anders gezegd of haar weigering om, anders dan bij De Persgroep, niet alle operaties te laten plaatsvinden op basis van ruil, was gestoeld op objectieve gronden, minstens zonder vast te stellen dat iedere discriminatoire behandeling van eiseres door eerste verweerster uitgesloten was, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van artikel 3, tweede lid, c, van de gecoördineerde wet van 1 juli 1999 tot bescherming van de economische mededinging). Waar het hof van beroep de toepasselijkheid van artikel 3, lid 2,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.