← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051117.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051117.7 Rolnummer: F.02.0060.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-03-24 Raadplegingen: 537 - laatst gezien 2026-07-04 09:54 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer het hof van beroep ontheffing verleent van de door belastingplichtige betwiste aanslag op grond van een voor kritiek vatbare reden, en het Hof tot de bevinding komt dat elke rechtsgrond om tot belastingheffing over te gaan, ontbrak, stelt het vast dat door die in de plaats gestelde reden de bestreden beslissing tot ontheffing naar recht verantwoord is, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden en bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is

(1).
(1)Zie Cass., 5 mei 1993, AR P.93.0497.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930505.10, nr 221; Cass., 31 okt. 1996, AR C.96.0082.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961031.8, nr 410. Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Vrije woorden: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Opdracht van het Hof Belastingzaken Bestreden beslissing gegrond op een voor kritiek vatbare grond Indeplaatsstelling van een rechtsgrond door het Hof Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BELASTINGZAKEN - Belang Vrije woorden: CASSATIEMIDDELEN - BELASTINGZAKEN - Belang Bestreden beslissing gegrond op een voor kritiek vatbare grond Indeplaatsstelling van een rechtsgrond door het Hof Tekst van de beslissing Nr. F.02.0060.N GEMEENTE KAPELLE-OP-DEN-BOS, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met kantoor gevestigd in het Gemeentehuis, 1880 Kapelle-op-den-Bos, Marktplein 29, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen L'HERMITAGE, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een naamloze vennootschap, met zetel te 2140 Antwerpen, Dokter Van de Perrelei 38, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Hubert Dubois, advocaat bij de balie te Antwerpen, kantoor houdende te 2600 Berchem, Elisabethlaan 73. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 31 mei 2002 gewezen door het Hof van Beroep van Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 10, 11, 41, 159, 162, tweede lid, 2°, en 6°, 170, ,§4, en 172 van de gecoördineerde Grondwet ; &§9472; de artikelen 1, b, 2, a), 3 in het bijzonder
  1. b)en
  2. c)van het reglement genomen door de gemeenteraad van Kapelle-op-den-Bos op 9 december 1996, inhoudende "belasting op de totale oppervlakte bestemd voor de uitoefening van industriële, commerciële, dienstverlenende en zorgenverstrekkende activiteiten, alsook voor land-en/of tuinbouwactiviteiten, zomede voor de uitoefening van een vrij beroep, post of ambt" ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel afgeleid uit de scheiding der machten en voor zover als nodig, het evenredigheidsbeginsel. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart de voorziening van verweerster gegrond, beveelt de ontheffing van de bestreden aanslag en de terugbetaling van het teveel geïnde, vermeerderd met de moratoriumintresten, en veroordeelt eiseres tot de kosten, om redenen dat : "het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden indien in het belastingreglement een onverantwoord onderscheid wordt gemaakt tussen twee categorieën van belastingplichtigen die zich in dezelfde situatie bevinden (terzake : de grond wordt door een natuurlijke of door een rechtspersoon verpacht). De al dan niet aanwezigheid van dergelijke verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de belasting, en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. De schending van het evenredigheidsbeginsel bevestigt het gebrek aan overeenstemming tussen het doel van de belasting en de gevolgen ervan. Ter zake wordt het evenredigheidsbeginsel geschonden gezien de totale wanverhouding die bestaat tussen enerzijds netto-opbrengst van de verhuring (minder dan 20.000 BEF/jaar) en anderzijds het bedrag van de jaarlijkse gemeentebelasting (650.000 BEF) ; men heeft aldus te maken met een pseudo onteigening van de gronden alleen maar omdat de oppervlakte bestemd voor de landbouwactiviteiten door rechtspersonen verpacht worden (indien zij door een landbouwer gebruikt worden die zelf eigenaars zijn van de grond, of indien zij door natuurlijke personen verpacht worden is de gemeentebelasting inderdaad niet verschuldigd). Het onevenredig karakter van de belasting noopte (verweerster) trouwens de gronden te verkopen". Grieven 1. Eerste onderdeel De grondwettelijke regels inzake de gelijkheid der Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen, zoals opgenomen in artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet, staan er niet aan in de weg dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De al dan niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en met inachtneming van de aard van de in het geding zijnde beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen redelijkerwijze niet evenredig zijn met het beoogde doel. De eventuele onevenredigheid van de grondslag van de heffing met het beoogde doel houdt echter op zichzelf geen schending in van het gelijkheidsbeginsel en, in elk geval, moet de toetsing van het belastingreglement aan het evenredigheidsbeginsel in abstracto gebeuren, d.w.z. los staande van het onderzoek van de toestand van een welbepaalde belastingplichtige en, meer bepaald, van het bedrag aan belasting dat een welbepaalde belastingplichtige verschuldigd is. Anders beslissen zou de rechterlijke macht toelaten de gepastheid of wenselijkheid van de belasting en zijn tarieven en modaliteiten te beoordelen, wat niet mag, nu het de gemeente in het kader van haar fiscale autonomie, gewaarborgd door artikelen 41, 162, tweede lid, 2°, en 170, ,§4, van de gecoördineerde Grondwet, vrijstaat de tarieven en modaliteiten van de gemeentebelastingen te bepalen, onder controle van de voogdij-overheid, die moet zorgen om te beletten dat de wet geschonden of het algemeen belang geschaad wordt (artikel 162, tweede lid, 6°, van de gecoördineerde Grondwet). Daaruit volgt dat, door de voorziening van de verwerende partij gegrond te verklaren en de ontheffing van de belasting te bevelen om de reden dat de ingevoerde belasting de gelijkheids- en evenredigheidsbeginselen schendt gezien de totale wanverhouding die bestaat tussen de netto-opbrengst van de verhuring (minder dan 20.000 BEF/jaar) en het bedrag van de jaarlijkse gemeentebelasting (650.000 BEF) zodat men zou hebben te maken met een pseudo-onteigening van de gronden alleen maar omdat de oppervlakte bestemd voor de landbouwactiviteiten door rechtspersonen verpacht worden en verweerster gedwongen werd de gronden te verkopen, het bestreden arrest : - de artikelen 10, 11, en 172 van de gecoördineerde Grondwet, alsmede het evenredigheidsbeginsel schendt, in de mate dat het de belastingsverordening aan het evenredigheidsbeginsel toetst en dit terwijl de eventuele schending van het evenredigheidsbeginsel op zichzelf geen schending van de artikelen 10, 11, en 172 van de gecoördineerde Grondwet inhoudt ; - de artikelen 10, 11, en 172 van de gecoördineerde Grondwet, alsmede het evenredigheidsbeginsel schendt, in mate dat het de belasting ingevoerd door eiseres aan het evenredigheidsbeginsel toetst aan de hand van de bijzondere toestand van één bepaalde belastingplichtige, verwerende partij, en dit terwijl dit onderzoek in abstracto moet gebeuren ; - een opportuniteitsbeoordeling doorvoert en de artikelen 41, 162, tweede lid, 2°, en 6°, en 170, ,§4, van de gecoördineerde Grondwet, alsmede het algemene rechtsbeginsel afgeleid uit de scheiding der machten schendt, door de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel aan de bijzondere toestand van één bepaalde belastingplichtige, verwerende partij te toetsen en de ontheffing van de belasting te bevelen op grond van zuivere opportuniteitsredenen (hetzij de wanverhouding tussen de netto-opbrengst van de verhuring en het bedrag van de gemeentebelasting verschuldigd door verweerster) ; - artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet schendt door de regelmatig door eiseres genomen belastingsverordening niet toe te passen omwille van een beweerde schending van het evenredigheidsbeginsel. 2. Tweede onderdeel Het belastingsreglement genomen door eiseres op 9 december 1996 voert een belasting in "(...) op de totale oppervlakte bestemd voor de uitoefening van industriële, commerciële, dienstverlenende en zorgenverstrekkende activiteiten, alsook voor land-en/of tuinbouwactiviteiten, zomede voor de uitoefening van een vrij beroep, post of ambt". Volgens artikel 1, b, van het reglement, wordt de oppervlakte een bedrijfsoppervlakte geacht te zijn indien en in de mate dat de natuurlijke persoon of de rechtspersoon deze oppervlakte aanwendt voor : (
  3. i)commerciële activiteiten, en/of ; (
  4. ii)industriële activiteiten, en/of ; (iii) dienstverlenende activiteiten, en/of ; (
  5. iv)zorgenverstrekkende activiteiten, en/of ; (
  6. v)land- en/of tuinbouwactiviteiten, en/of ; (
  7. vi)de uitoefening van een vrij beroep, ambt of post. Overeenkomstig artikel 2 van het reglement, is de belasting verschuldigd door iedere natuurlijk persoon of rechtspersoon die op 1 januari van het belastingjaar een binnen het grondgebied van de gemeente gelegen bedrijfsoppervlakte aanwendt voor één of meer activiteiten als bedoeld in artikel 1, b, (i). Artikel 3 bepaalt dat indien en in de mate dat een natuurlijk persoon, die voor wat betreft de vestiging van de inkomstenbelastingen niet forfaitair belast wordt, of waarvan de aftrekbare beroepskosten niet forfaitair bepaald worden, de kosten verbonden aan een oppervlakte als beroepskost in aftrek brengt, deze oppervlakte, behoudens tegenbewijs door de administratie, vermoed wordt door de betrokken natuurlijk persoon aangewend te zijn voor de uitoefening van één of meer van de in artikel 1, b, (i), t/m (vi), bedoelde activiteiten en dit op 1 januari van het belastbare tijdperk in de inkomstenbelastingen, waarvoor deze kosten, als beroepskosten, in aftrek worden gebracht (artikel 3, b). Bovendien, wordt de oppervlakte van onroerende goederen, waarop een rechtspersoon over enig zakelijk of persoonlijk recht beschikt, onweerlegbaar vermoed een bedrijfsoppervlakte te zijn en dit op 1 januari van het belastingjaar waarin de rechtspersoon over een dergelijk recht beschikt (artikel 3c). Uit die bepalingen van de belastingsverordening blijkt dat zowel rechtspersonen als natuurlijke personen aan de belasting zijn onderworpen, minstens wanneer en in de mate dat een natuurlijk persoon, die voor wat betreft de vestiging van de inkomstenbelastingen niet forfaitair belast wordt, of waarvan de aftrekbare beroepskosten niet forfaitair bepaald worden, de kosten verbonden aan een oppervlakte als beroepskost in aftrek brengt nu, in deze omstandigheden, deze oppervlakte vermoed wordt door de betrokken natuurlijk persoon aangewend te zijn voor de uitoefening van één of meer van de in artikel 1, b, (i), t/m (vi), bedoelde activiteiten. Hieruit volgt dat het bestreden arrest dat de voorziening van de verwerende partij gegrond verklaart en de ontheffing van de belasting beveelt om de reden dat de ingevoerde belasting het evenredigheids- en bijgevolg het gelijkheidsbeginsel schendt nu men zou hebben te maken met een pseudo-onteigening van de gronden alleen maar omdat de oppervlakte bestemd voor de landbouwactiviteiten door rechtspersonen verpacht worden en de belasting niet verschuldigd is indien de oppervlakte door landbouwers gebruikt worden die zelf eigenaars zijn van de grond of indien zij door natuurlijke personen verpacht worden, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt en : - de artikelen 10, 11, en 172 van de gecoördineerde Grondwet, alsmede het evenredigheidsbeginsel schendt in de mate dat zowel rechtspersonen als natuurlijke personen, minstens wanneer de oppervlakte bedrijfsmatig wordt gebruikt, aan de belasting zijn onderworpen zodat van een verschil in behandeling tussen rechtspersonen en natuurlijke personen die zich in dezelfde toestand bevinden, geen sprake is ; - de artikelen 1, b, 2, a en 3 in het bijzonder
  8. b)en
  9. c)van het belastingsreglement van 9 december 1996 schendt, nu uit deze bepalingen blijkt dat, - in strijd met wat het bestreden arrest beslist -, de gemeentebelasting ook verschuldigd is door natuurlijke personen, niet alleen indien zij de oppervlakten bedrijfsmatig verpachten, maar ook indien zij als eigenaar de grond zelf gebruiken als landbouwer ; - artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet schendt, door de regelmatig door eiseres genomen belastingverordening niet toe te passen omwille van een beweerde schending van het evenredigheidsbeginsel. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat : - verweerster een burgerlijke vennootschap is, die de vorm heeft aangenomen van een handelsvennootschap ; - het maatschappelijk doel van verweerster bestaat in het beheer van beleggingen en vermogens ; - verweerster niet beschikt over een BTW-nummer ; - verweerster op het grondgebied van eiseres eigenaar is van hooiland, weiland en landbouwgronden ; - verweerster haar gronden verpacht aan landbouwers die ze aanwenden voor hun landbouwactiviteiten ; - volgens artikel 1a van het in betwisting zijnde belastingreglement de aangevochten gemeentebelasting wordt geheven in de mate dat een bedrijfsoppervlakte wordt aangewend door een natuurlijke of een rechtspersoon ; Overwegende dat, krachtens artikel 3c van het betwiste reglement, de gronden waarop verweerster als rechtspersoon over een zakelijk recht beschikt, onweerlegbaar worden vermoed een bedrijfsoppervlakte te zijn ; Overwegende dat het betwiste reglement niet het eigendomsrecht of een ander zakelijk recht op een bedrijfsoppervlakte belast, maar het aanwenden van een bedrijfsoppervlakte ; Dat de appèlrechters vaststellen dat de gronden waarvan verweerster eigenaar is, niet door haar maar door landbouwers worden aangewend voor landbouwactiviteiten ; Dat hieruit volgt dat de rechtsgrond om verweerster te belasten ontbreekt ; Dat door de in de plaatsgestelde reden dat verweerster haar gronden niet aanwendt de bestreden beslissing naar recht verantwoord is ; Overwegende dat het middel dat niet tot cassatie kan leiden, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van tweehonderd negenennegentig euro achtenzeventig cent jegens de eisende partij Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Eric Stassijns en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van zeventien november tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051117.7 Gerelateerde publicatie(
  10. s)geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100923.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930505.10 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961031.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.