id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art.251
Fiches 2 - 3 Belastingverhogingen zijn geen inkomsten of andere gegevens die, wanneer het bestuur voornemens is ze in de plaats te stellen van de aangegeven of erkende inkomsten of andere gegevens, het voorwerp moeten uitmaken van een bericht van wijziging. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Wijziging door de administratie van een aangifte Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Wijziging door de administratie van een aangifte Toepassing van een belastingverhoging Kennisgeving in het bericht van wijziging Wettelijke bepalingen:
Art.251
Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Wijziging door de administratie van een aangifte Bericht van wijziging Inkomsten of andere gegevens die het bestuur voornemens is in de plaats te stellen Wettelijke bepalingen:
Art.251
Fiche 4 Geen wettelijke of reglementaire bepaling legt het bestuur de verplichting op om de belastingverhoging voor de inkohiering ervan ter kennis te brengen van de belastingplichtige. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Sancties. Verhogingen. Administratieve boeten. Straffen Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Sancties. Verhogingen. Administratieve boeten. Straffen Belastingverhoging Voorafgaande kennisgeving aan de belastingplichtige Tekst van de beslissing Nr. F.03.0027.N C.J., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat
- I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 maart 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest "Verklaart de voorziening ontvankelijk, doch ongegrond ; Bevestigt de bestreden beslissing. Verwijst (eiser) in de kosten (...)", op grond van de motieven : "(Eiser) houdt voor dat de berekening van de belastbare winsten op willekeurige wijze door de administratie gebeurde en dat hij terecht aanspraak maakt op de aftrok van de uitgaven en de lasten die hij heeft gedragen om de niet aangegeven meeromzet te betalen. Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft in het arrest van 8 februari 1991 de tenlasteleggingen die aan de basis van de bestreden aanslag liggen, bewezen geacht, zodat er volgens de administratie geen aanleiding bestaat om de belastbare inkomsten te herzien of de wettelijk opgelegde belastingverhoging te verminderen : namelijk een zwarte omzet van minstens 56.000.000 BEF en een gerealiseerde zwarte winst van minstens 10.000.000 BEF. (Verweerder) heeft terecht de niet aangegeven belastbare winsten berekend door op de officieuze lonen dezelfde brutowinstmarge toe te passen als op de aangegeven lonen. De berekening van (eiser) is geen bewijs van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten en de beroepsuitgaven worden door (eiser) niet bewezen. In de berekening houdt (eiser) ten onrechte rekening met de uitbetaalde lonen vermeld in de exploitatierekening, gevoegd bij zijn aangifte, die echter door de administratie niet werd aanvaard en die wordt tegengesproken door de gegevens in het arrest. Bovendien stelt (eiser) ten onrechte dat bij de berekening van de brutowinstmarge rekening moet worden gehouden met de reële loonkost, zijnde het loon vermeerderd met de RSZ, medische controles en dergelijke, terwijl dit uiteraard bij de uitbetaling van de zwarte lonen niet van toepassing is. De aanslag voor het aanslagjaar 1986 dient dan ook te worden behouden". Grieven Eiser heeft in regelmatig genomen beroepsbesluiten, neergelegd ter griffie op 8 oktober 1999, op de pagina's 11 en 12 opgeworpen "Oorspronkelijk had (eiser) een bruto exploitatiewinst uit hoofde van ontvangen slijplonen als diamantslijper van 26.232.854 (code 600) aangegeven. De administratie heeft echter, bij bericht van wijziging van 3 oktober 1990, laten weten dat 56.156.4423 BEF tekort was en vermelde som werd door de administratie bekomen door de volgens haar gegevens verzamelde werkelijke prestaties ten bedrage van 82.005.916 BEF te verminderen met de zogenaamde officiële prestaties ten bedrage van 25.849.474 BEF. Uit de aanvaarde BTW-aangifte blijkt evenwel dat een materiële vergissing in deze berekening is gebeurd en dat er 106.000 BEF te veel werd aangerekend (stuk nr. 16 van (verweerder) en de gevoegde bijlagen : BTW-listing). Bijgevolg is de meeromzet niet 56.156.442 BEF doch alleszins slechts 56.050.442 BEF". Hieruit volgt dat het bestreden arrest, dat met de aangehaalde motieven, noch met enig ander motief, op deze ingeroepen materiële vergissing bij de door verweerder uitgevoerde berekeningen niet heeft geantwoord, niet naar genoegen van recht gemotiveerd is (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 251, zoals gewijzigd door de wet van 3 november 1976, en 259, lid 2, zoals gewijzigd door de wet van 5 januari 1976, van het bij koninklijk besluit van 26 februari 1964 gecoördineerde Wetboek van de Inkomstenbelastingen, hierna afgekort WIB/64 ; &§9472; voor zoveel als nodig, de artikelen 346 en 354 van het bij koninklijk besluit van 10 april 1992 gecoördineerde Wetboek van de Inkomstenbelastingen, hierna afgekort WIB/
- Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest "Verklaart de voorziening ontvankelijk, doch ongegrond ; Bevestigt de bestreden beslissing. Verwijst (eiser) in de kosten (...)", op grond van de motieven : "Bij ter post aangetekende brief van 3 oktober 1990 werd aan (eiser) een bericht van wijziging van aangifte betekend. Bij brief van 13 november 1990, binnen de toegestane verlengde termijn, heeft de gevolmachtigde van (eiser) een aantal bemerkingen overgemaakt aan de administratie. (Verweerder) heeft vervolgens bij gewoon schrijven van 20 december 1990 de inkomsten gewijzigd en op basis daarvan de supplementaire aanslag gevestigd. (Eiser) stelt dat de administratie reeds op 28 december 1990 het kohier uitvoerbaar heeft verklaard, vooraleer de wettelijke antwoordtermijn op het bericht van 20 december 1990 was verstreken. (Eiser) stelt dan ook dat de (verweerder) de substantiële vormvereisten heeft miskend, zodat de wijzigingsprocedure nietig is alsook de aldus onwettelijke gevestigde supplementaire aanslag. Wanneer de administratie in het kader van de wijzigingsprocedure een eerste bericht van wijziging verzendt en nadien een aanslag vestigt op een lagere aanslagbasis dan uit het bericht van wijziging naar voor komt, dient zij niet eerst een nieuw bericht van wijziging te sturen. Dit op voorwaarde dat enkel werd rekening gehouden met de opmerkingen van de belastingplichtige, zonder dat de methode en de berekening van de aanslag werd gewijzigd. (...) De brief van 20 december 1990 is geen bericht van wijziging, maar een antwoord van de administratie op het niet-akkoord van de belastingplichtige van 16 november
- Het bericht van wijziging dateert van 3 oktober 1990, zodat de vestiging op 28 december 1990 van het aanslagjaar 1986 regelmatig is gebeurd". Grieven Eiser heeft in regelmatig genomen beroepsbesluiten, neergelegd ter griffie op 8 oktober 1999, op pagina 8 opgeworpen : "De administratie heeft echter vervolgens, bij gewoon schrijven dd. 20 december 1990, andermaal de inkomsten gewijzigd en kennelijk op basis daarvan de supplementaire, betwiste aanslag gevestigd. Inderdaad vermeldt het bericht van wijziging van 3 oktober 1990 een belastbare winst (code nr. 607) van 47.465.912 BEF, terwijl in het laatste schrijven dan weer wordt besloten tot een belastbare winst van 26.618.231 BEF, die op een andere wijze vastgesteld is en bijgevolg een nieuwe discussie moest ontlokken. De administratie dient een nieuw bericht van wijziging te versturen, ook wanneer zij, na rekening te hebben gehouden met de opmerkingen van de belastingplichtige, een lagere aanslagbasis weerhoudt die berust op een andere methode en berekening van de aanslag. Hieruit volgt dat het bestreden arrest door te beslissen dat de aanvullende aanslag voor het aanslagjaar 1986 wettig gevestigd werd op 28 december 1990, zonder dat eiser een nieuwe termijn van antwoord op het schrijven van 20 december 1990 gegund diende te worden, op de enkele vaststelling dat dit schrijven een antwoord was van verweerder op het niet-akkoord van eiser, maar zonder aan te duiden dat de weerhouden gegevens in dit schrijven van 20 december 1990 het niet werden op een andere methode en berekening van de aanslagbasis, zijn beslissing niet wettig verantwoordt (schending van de aangehaalde artikelen 251 en 295, lid 2, WIB/92).
- Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen ; &§9472; de artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet ; &§9472; artikel 334 van het bij koninklijk besluit van 26 februari 1964 gecoördineerde Wetboek van de Inkomstenbelastingen, hierna afgekort WIB/64 en voor zoveel als nodig artikel 444 van het bij koninklijk besluit van 10 april 1992 gecoördineerde Wetboek van de Inkomstenbelastingen, hierna afgekort WIB/92 ; &§9472; artikel 238bis van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het WIB/64 en voor zoveel als nodig 225 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het WIB/
- Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest "Verklaart de voorziening ontvankelijk, doch ongegrond ; Bevestigt de bestreden beslissing. Verwijst (eiser) in de kosten (...)", op grond van de motieven : "(Eiser) stelt ten onrechte dat de opgelegde belastingverhoging nietig is aangezien ze niet werd aangekondigd in het bericht van wijziging. Krachtens recente cassatierechtspraak legt geen wettelijke of reglementaire bepaling het bestuur de verplichting op om de belastingverhoging voor de inkohiering ter kennis te brengen van de belastingplichtige". Grieven Krachtens artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen, telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, dit bericht de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten vermeldt, en de motieven opgeeft die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen; die wettelijke verplichting geldt op straffe van een niet gerechtvaardigde discriminatie te doen ontstaan tussen belastingplichtigen, naargelang van hen de betaling van een fiscale boete dan wel een belastingverhoging wordt gevorderd. Deze verplichting geldt noodzakelijkerwijs zowel voor de bij het Wetboek van de Inkomstenbelastingen opgelegde administratieve geldboeten als voor de belastingverhogingen die, evenzeer als de boeten, bestuurlijke sancties zijn, die kunnen worden opgelegd voor dezelfde overtredingen van de bepalingen van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten. Terzake heeft het Arbitragehof in zijn arrest nr. 48/2001 van 18 april 2001 beslist : "Dat neemt echter niet weg dat de ambtenaar in beide gevallen over een beoordelingsvrijheid beschikt voor de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de sanctie en voor het bedrag dat hij oplegt. In geval van een belastingverhoging moet hij bovendien, overeenkomstig artikel 444, tweede lid, oordelen of er sprake is van 'ontstentenis van kwade trouw'. Op geen enkele wijze kan worden verantwoord dat de belastingadministratie, wanneer zij een belastingverhoging oplegt, niet de redenen vermeldt die haar tot het besluit hebben gebracht dat een aangifte onvolledig of onjuist is en dat de belastingplichtige al dan niet te kwader trouw is, terwijl zij, wanneer zij een administratieve boete oplegt, verplicht is de elementen bedoeld in artikel 109 te vermelden. In beide gevallen gaat het om administratieve sancties die de administratie kan opleggen in geval van overtreding van bepalingen van het Wetboek, waarvan zij de aard en de ernst beoordeelt". Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, zonder artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986, alsook de artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet te schenden, heeft kunnen beslissen dat "geen wettelijke of reglementaire bepaling het bestuur de verplichting op(legt) om de belastingverhoging voor de inkohiering ter kennis te brengen van de belastingplichtige", dan wanneer de verplichting wel bestaat voor verweerder om telkens wanneer hij een belastingverhoging oplegt, hij voorafgaandelijk aan de belastingplichtige de feiten die de overtreding opleveren, de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten en de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen dient ter kennis te brengen. (schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet, 334 van het WIB/64, voor zoveel als nodig 444 WIB/92, 238bis van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 en 225 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993). IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat het arrest, enerzijds, de beslissing van het bestuur bijvalt die, op grond van een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 8 februari 1991, oordeelt dat de "zwarte omzet" minstens 56.000.000 BEF bedroeg en, anderzijds, de berekeningen gedaan door eiser verwerpt ; Dat het arrest aldus het in het middel bedoelde verweer verwerpt en beantwoordt ; Dat het middel feitelijke grondslag mist ; Tweede middel Overwegende dat het middel niet preciseert hoe en waardoor het bestreden arrest artikel 259, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)schendt ; Dat het middel in zoverre wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk is ; Overwegende dat, krachtens artikel 251, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), de administratie, indien ze meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 214 tot 218 of van ter uitvoering van artikel 220 van hetzelfde wetboek genomen bepalingen, dan wel schriftelijk heeft erkend, verplicht is de belastingplichtige bij een ter post aangetekende brief in kennis te stellen van de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend, en ertoe gehouden is de redenen te vermelden die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen ; Overwegende dat, krachtens artikel 251, derde lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), de belastingplichtige binnen de termijn van een maand na de verzending van dat bericht, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, schriftelijk zijn opmerkingen kan inbrengen ; Dat, krachtens deze wetsbepaling, de aanslag niet mag worden gevestigd voor die eventueel verlengde termijn verstreken is, behoudens indien de belastingplichtige met de wijziging van zijn aangifte schriftelijk instemt of indien de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn ; Overwegende dat wanneer na een eerder bericht van wijziging de administratie opnieuw tot een andere wijziging van de aangifte wil overgaan, omdat zij nieuwe of betere redenen tot wijziging heeft ontdekt, zij de belastingplichtige daartoe andermaal moet van in kennis stellen door middel van een bericht van wijziging ; Dat de kennisgeving van een nieuw bericht van wijziging niet vereist is, wanneer de in een eerder bericht voorgestelde aanslagbasis verminderd wordt en daarvoor uitsluitend rekening wordt gehouden met de opmerkingen van de belastingplichtige zonder dat de methode en de grondslagen van de berekening gewijzigd worden ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat :
- eiser bij ter post aangetekende brief een bericht van wijziging van aangifte werd betekend op 3 oktober 1990 ;
- de gevolmachtigde van eiser een aantal bemerkingen heeft overgemaakt aan verweerder bij brief van 13 november 1990 binnen de toegestane verlengde termijn ;
- verweerder bij brief van 20 december 1990 de inkomsten heeft gewijzigd en op basis daarvan de supplementaire aanslag heeft gevestigd ;
- de brief van 20 december 1990 geen bericht van wijziging is, maar een antwoord van de administratie op het niet-akkoord van de belastingplichtige van 13 november 1990 ; Overwegende dat de appèlrechters te kennen geven dat er geen noodzaak was tot het verzenden van een nieuw bericht van wijziging omdat de administratie na de verzending van het eerste bericht van wijziging de aanslag vestigde op een lagere aanslagbasis dan uit dit bericht van wijziging naar voor kwam, zonder dat de methode en de berekening van de aanslag werd gewijzigd ; Dat de appèlrechters aldus hun beslissing dat de aanvullende aanslag wettig gevestigd werd op 28 december 1990, naar recht verantwoorden ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; Derde middel Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijke artikel 334 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), bij niet-aangifte of bij onjuiste aangifte, op de niet-aangegeven inkomsten belastingverhogingen verschuldigd zijn, volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld en gaande van 10 pct. tot 200 pct. van de op het niet-aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen ; Overwegende dat de belastingverhoging geen inkomsten of andere gegevens zijn die, wanneer het bestuur voornemens is ze in de plaats te stellen van de aangegeven of erkende inkomsten of andere gegevens, het voorwerp moeten uitmaken van een bericht van wijziging overeenkomstig artikel 251 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964); Dat geen andere wettelijke of reglementaire bepaling het bestuur de verplichting oplegt om de belastingverhoging vóór de inkohiering ervan ter kennis te brengen van de belastingplichtige ; Dat het middel dat de appèlrechters verwijt de aanslagen met betrekking tot de belastingverhoging niet nietig te hebben verklaard bij gebrek aan voorafgaandelijke verwittiging door het bestuur, in zoverre faalt naar recht ; Overwegende voor het overige dat het middel ervan uitgaat dat vereist is dat vóór een boete wordt opgelegd, de betrokkene voorafgaandelijk wordt ingelicht van de gronden waarop de boete zal worden opgelegd ; Dat het middel berust op een onjuiste premisse ; Dat in zoverre het discriminatie aanvoert, het middel niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van tweehonderd vijfenveertig euro zesentachtig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, de raadsheren Luc Huybrechts, Ghislain Londers en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van zeventien november tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051117.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2016:ARR.20161214.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div