id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051117.10 Rolnummer: C.04.0477.N Kamer: 1N+ - Eerste Kamer + Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2006-03-24 Raadplegingen: 738 - laatst gezien 2026-07-04 11:39 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De verzekerde die jegens zijn verzekeraar een recht op betaling aanvoert, moet in de regel niet alleen het bewijs leveren van de schade maar ook van de gebeurtenis die tot die schade heeft geleid, en moet bewijzen dat het opgetreden risico in het contract was voorzien en er niet door uitgesloten was
(1)Cass., 25 feb. 2000, AR C.98.0511.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000225.7, nr 143. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Bewijslast Landverzekering Verzekerde Recht op betaling Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.870 Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Verzekerde Recht op betaling Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.870 Fiches 3 - 4 De verzekerde is niet langer gehouden het bewijs te leveren dat het schadegeval in de verzekeringsovereenkomst is voorzien en er niet door uitgesloten is wanneer de rechter vaststelt dat de verzekeraar aanvaard heeft tot dekking te zijn gehouden, en verzaakt heeft aan zijn recht om op grond van de polis en de wettelijke bepalingen dekking te weigeren. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Landverzekering Verzekeraar Aanvaarding van dekking Verzekerde Recht op betaling Bewijslast Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Verzekeraar Aanvaarding van dekking Verzekerde Recht op betaling Bewijslast Tekst van de beslissing Nr. C.04.0477.N GENERALI BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 1, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. K. S., 2. S. A., vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, 3. AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, 4. O. L., verweerders. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 februari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht strikt moet worden uitgelegd en enkel kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn, zoals neergelegd in onder meer artikel 1045, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 1134, 1135, 1234, 1315, 1338, 2219 en 2262, van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 1, 34, 35, 77, 78, 79 en 89, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, hierna afgekort Landverzekeringswet. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest beslist op pagina 14 : "Ongeacht de vraag of (eiseres) op grond van de polisvoorwaarden of wettelijke bepalingen al dan niet tot dekking dient over te gaan, heeft zij door haar houding aanvaard dat zij te dezen tot dekking gehouden is. Zij heeft dienvolgens impliciet doch zeker verzaakt aan haar beweerd recht om op grond van de polis en de wettelijke bepalingen dekking te weigeren. 5. Uit het voorgaande volgt dat (eiseres) tot dekking gehouden is. Het hoger beroep van (derde verweerster) is gegrond. De eis in tussenkomst en vrijwaring van (tweede verweerster) tegen haar gericht is ongegrond", op grond van de motieven op pp. 12-14 : "4. (Eiseres) heeft zonder voorbehoud het verweer van (tweede verweerster) tijdens de procedure in kort geding en tijdens de expertise in kort geding waargenomen. Ze heeft een raadsman, hierna verder de raadsman genoemd, aangesteld om de belangen van (tweede verweerster) waar te nemen. Niettegenstaande de dagvaarding in kort geding van 27 mei 1998 de feiten niet dateert en dienvolgens zeer beperkte informatie aanreikt, wordt (eiseres) door de door haar aangestelde raadsman tijdens de expertiseverrichting op de hoogte gehouden van het verder verloop. De hierna volgende briefwisseling toont aan dat (eiseres) met kennis van zaken handelde en zonder enig voorbehoud in de procedure in kort geding en tijdens de expertise de belangen van (tweede verweerster) behartigde. De raadsman maakt de beschikking in kort geding van 18 juni 1998 die professor B. als deskundige aanstelt, aan (eiseres) over. (Eiseres) ontvangt tevens het voorlopig verslag van de gerechtsdeskundige, haar overgemaakt op 25 november 1998. Bij brief van 30 november 1998 bericht de raadsman zowel aan (vierde verweerder) als aan (eiseres) dat (tweede verweerster) geen opmerkingen heeft op het deskundigenverslag en dat hij eerst van de verzekeraar hierover de bevestiging wenst te verkrijgen. De raadsman maakt op 4 december 1998 de opmerkingen van (eerste verweerder) op het deskundigenverslag, door diens raadsman geformuleerd, aan (eiseres) over. (Eiseres) antwoordt op 2 december 1998 aan (vierde verweerder) dat zij geen opmerkingen op het voorlopig verslag van de deskundige heeft. Een afschrift van de door de raadsman van (eerste verweerder) aan de deskundige verzonden correctie van 3 december 1998 wordt eveneens op 7 december 1998 door de raadsman aan (tweede verweerster), (vierde verweerder) en (eiseres) verzonden. De raadsman van (eerste verweerder) verzoekt bij brief van 3 december 1998 of (eiseres) bereid is minstens een voorschot op de schadevergoeding te betalen. Aan de deskundige wordt op 11 december 1998 bericht dat (tweede verweerster) geen commentaar heeft bij het deskundigenverslag. In een afzonderlijke brief van 11 december 1998 dankt de raadsman de deskundige voor zijn brief van 9 december 1998 waarmee hem het definitief deskundigenverslag werd overgemaakt en vraagt hij nadere uitleg over punt 6.6 dat nergens in het verslag te bespeuren valt. De raadsman maakt bij brief van 18 december 1998 deze gegevens over aan (tweede verweerster), (vierde verweerder) en (eiseres) en voegt hieraan toe een uittreksel van de brief van de raadsman van (eerste verweerder), volgens die brief gedateerd van 14 december 1998, waarin (eerste verweerder) een vrijwillige regeling van een gedeelte van de bedragen vraagt en waarin de raadsman aan (eiseres) een finale regeling suggereert. De raadsman breng dit schrijven van 18 december 1998 op 7 januari 1999 aan (eiseres) in herinnering. Op dat ogenblik reageert (eiseres) bij brief van 20 januari 1999 dat zij de bundel bezorgt aan een raadgever stomatoloog en dat zij zodra mogelijk op deze taak terugkomt. Bij brief van 10 februari 1999 bericht (eiseres) aan de raadsman dat zij op grond van de aangehechte opmerkingen van haar raadgevende arts niet bereid is in deze zaak enige tegemoetkoming aan de tegenpartij te verlenen en eindigt deze brief als volgt : 'Wij vertrouwen verder op uw goede zorgen om de eis van tegenpartij af te wijzen en zien uw volgende berichten met belangstelling tegemoet'. In het aangehaald advies verwijst de arts naar de opeenvolgende feiten waaruit hij afleidt dat het best mogelijk is dat de vorige polis, bedoeld wordt de door (tweede verweerster) bij (derde verweerster) aangegane polis, moet worden aangesproken. (Eiseres) heeft gedurende meer dan zeven maanden onvoorwaardelijk de belangen van (tweede verweerster) tijdens de expertiseverrichtingen behartigd. Zij heeft geen opmerkingen op het voorlopig en op het definitief deskundigenverslag geformuleerd. (Eiseres) werd volledig ingelicht door de door haar aangestelde raadsman, kende op dat ogenblik de opeenvolgende feiten, wist aan de hand van bijlage 2, met name de behandelfiche, dat op 15 september 1993 de behandeling bij (tweede verweerster) was gestart, dat op 11 juli 1995 gratis een nieuwe brug werd geplaatst en dat het dienvolgens mogelijk was dat de schade zich zou hebben gemanifesteerd voor 16 juni 1997, datum waarop haar polis in werking trad. Tijdens het deskundigenonderzoek was de brug in de bovenkaak niet langer aanwezig en zat de brug in de onderkaak los. Volgens de deskundige diende (eerste verweerder) dringend tot prothetisch herstel over te gaan ter vrijwaring van de kauwfunctie en de esthetiek. (Eiseres) kende het belang van de vaststellingen en de noodzaak van bijkomende medische ingrepen. Ze mocht er dan ook niet van uitgaan dat diezelfde vatstellingen nogmaals ten aanzien van een andere verzekeraar op tegenspraak konden worden overgedaan. Door die houding van (eiseres) mocht (tweede verweerster) aannemen dat haar aansprakelijkheid door (eiseres) werd gedekt. Die houding van (eiseres) heeft eveneens tot gevolg dat (tweede verweerster) haar vorige verzekeraar, (derde verweerster), niet in kennis van het schadegeval heeft gesteld tijdens de procedure in kort geding en dat (derde verweerster) dekking weigert. Gelet op de aard van de betwisting is er geen zekerheid dat een nieuw deskundigenonderzoek de rechten van (derde verweerster) vrijwaart. Ongeacht dat de vaststellingen in kort geding op tegenspraak tussen partijen met verschillend belang zijn gebeurd, is aan (derde verweerster) het recht ontzegd vanuit haar invalshoek de expertise bij te wonen en opmerkingen op het deskundigenverslag te formuleren. Gelet op de noodzaak tot dringend herstel en de inmiddels verstreken tijd is er evenmin zekerheid dat bij (eerste verweerder) dezelfde vaststellingen kunnen geschieden als tijdens het deskundigenonderzoek in kort geding. (Eiseres) beweert niet, laat staan dat zij het waarschijnlijk maakt, dat (eerste verweerder) inmiddels geen behandeling bij de tandarts onderging nu de deskundige reeds op 9 december 1998 wees op de dringende noodzaak tot prothetisch herstel". Grieven 1.1. Eerste onderdeel Krachtens de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomsten de partijen tot wet strekt en een verzekeraar het recht verleent zijn dekking te weigeren voor een schadegeval dat niet onder het toepassingsgebied valt van de door hem afgesloten polis op grond van zowel de contractueel afgesproken polisvoorwaarden als onder meer artikel 78 van de Landverzekeringswet. Dit geldt ook voor de reden, ontdekt bij nader onderzoek van het schadegeval, dat de schade zich heeft gemanifesteerd vóór de datum waarop de polis burgerrechtelijke aansprakelijkheid van een medisch beroep in werking trad. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel, weze het rechtsverwerking genoemd of anderszins, volgens hetwelk een subjectief recht teniet gaat wanneer de houder van dat recht, - zoals het recht van een verzekeraar om zijn dekking te weigeren wanneer het schadegeval niet blijkt gedekt te zijn door zijn polis -, een houding aanneemt die objectief onverenigbaar is met dat recht. Voormelde verzekeraar miskent artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, waarin het beginsel is neergelegd van de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomsten, niet wanneer hij gebruikt maakt van het recht dat hij uit de beperking van zijn wettig aangegane polis haalt en wanneer niet blijkt dat hij van dit recht misbruik heeft gemaakt. Het Burgerlijk Wetboek en (de wet
- op)de Landverzekeringswet, binnen die perken en gelet op de regels van de extinctieve verjaring die zij bevatten, erkennen impliciet dat de verzekeraar de mogelijkheid heeft om voormelde weigering niet onmiddellijk uit te oefenen. Aldus de verzekeraar niet kan beschouwd worden te hebben aanvaard tot dekking gehouden te zijn om de enige reden dat hij een bepaalde houding heeft aangenomen, hetzij zich niet eerder te beroepen op de reden van zijn weigering tot dekking ofwel na de ontdekking dat de schade zich vóór de inwerkingtreding van zijn polis heeft gemanifesteerd ofwel het tijdstip waarop hij over de mogelijkheid beschikte die grond van weigering te kunnen inroepen. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist dat eiseres door haar houding heeft aanvaard tot dekking gehouden te zijn, vermits geen algemeen rechtsbeginsel, noch enige wettelijke bepaling aan dergelijke houding dat gevolg verbindt (Schending van de artikelen 1134, 1135, 2219 en 2262 van het Burgerlijk Wetboek, 1, 34, 35, 77 en 78 van de Landverzekeringswet) en rechten slechts tenietgaan op de beperkende in de wet opgesomde wijzen (Schending van artikel 1234 van het Burgerlijk Wetboek). Bovendien krachtens het algemeen rechtsbeginsel, zoals neergelegd onder meer in artikel 1045, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de afstand van een recht strikt moet worden uitgelegd, niet wordt vermoed en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. Ook al stelt de feitenrechter soeverein de feiten vast waaruit hij een afstand afleidt, toch kan hij dit enkel mits dit begrip niet te miskennen, waarop het Hof vermag toe te zien. Uit het enkele feit dat eiseres in het kader van de artikelen 79 en 89 van de Landverzekeringswet de leiding van het geding opnam door een raadsman aan te stellen om de belangen van tweede verweerster, in het kader van het door eerste verweerder ingespannen kort geding en het in kort geding bevolen deskundigenonderzoek, ten bewarende titel te vrijwaren, dat eiseres op die wijze enkel de gemeenschappelijke belangen, die zij met tweede verweerster bezit ten opzichte van de eerste verweerder, waarneemt, zelfs onvoorwaardelijk op dat ogenblik en dat eiseres in de loop van die onderzoeksmaatregel de mogelijkheid had om kennis te hebben van de omstandigheid dat de schade zich zou hebben gemanifesteerd vóór 16 juni 1997, datum waarop haar polis in werking trad, houdt niet noodzakelijk in dat eiseres afstand zou hebben gedaan van haar recht om op grond van de polis en de wettelijke bepalingen dekking te weigeren. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist dat eiseres afstand heeft gedaan van haar recht om de dekking te weigeren, nu dit uit de door de appèlrechters vastgestelde feiten niet noodzakelijk volgt (Schending van het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht strikt moet worden uitgelegd en enkel kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn, zoals neergelegd in onder meer artikel 1045, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 1134, 1135 en 1338 van het Burgerlijk Wetboek, 78, 79 en 89 van de Landverzekeringswet). 1.2. Tweede onderdeel Overeenkomstig de artikelen 1134 en 1335 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1 en 77 van de Landverzekeringswet is een verzekeraar slechts gehouden tot het verlenen van dekking indien het schadegeval gedekt is door zijn polis. Krachtens artikel 78, ,§1, van de Landverzekeringswet slaat de verzekeringswaarborg op de schade voorgevallen tijdens de duur van de overeenkomst en strekt zich uit tot vorderingen die na het einde van deze overeenkomst worden ingediend. Krachtens artikel 78, ,§2, van de Landverzekeringswet kunnen voor de erin nader bepaalde takken van de algemene burgerrechtelijke aansprakelijkheid, de partijen overeenkomen dat de verzekeringswaarborg alleen slaat op de vorderingen die schriftelijk worden ingesteld tegen de verzekerde of de verzekeraar tijdens de duur van de overeenkomst voor schade voorgevallen tijdens diezelfde duur. Krachtens de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek moet de verzekerde, die jegens zijn verzekeraar doet gelden dat hij recht heeft op een betaling, niet enkel de schade bewijzen, maar ook de gebeurtenis die daartoe aanleiding gaf, en aantonen dat het verzekeringscontract wel degelijk in dat schadegeval voorziet en het niet uitsluit. Dezelfde regels inzake de bewijslast aan de derde-benadeelde en aan elke andere derde het bewijs daarvan opleggen. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing dat "alleen (eiseres) tot dekking gehouden is" omdat dit "uit het voorgaande volgt" niet wettig verantwoordt, nu uit het enkel feit dat eiseres, naar het oordeel van de appèlrechters, "verzaakt (heeft) aan haar beweerd recht om op de grond van de polis en de wettelijke bepalingen dekking te weigeren" slechts toelaat te besluiten dat eiseres dit verweer niet mag voeren volgens de appèlrechters, maar onverkort laat de bewijslast die nog steeds op de andere partijen, en inzonderheid (tweede verweerster) rust, om aan te tonen dat het schadegeval in de polis van eiseres is voorzien en deze dit niet uitsluit, zoals artikel 78 van de Landverzekeringswet dit toelaat. (Schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1, 77 en 78 van de Landverzekeringswet). IV. Beslissing van het Hof 1. Eerste onderdeel Overwegende dat afstand van recht niet wordt vermoed, strikt moet worden geïnterpreteerd en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn ; Dat de feitenrechter onaantastbaar de feiten vaststelt waaruit hij de afstand van recht afleidt ; Overwegende dat de appèlrechters op grond van de feitelijke vaststellingen vermeld op de bladzijden 12 tot en met 14 van het arrest, onder randnummer 4, oordelen dat eiseres "door haar houding (heeft) aanvaard dat zij tot dekking gehouden is" en dat zij "dienvolgens impliciet doch zeker (heeft) verzaakt aan haar beweerd recht om op grond van de polis en de wettelijke bepalingen dekking te weigeren" ; Dat de appèlrechters aldus onderzoeken en vaststellen dat de gedane feitelijke vaststellingen niet anders kunnen worden uitgelegd dan als een afstand van het recht om dekking te weigeren ; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen ; Overwegende voorts dat het onderdeel het arrest bekritiseert in zoverre het oordeelt dat eiseres door haar houding heeft aanvaard dat zij tot dekking gehouden is ; Dat de beslissing van de appèlrechters niet alleen steunt op die reden, maar tevens op de zelfstandige en tevergeefs bekritiseerde reden dat eiseres verzaakt heeft aan haar recht om dekking te weigeren ; Dat het onderdeel in zoverre niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is ; 2. Tweede onderdeel Overwegende dat de verzekerde die jegens zijn verzekeraar een recht op betaling aanvoert, in de regel niet alleen het bewijs moet leveren van de schade, maar ook van de gebeurtenis die tot die schade heeft geleid en moet bewijzen dat het opgetreden risico in het contract was voorzien en er niet door uitgesloten was ; Dat wanneer, zoals te dezen, de rechter vaststelt dat de verzekeraar aanvaard heeft tot dekking te zijn gehouden, en verzaakt heeft aan zijn beweerd recht om op grond van de polis en de wettelijke bepalingen dekking te weigeren, de verzekerde niet langer gehouden is het bewijs te leveren dat het schadegeval in de verzekeringsovereenkomst is voorzien en er niet door uitgesloten is ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van zevenhonderd drieënzeventig euro tweeënzeventig cent jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd zestig euro drieënzeventig cent jegens de verwerende partij sub 2 en op de som honderd tweeëndertig euro vijfenzeventig cent jegens de verwerende partij sub 3. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Greta Bourgeois, waarnemend voorzitter, de raadsheren Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van zeventien november tweeduizend en vijf uitgesproken door raadsheer Greta Bourgeois, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051117.10 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071026.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000225.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div