id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art.2
Fiches 2 - 3 In geval van herkwalificatie door de rechter van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid in een arbeidsovereenkomst, omdat uit de uitvoering van de overeenkomst is gebleken dat de arbeid onder gezag werd gepresteerd stemt de in de overeenkomst voor zelfstandige arbeid bedongen en door de opdrachtgever te betalen vergoeding niet noodzakelijk overeen met het loon waarop de werknemer "ingevolge de dienstbetrekking" recht heeft, op basis waarvan de te betalen socialezekerheidsbijdragen voor werknemers worden berekend
(1).
(1)Cass., 10 jan. 2005, AR S.03.0039.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050110.10, nr ... Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING Vrije woorden: LOON - BESCHERMING Overeenkomst voor zelfstandige arbeid Gerechtelijke herkwalificatie Arbeidsovereenkomst Loonbasis Berekening van de sociale zekerheidsbijdrage Wettelijke bepalingen:
Art.2
Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Overeenkomst voor zelfstandige arbeid Gerechtelijke herkwalificatie Arbeidsovereenkomst Loonbasis Berekening van de sociale zekerheidsbijdrage Wettelijke bepalingen:
Art.2Tekst van de beslissing Nr.
S.05.0061.N.- D'HOLLANDER-BUYLE, besloten vennootschap met beperkte aansprake-lijkheid, met zetel te 9000 Gent, Slachthuisstraat 54, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare insteling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 december 2004 gewezen door het Arbeidshof te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 23, eerste en tweede lid, en 38, ,§1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers ; - artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ; - artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers ; - de artikelen 2, 3 en 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ; - artikel 149 van gecoördineerde Grondwet van 17 februari
- Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van verweerder, het hoger beroep van verweerder ontvankelijk en in de volgende mate gegrond. Het arbeidshof vernietigt het eindvonnis van de arbeidsrechtbank van 14 april
- Opnieuw wijzende, veroordeelt het arbeidshof eiseres tot betaling aan verweerder van 52.032,33 euro aan achterstallige bijdragen, 5.203,16 euro aan bijdrage-opslagen, 16.603,39 euro aan interest, en de verwijlinterest vanaf 29 september
- Het arbeidshof beslist dat onder meer op grond van de volgende motieven : "
- In ondergeschikte orde haalt (eiseres) aan dat de bijdragen niet mogen berekend worden op de brutobedragen die de ontbeenders ontvingen na aftrek van de B.T.W. Het is het bedrag dat aan de werknemer werd uitgekeerd dat terecht in rekening werd gebracht. Het heeft geen belang wat zij met deze vergoeding hebben aangevangen. De wijze van berekening wordt trouwens vermeld in het onderzoeksverslag en wordt door het arbeidshof beaamd. Terecht werd rekening gehouden met de vergoeding maar ook met de verklaringen van de betrokkenen nopens het aantal gewerkte dagen (bijvoorbeeld van maandag tot vrijdag) en 8 uur prestaties per gewerkte dag. De berekeningen werden gemaakt aan de hand van de verklaringen van de uitbeners en Dhr. D. Het argument dat van het betaalde loon minstens de sociale bijdragen moeten afgetrokken worden gaat niet op. Immers de betrokken werknemers presteerden ook elders buiten de uren dat zij in de weer waren voor (eiseres). Het gaat dan ook niet op hun sociale bijdragen, die berekend worden op de totaliteit van de opbrengst van hun zelfstandige activiteiten na vermindering van hun kosten af te trekken van hun loon bij (eiseres)". Grieven
- De artikelen 23, eerste en tweede lid, en 38, ,§1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, hieronder afgekort als Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid, en artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hieronder afgekort als RSZ-Wet, bepalen dat de socialezeker-heidsbijdragen worden berekend op basis van het loon van de werknemer, waarbij het begrip loon wordt bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hieronder afgekort als Loonbeschermingswet. Krachtens artikel 2 van de Loonbeschermingswet wordt onder loon verstaan : het loon in geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever.
- De herkwalificatie door de rechter van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid in een arbeidsovereenkomst, omdat uit de uitvoering van de overeenkomst is gebleken dat de arbeid onder gezag werd gepresteerd, heeft de toepassing van de socialezekerheidsregeling voor werknemers tot gevolg. In een overeenkomst voor zelfstandige arbeid kan het bedrag van de vergoeding die de opdrachtgever verschuldigd is aan de persoon met wie hij op zelfstandige basis samenwerkt, mee bepaald zijn met inachtneming van de door de zelfstandige te betalen bijdrage voor de sociale zekerheid voor zelfstandigen. Het gedeelte van de oorspronkelijk bepaalde vergoeding dat voor de partijen ertoe strekte de zelfstandige toe te laten zijn bijdrage voor de sociale zekerheid voor zelfstandigen te betalen, heeft specifiek betrekking op een overeenkomst voor zelfstandige arbeid en niet op een dienstbetrekking. Dat gedeelte van de vergoeding kan dan ook ingevolge de herkwalificatie niet beschouwd worden als loon of een voordeel waarop de werknemer recht heeft "ingevolge de dienstbetrekking" en kan bijgevolg geen basis zijn voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen voor werknemers.
- Na een analyse van de feitelijke werkomstandigheden, komt het arbeidshof tot het besluit dat de vier uitbeners van wie verweerder aanvoerde dat zij in ondergeschikt verband werkten voor eiseres, onder het gezag stonden van eiseres voor de prestaties die zij voor haar verleenden, dat zij voor de periode dat zij voor eiseres werkten, gebonden waren door een arbeidsovereenkomst en derhalve onderworpen waren aan de socialezeker-heidsregeling voor werknemers zodat "op hun prestaties" socialezeker-heidsbijdragen verschuldigd zijn. Het arbeidshof overweegt voorts : "In ondergeschikte orde haalt (eiseres) aan dat de bijdragen niet mogen berekend worden op de brutobedragen die de ontbeenders ontvingen na aftrek van de B.T.W. Het is het bedrag dat aan de werknemer (d.i. de door het arbeidshof als werknemers geherkwalificeerde uitbeners) werd uitgekeerd dat terecht in rekening werd gebracht. Het heeft geen belang wat zij met deze vergoeding hebben aangevangen. De wijze van berekening werd trouwens vermeld in het onderzoeksverslag en wordt door het Arbeidshof beaamd. Terecht werd rekening gehouden met de vergoeding maar ook met de verklaringen van de betrokkenen nopens het aantal gewerkte dagen (bijvoorbeeld van maandag tot vrijdag) en 8 uur prestaties per gewerkte dag. De berekeningen werden gemaakt aan de hand van de verklaringen van de uitbeners en Dhr. D. Het argument dat van het betaalde loon minstens de sociale bijdragen moeten afgetrokken worden gaat niet op. Immers de betrokken werknemers presteerden ook elders buiten de uren dat zij in de weer waren voor (eiseres). Het gaat dan ook niet op hun sociale bijdragen, die berekend worden op de totaliteit van de opbrengst van hun zelfstandige activiteiten na vermindering van hun kosten af te trekken van hun loon bij (eiseres)". Eiseres voerde in een regelmatig aan het arbeidshof voorgelegde conclusie aan : "De socialezekerheidsbijdragen kunnen, in de mate dat de uitbeners als werknemers worden beschouwd, maar worden berekend op het loon waarop zij recht hebben (artikel 14 RSZ-Wet en artikel 2 Loonbeschermingswet). Als werknemer hebben zij geen recht op de vergoeding die zij als zelfstandige ontvingen, en moet worden gekeken naar het loon dat ze als werknemer zouden verdienen. Van het bedrag dat zij ontvingen, betaalden zij onder meer zelf de sociale zekerheidsbijdragen in de zelfstandigenregeling (stukken II/6-9). Alvast minstens deze bijdragen moeten dan ook van hetgeen zij factureerden worden afgehouden, naast de BTW, om tot een equivalent van een belastbaar loon te komen dat als basis voor de berekening van de bijdragen kan dienen". (blz. 18, voorlaatste alinea, van de conclusie neergelegd ter griffie op 20 april 2004). Aldus voerde eiseres aan dat voor de berekening van de socialezeker-heidsbijdragen rekening moet worden gehouden met het loon dat de als werknemer geherkwalificeerde uitbeners als werknemers zouden verdienen en dat zij als werknemer geen recht hebben op de vergoeding die zij als zelfstandige ontvingen, m.a.w. dat de uitbeners niet op de volledige vergoeding de zij van eiseres ontvingen, recht hebben "ingevolge de dienstbetrekking". De overweging van het arbeidshof dat (door verweerder) terecht het bedrag dat aan de werknemer werd uitgekeerd, in rekening werd gebracht, houdt in dat het arbeidshof de vergoeding die eiseres aan de uitbeners betaalde (na aftrek van de BTW) geheel als loon beschouwt voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen in de regeling voor werknemers, ongeacht of zij betrekking heeft op een overeenkomst voor zelfstandige arbeid dan wel op een dienstbetrekking. Nochtans zijn enkel socialezekerheidsbijdragen verschuldigd op het loon in geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ten laste van zijn werkgever recht heeft "ingevolge de dienstbetrekking". Het arbeidshof overweegt dat de bedragen die de betrokken uitbeners betaalden aan sociale bijdragen als zelfstandige, niet dienen te worden afgetrokken van de door eiseres betaalde vergoedingen aangezien de uitbeners ook elders presteerden buiten de uren dat zij in de weer waren voor eiseres en de sociale bijdragen berekend worden op de totaliteit van de opbrengst van de zelfstandige activiteiten verminderd met hun kosten. Het arbeidshof gaat evenwel niet na en stelt niet vast dat de door eiseres in het kader van de overeenkomst voor zelfstandige arbeid betaalde vergoeding niet mee bepaald was met inachtneming van de door de zelfstandige uitbeners te betalen bijdrage voor de sociale zekerheid voor zelfstandigen en dus specifiek betrekking heeft op een overeenkomst voor zelfstandige arbeid en niet op een dienstbetrekking. Nochtans overweegt het arbeidshof onder punt 19 : "Dat de 'zelfstandige' uitbeenders een hogere vergoeding genoten verklaard kan worden door het feit dat zij zelf dienden in te staan voor hun sociaal statuut, ongevallenverzekering en dergelijke meer". Door, met veronachtzaming van de hierboven geciteerde aanvoering van eiseres, zonder na te gaan en vast te stellen op welk loon de als werknemers geherkwalificeerde uitbeners recht hadden ingevolge hun dienstbetrekking en door zonder meer aan te nemen dat terecht het bedrag dat aan de als werknemers geherkwalificeerde uitbeners werd uitgekeerd in rekening werd gebracht voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen verschuldigd in de regeling voor werknemers, schendt het arbeidshof het begrip loon (schending van de artikelen 23, eerste en tweede lid, en 38, ,§1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, en van de artikelen 2, 3 en 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten).
- Voor het geval het Hof zou aannemen dat het arbeidshof met de overwegingen dat terecht de bedragen die aan de als werknemer geherkwali-ficeerde uitbeners werden uitgekeerd, in rekening werden gebracht en dat het niet opgaat de sociale bijdragen die de uitbeners betaalden in de socialezekerheidsregeling voor zelfstandigen, af te trekken van die bedragen omdat de betrokken uitbeners ook elders presteerden en hun sociale bijdragen berekend worden op de totaliteit van de opbrengst van hun zelfstandige activiteiten na vermindering van hun kosten, oordeelt dat de partijen de vergoeding in het kader van de overeenkomst voor zelfstandige arbeid hebben bepaald zonder inachtneming van de door de zelfstandige uitbeners te betalen bijdragen in de socialezekerheidsregeling voor zelfstandigen, is het arrest behept met een tegenstrijdigheid. Hoger in het arrest, bij de bespreking van de vraag of de prestaties van de uitbeners al dan niet in het kader van een arbeidsovereenkomst werden geleverd, overweegt het arbeidshof dat het feit dat de zelfstandige uitbeners voor de door hen ter beschikking gestelde arbeid in de werkplaats van eiseres een hogere vergoeding genoten dan de werknemers-uitbeners, kan verklaard worden door het feit dat de zelfstandige uitbeners zelf dienden in te staan voor hun "sociaal statuut, ongevallenverzekering en dergelijke meer". Het gedeelte van de oorspronkelijk bepaalde vergoeding dat voor de partijen ertoe strekte de zelfstandige toe te laten zijn bijdragen te betalen in de socialezekerheidsregeling voor zelfstandigen, heeft specifiek betrekking op een overeenkomst voor zelfstandige arbeid en niet op een dienstbetrekking. Dat gedeelte van de vergoeding kan ingevolge herkwalificatie dan ook niet beschouwd worden als loon, te weten geld of een in geld waardeerbaar voordeel waarop de werknemer recht heeft ten laste van zijn werkgever "ingevolge de dienstbetrekking", en kan dan ook geen deel uitmaken van de basis voor de berekening van de sociale-zekerheidsbijdragen in de regeling voor de werknemers. Door enerzijds, voor de beoordeling van het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding, te oordelen dat het feit dat de zelfstandige uitbeners een hogere vergoeding genoten kan verklaard worden door het feit dat zij zelf dienden in te staan voor hun sociaal statuut, en anderzijds, voor de bepaling van de berekeningsbasis van de bijdragen verschuldigd in de socialezekerheidsregeling voor werknemers, te oordelen dat de in het kader van de overeenkomst van zelfstandige samenwerking betaalde bedragen (volledig) moeten in aanmerking worden genomen, is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd. De ene keer oordeelt het arbeidshof aldus dat het deel van de vergoeding dat de zelfstandige uitbeners meer ontvangen dan de werknemers-uitbeners niet het ter beschikking stellen van hun arbeid vergoedt, de andere keer oordeelt het dat het volledige bedrag wel het ter beschikking stellen van hun arbeid vergoedt. In die omstandigheden schendt het arbeidshof dan ook artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Het arbeidshof oordeelt niet wettig dat terecht het bedrag dat aan de werknemer werd uitgekeerd in rekening werd gebracht voor de berekening van de door eiser gevorderde sociale-zekerheidsbijdragen, verklaart niet wettig het hoger beroep ontvankelijk en in bepaalde mate gegrond en veroordeelt eiseres niet wettig tot betaling aan verweerder van 52.032,33 euro aan achterstallige bijdragen, 5.203,16 euro aan bijdrageopslag, 16.603,39 euro aan verwijl-interest, en de verwijlinterest vanaf 29 september 2000 (schending van de artikelen 23, eerste en tweede lid, en 38, ,§1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, 149 van gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, en voor zoveel als nodig, 2, 3 en 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 23, eerste lid, en artikel 38, ,§1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en artikel 14,,§1, van de RSZ-wet van 27 juni 1969, de socialezekerheidsbijdragen voor de werknemers berekend worden op basis van het loon van de werknemers ; Dat, krachtens artikel 23, tweede lid, van de voormelde wet van 29 juni 1981 en artikel 14, ,§2, van de voormelde wet van 27 juni 1969, het begrip loon dat voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen in aanmerking wordt genomen, bepaald wordt bij artikel 2 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965, dit is het geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer "ingevolge de dienstbetrekking" recht heeft ten laste van zijn werkgever ; Overwegende dat in een overeenkomst voor zelfstandige arbeid de hoegrootheid van de door de opdrachtgever aan de zelfstandige arbeider te betalen vergoeding bepaald wordt of kan bepaald worden met inachtneming van de door de zelfstandige arbeider uitsluitend zelf te dragen bijdrage voor de sociale zekerheid als zelfstandige ; Dat het gedeelte van de oorspronkelijk bepaalde vergoeding, er juist toe strekkende de zelfstandige arbeider toe te laten uitsluitend zelf zijn bijdrage voor de sociale zekerheid als zelfstandige te betalen, specifiek betrekking heeft op de overeenkomst van zelfstandige arbeid en geen voordeel of loon kan zijn waarop de werknemer "ingevolge de dienstbetrekking" recht heeft en geen basis kan zijn voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen voor werknemers ; Dat daaruit volgt dat, in geval van herkwalificatie door de rechter van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid in een arbeidsovereenkomst, omdat uit de uitvoering van de overeenkomst is gebleken dat de arbeid onder gezag werd gepresteerd, de in de overeenkomst voor zelfstandige arbeid bedongen en door de opdrachtgever te betalen vergoeding niet noodzakelijk overeenstemt met het loon waarop de werknemer "ingevolge de dienstbetrekking" recht heeft, op basis waarvan de te betalen socialezekerheidsbijdragen voor werknemers worden berekend ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat de zelfstandige uitbeenders, waarvan evenwel vastgesteld werd dat zij onder gezag werkten, een hogere vergoeding ontvingen dan de in dienstverband werkende uitbeenders en in dit verband oordelen dat dit "kan verklaard worden door het feit dat zij zelf dienden in te staan voor hun sociaal statuut, ongevallenverzekering en dergelijke meer" ; Dat het arrest, door in de gegeven omstandigheden te oordelen dat na de voormelde herkwalificatie de in het kader van de overeenkomst voor zelfstandige arbeid bepaalde vergoeding volledig als basis dient te worden genomen voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen voor werknemers, de hierboven aangewezen wetsbepalingen schendt ; Dat het middel gegrond is ; OM DEZE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart en aanneemt dat de vier bedoelde "zelfstandige" uitbeenders onder gezag van eiseres arbeid presteerden in het kader van een arbeidsovereenkomst ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van eenentwintig november tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051121.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050110.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div